Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-15
ECLI:NL:GHSHE:2025:1055
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep kort geding
2,634 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.350.908/01
arrest van 15 april 2025
gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van
[persoon A] en [persoon B],
beiden vennoot van [XX] Bewindvoering V.O.F.,
hierna: [XX] ,
bewindvoerder van
[persoon C]
, wonende te [woonplaats] ,
appellanten in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna (tezamen): [persoon C] ,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,
tegen
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
[vereniging A]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna: [vereniging A] ,
advocaat: mr. K.A.M. Jaspers te Rotterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 5 februari 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 15 januari 2025, door de kantonrechter te Breda (rechtbank Zeeland-West-Brabant), gewezen tussen appellanten als gedaagden en [vereniging A] als eiseres.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep, houdende een vordering in het incident, met producties;
de memorie van antwoord in het incident van [vereniging A] , met producties;
de memorie van grieven, met producties;
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.
Beoordeling
In het incident
3.1.
Tussen [vereniging A] als verhuurder en [persoon C] als huurder bestaat sinds 3 juni 2024 een huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan [adres A] . Bij het bestreden kortgedingvonnis heeft de kantonrechter [XX] in hoedanigheid van bewindvoerder van [persoon C] veroordeeld om de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken (voor zover niet toebehorend aan [vereniging A] ). Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.2.
Bij vonnis in kort geding van 21 februari 2025 (zaaknummer 11539462 \ VV EXPL 25-11) heeft de kantonrechter te Breda (rechtbank Zeeland-West-Brabant) de vordering van ( [XX] in hoedanigheid van bewindvoerder van) [persoon C] ex artikel 438 Rv, ertoe strekkende om [vereniging A] te verbieden het bestreden vonnis voor wat betreft de veroordeling tot ontruiming ten uitvoer te leggen, afgewezen.
3.3.
[persoon C] vordert in het incident schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. [persoon C] heeft ter onderbouwing van de vordering aangevoerd dat tenuitvoerlegging van het vonnis voor haar een noodtoestand doet ontstaan, omdat zij op straat zal komen te staan en geen enkele mogelijkheid heeft om op korte termijn een andere betaalbare en passende huurwoning te vinden of elders te verblijven. Ook zal [persoon C] door de ontruiming haar inkomen verliezen en daarmee haar schuldhulpregeling en zal ontruiming leiden tot stress en grote onzekerheid. Gelet op het feit dat het bij de gestelde overlast alleen erom zou gaan dat [persoon C] 's nachts geschreeuwd zou hebben, alsmede op het feit dat ook [persoon C] zelf slachtoffer was van overlast, is ontruiming van de woning disproportioneel en onevenredig, aldus [persoon C] .
3.4.
[vereniging A] voert verweer tegen de vordering in het incident. Daarop zal in het hiernavolgende voor zover nodig worden ingegaan.
3.5.
Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) heeft op grond van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 het volgende te gelden.
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
3.6.
In het vonnis zijn geen overwegingen gewijd aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ervan. In beginsel kunnen daarom ook feiten en omstandigheden worden meegewogen die zich vóór de uitspraak van het vonnis hebben voorgedaan.
3.7.
[persoon C] heeft niet aangevoerd dat het vonnis lijdt aan een kennelijke juridische of feitelijke misslag. Het komt dus aan op een afweging van de wederzijdse belangen van partijen.
3.8.
In dat kader overweegt het hof dat [persoon C] bij het aangaan van de onderhavige schriftelijke huurovereenkomst per juni 2024 ook een allonge heeft ondertekend. Daarin staat dat [vereniging A] voorafgaand aan die overeenkomst, toen [persoon C] van [vereniging A] een andere woning huurde, in de periode van 2018 tot 2024 een groot aantal meldingen van (ernstige) door [persoon C] veroorzaakte overlast heeft ontvangen: onder meer geluidsoverlast, ruzies, geweldsincidenten tegen medebewoners en het dumpen van afval. Omdat [persoon C] zich bereid verklaarde haar gedrag drastisch aan te passen en geen enkele overlast meer te veroorzaken, heeft [vereniging A] [persoon C] onder strikte voorwaarden een laatste kans willen bieden. Artikel 6 onder a van de allonge, waarmee [persoon C] door ondertekening akkoord is gegaan, luidt:
"Indien huurder [ [persoon C] ] tekortschiet in nakoming van een of meer van de in deze gedragsaanwijzing bepaalde verplichtingen, of van een andere verplichting uit de huurovereenkomst of de wet, is huurder zonder nadere aankondiging of ingebrekestelling in verzuim en huurder erkent reeds nu voor die situatie dat die nieuwe tekortkoming dan (…) voldoende is om aan te nemen dat sprake is van een zodanig ernstig tekortschieten dat dit ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning rechtvaardigt."
3.9.
[vereniging A] heeft naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat [persoon C] , ondanks deze laatste kans, in haar nieuwe woonomgeving opnieuw overlast veroorzaakt. [vereniging A] heeft diverse meldingen van omwonenden als productie in het geding gebracht waaruit dat zonder meer blijkt. [persoon C] heeft als zodanig niet bestreden dat de politie op 3 oktober 2014 de voordeur van de woning van [persoon C] heeft moeten intrappen vanwege een escalatie in de woning. Evenmin heeft [persoon C] (gemotiveerd) bestreden dat zij en haar moeder zich ernstig hebben misdragen op het kantoor van [vereniging A] : zij hebben zich agressief en bedreigend opgesteld tegenover medewerkers van [vereniging A] en spullen op het kantoor vernield, zoals ook blijkt uit de door [vereniging A] in eerste aanleg in het geding gebrachte camerabeelden. Aannemelijk is dus dat [persoon C] zich opnieuw niet als een goed huurder heeft gedragen en bepalingen van de huurovereenkomst en de allonge heeft overtreden. Dat [persoon C] , naar zij stelt, zelf ook overlast heeft ervaren, is niet aannemelijk geworden en doet daar bovendien niet aan af.
3.10.
Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet van [vereniging A] worden gevergd dat zij [persoon C] nog langer in de woning laat. Een belangenafweging kan niet in het voordeel van [persoon C] uitvallen, de vordering in het incident moet daarom worden afgewezen. [vereniging A] is gerechtigd het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis niettegenstaande het daartegen ingestelde hoger beroep ten uitvoer te leggen.
3.11.
Op het verweer van [vereniging A] dat [persoon C] , gelet op het kortgedingvonnis van 21 februari 2025 en op het feit dat, naar [vereniging A] stelt, op 25 februari 2025 de ontruiming heeft plaatsgevonden, geen belang meer heeft bij haar vordering in het incident, behoeft niet te worden ingegaan.
3.12.
Dictum
In de hoofdzaak
3.13.
De hoofdzaak is naar de rol van vandaag verwezen voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de zaak naar de rol van vandaag is verwezen voor memorie van antwoord;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 april 2025.
griffier rolraadsheer