Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-15
ECLI:NL:GHSHE:2025:1051
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
8,677 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.337.843/01
arrest van 15 april 2025
in de zaak van
Parking [XX] C.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het voorwaardelijke incident,
hierna aan te duiden als Parking [XX] ,
advocaat: mr. S.H. van Santen te Alphen aan den Rijn,
tegen
Q-Park [YY] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
gedaagde in het voorwaardelijke incident,
hierna aan te duiden als Q-Park,
advocaat: mr. S.J. van Leeuwen te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 13 februari 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 november 2023, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen Parking [XX] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Q-Park als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven met één productie, tevens houdende eiswijziging, tevens houdende voorwaardelijk verzoek ex artikel 85 jo. 22 Rv en voorwaardelijk incidentele vordering ex artikel 843a;
de antwoordconclusie in het incident, houdende reactie op verzoek ex artikel 85 lid 2 Rv en 22 lid 1 Rv en akte overlegging productie, met één productie;
de memorie van antwoord;
de op 12 maart 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
De samenvatting
3.1.
Q-Park exploiteert een parkeergarage die voorheen door Parking [XX] werd geëxploiteerd. Partijen hebben een garantieovereenkomst gesloten. Die overeenkomst hield in dat Parking [XX] aan Q-Park betalingen zou verrichten wanneer de door Q-Park behaalde omzet onder een bepaald niveau zou blijven. Dat heeft zich voorgedaan tijdens de coronacrisis. Parking [XX] is van mening dat de coronacrisis een onvoorziene omstandigheid is waarmee geen rekening is gehouden toen zij de garantieovereenkomst sloot met Q-Park. Zij heeft om die reden ontbinding, althans wijziging van de garantieovereenkomst gevorderd. Q-Park wil juist nakoming van die overeenkomst. De rechtbank heeft Q-Park in het gelijk gesteld. Het hof bekrachtigt dat oordeel. Dat zal hierna worden gemotiveerd.
Feiten
3.2.
Het hof gaat in dit hoger beroep uit van de volgende feiten.
3.2.1.
Parking [XX] drijft een onderneming op het gebied van ontwikkeling en exploitatie van parkeergarages. De beherend vennoot van Parking [XX] is [--] B.V.. Enig aandeelhouder van die vennootschap is [QQ] B.V., waarvan op haar beurt [ZZ] Beheer B.V. enig aandeelhouder en bestuurder is. [persoon A] is de enig aandeelhouder en bestuurder van laatstgenoemde vennootschap.
3.2.2.
Q-Park exploiteert parkeergarages in Nederland, waaronder de parkeergarage “P+R [XX] ” in [plaats B] (hierna: de parkeergarage).
3.2.3.
Vanaf november 2018 hebben tussen [--] en [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A] ) gesprekken plaatsgevonden over de verkoop van de parkeergarage, waarbij [bedrijf A] de parkeergarage van [--] zou verwerven via een nog door haar aan te wijzen entiteit. Op 30 april 2019 is hiertoe een intentieovereenkomst gesloten tussen [--] en [bedrijf A] . In deze intentieovereenkomst, die door [persoon B] is gestuurd aan Parking [XX] ter attentie van [ZZ] , is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
Wij hebben de bieding gebaseerd op onze parkeergarage marktkennis, de beschikbaar gestelde informatie en de navolgende uitgangspunten:
-(…)
-De totale omzet bedraagt € 568.250 (2018) exclusief BTW, dit bedrag is inclusief de huur van (…). De exploitatie en huurgegevens gegevens zijn overhandigd.
-De parkeergarage zal in exploitatie worden genomen door Q-Park (…)
(…)
De bieding geschiedt onder voorbehoud en goedkeuring van de directie van [bedrijf A] en Q-Park. Verder gelden de volgende voorbehouden en tijdslijnen:
(…)
-De verkoper geeft huurder een intentieverklaring van de gemeente (mail) en een garantie op de te realiseren parkeeromzet van gemiddeld € 625.000 exclusief BTW in 2019, 2020 en 2021. Q-Park zal de omzetgegevens delen met koper en verkoper. (…)”
3.2.4.
Op 6 juni 2019 heeft Parking [XX] (rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar gevolmachtigde [--] [XX] B.V. en op diens beurt rechtsgeldig vertegenwoordigd door [persoon A] ) met Q-Park een ‘Overeenkomst Omzetgarantie’ gesloten (hierna: de garantieovereenkomst).
Hierin is onder andere het volgende vermeld:
“Nemen het volgende in aanmerking:
A. [XX] is voornemens de parkeergarage [XX] (…) te verkopen aan EG PFE NL 1 Coöperatief U.A. [hof: de in 3.2.3 genoemde ‘entiteit’, hierna EG PFE].
B. EG PFE (…) zal de Parkeergarage aan Q-Park verhuren krachtens een huurovereenkomst en Q-Park bereid is de Parkeergarage te huren onder de voorwaarde dat [XX] een omzetgarantie zal geven. De vermoedelijke ingangsdatum van de Huurovereenkomst is juli 2019 of zoveel eerder als dat de levering van [XX] aan EG PFE plaatsvindt;
C. Partijen wensen de voorwaarden omtrent de omzetgarantie in de onderhavige overeenkomst vast te leggen. (…)
Komen het volgende overeen:
Artikel 1 Verplichtingen [XX] omzetgarantie
1. (…)
2. [XX] garandeert aan Q-Park dat Q-Park de eerste drie jaren na Huuringangsdatum een netto parkeeromzet jaaromzet in de Parkeergarage zal realiseren van minimaal EUR 625.000 (per huurjaar). Onder netto parkeeromzet wordt verstaan (…)
3. Uitgaande van een ingangsdatum van de huurovereenkomst per 1 juli 2019 geldt de
omzetgarantie voor de volgende periode:
vanaf 1 juli tot en met 31 december 2019 (omzet minimaal EUR 312.500); en
vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 (omzet minimaal EUR 625.000); en
vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 (omzet minimaal EUR 625.000); en
vanaf 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2022 (omzet minimaal EUR 312.500).
Mocht de huuringangsdatum later ingaan dan verschuiven de voormelde perioden, in die zin dat de omzetgarantie per jaar (of gedeelte daarvan) wordt berekend en geldt voor
36 maanden in totaal.
Artikel 2 Verplichtingen Q-Park
1. Q-Park verplicht zich om gedurende een periode van drie jaar na Huuringangsdatum om kantoorabonnementen niet aan te bieden voor een lager bedrag dan EUR 1.215,- exclusief BTW prijspeil (1 juli 2019);
2. (...)
3. Q-Park zal zich inspannen om stallingsovereenkomsten te sluiten en de lopende stallingsovereenkomsten, waaronder de P+R overeenkomst met de gemeente Den Haag, ten tijde van het sluiten van de onderhavige overeenkomst voort te zetten tegen de overeengekomen condities.
Q-Park zal na iedere 3 maanden een kwartaalrapportage inzake de bezettings- en financiële realisatie delen met [XX] , indien gewenst kan Q-Park een toelichting geven.”
Artikel 3 Claim op omzetgarantie, vereffening
1. (…)
2. Indien de Netto Parkeeromzet in het betreffende jaar of periode minder is dan de Omzetdrempel (van EUR 625.000 exclusief omzetbelasting op jaarbasis) zal [XX] het verschil aan Q-Park binnen vier weken over maken op het door Q-Park op te geven bankrekeningnummer, wordt er niet overgegaan tot betaling dan zal Q-Park de bankgarantie inroepen en de bank instrueren om het tekort over te maken op de door Q-Park op te geven bankrekeningnummer.
3. Na afloop van de drie jaar waarvoor de omzetgarantie geldt (thans voorzien op 30 juni 2022) zullen Partijen de gemiddelde jaarlijkse Netto Parkeeromzet over de periode van drie jaar berekenen. Indien blijkt dat die Netto Parkeeromzet gemiddeld meer dan EUR 625.000 bedraagt, zal Q-Park het overschot aan [XX] terugbetalen, met dien verstande dat terugbetaling niet geschiedt voor zover dat ertoe leidt dat de gemiddelde Netto Parkeeromzet niet minimaal EUR 625.000 bedraagt.”
(…)
Artikel 6 Zekerheid
1. [XX] zal voor eigen rekening en tot zekerheid van de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de omzetgarantie ten behoeve van Q-Park een - door Q-Park goed te keuren - bankgarantie stellen voor een bedrag ad EUR 150.000,-.
2. (…)
3.2.5.
Op 21 juni 2019 zijn [--] (als verkoper) en EG PFE (als koper) een koopovereenkomst met betrekking tot de parkeergarage aangegaan. Daarin is onder meer het volgende vermeld:
“15.1.1 The Purchaser [hof: EG PFE] enters into a lease agreement with regard to the Property with Q-Park [YY] B.V. (Q-Park) as from the Completion Date. The Seller [hof: [--] ] provides Purchaser Q-Park with a letter of intent, confirming the continuation of the current P&R provisions between the municipality of The Hague and Parking [XX] C.V.
Feiten
by the municipality of The Hague.
15.1.2.
The Seller guarantees Q-Park a minimum average annual rental income of EUR 625.000 (excluding turnover tax) for each of the calendar years 2019, 2020 and 2021, to be settled within six months after the preceding calendar year, in accordance with the arrangements included in Schedule 2.”
Het in art. 15.1.2. genoemde “Schedule 2” betreft de hiervoor genoemde garantieovereenkomst (zie 3.2.4).
3.2.6.
De parkeergarage is op 21 juni 2019 door [--] aan EG PFE geleverd. Op grond van een huurovereenkomst van 21 juni 2019 huurt Q-Park de parkeergarage van EG PFE.
Rabobank heeft namens Parking [XX] een bankgarantie gesteld aan Q-Park ten bedrage van € 150.000,00.
3.2.7.
In 2020 heeft Q-Park aanspraak gemaakt op de garantie over de periode 1 juli 2019 tot en met 31 december 2019. Het betrof een bedrag van € 354,05. Parking [XX] heeft dit bedrag voldaan.
3.2.8.
Op 10 augustus 2020 ontving Parking [XX] van Q-Park de financiële
rapportage over het tweede kwartaal van 2020. Volgens Parking [XX] was een omzetdaling van ruim 83 % een gevolg van de coronacrisis. Tussen partijen is vervolgens een discussie ontstaan of Q-Park wel of niet (vanwege de coronacrisis) een beroep mocht doen op de garantieovereenkomst. Daarover is gecorrespondeerd en gesproken. Partijen zijn hierover van mening blijven verschillen.
3.2.9.
De Rabobank heeft op 9 november 2021 € 150.000,- aan Q-Park voldaan uit hoofde van de bankgarantie. Q-Park heeft facturen gestuurd aan Parking [XX] op basis van de garantieovereenkomst.
De vorderingen van beide partijen, het oordeel van de rechtbank en de (gewijzigde) vorderingen in hoger beroep
3.3.1.
Parking [XX] heeft (in conventie, na wijziging van eis) gevorderd dat de rechtbank (samengevat weergegeven):
- de garantieovereenkomst op grond van art. 6:258 lid 1 BW gedeeltelijk ontbindt, in die zin dat de garantieverplichting van Parking [XX] (met terugwerkende kracht) wordt verminderd tot 25%, althans tot een door de rechtbank te bepalen percentage;
- voor recht verklaart dat Parking [XX] slechts de volgende bedragen (of door de rechtbank te bepalen bedragen) verschuldigd is:
a. over 2020 een bedrag van € 60.208,69;
b. over 2021 een bedrag van € 87.627,29, en
c. over 2022 een bedrag van € 43.617,17
en bepaalt dat het door Q-Park ontvangen bedrag van € 150.000,00 onder de bankgarantie daarop in mindering strekt;
- Q-Park veroordeelt in de proceskosten.
3.3.2.
Q-Park heeft (in reconventie, na vermeerdering en vermindering van eis) gevorderd dat de rechtbank (samengevat weergegeven) Parking [XX] veroordeelt tot betaling van:
- € 615.812,63 ( of een door de rechtbank te bepalen bedrag), te vermeerderen met wettelijke (handels)rente;
- € 5.873,41 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten.
3.3.3.
De rechtbank heeft de vorderingen van Parking [XX] afgewezen en die van Q-Park toegewezen.
Op het verzoek van Parking [XX] om Q-Park te veroordelen tot overlegging van de huurovereenkomst tussen haar en EG PFE heeft de rechtbank eveneens afwijzend beslist.
3.3.4.
Volgens Parking [XX] moet het hof het vonnis van de rechtbank vernietigen en (samengevat weergegeven):1. de garantieovereenkomst op grond van artikel 6:258 lid 1 BW met terugwerkende kracht gedeeltelijk ontbinden, althans wijzigen, in die zin dat haar garantieverplichting wordt verminderd tot 50% (of een door het hof te bepalen percentage);
2. voor recht verklaren dat Parking [XX] op grond van de garantieovereenkomst slechts de volgende bedragen verschuldigd is:
a. over 2020 € 120.417,38
b. over 2021 € 175.254,58
c. over 2022 € 87.234,35
(althans door het hof te bepalen bedragen);
en bepalen dat het door Q-Park onder de bankgarantie ontvangen bedrag van € 150.000,- daarop in mindering strekt;
3. Q-Park veroordelen tot restitutie van hetgeen zij ter uitvoering van het vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente;
4. Q-Park veroordelen in de proceskosten.
3.3.5.
Parking [XX] heeft ook nog een voorwaardelijk verzoek ex artikel 85 lid 2 jo. 22 Rv danwel een voorwaardelijke incidentele vordering ex artikel 843a ingesteld. Parking [XX] heeft gevorderd dat het hof bepaalt dat Q-Park de huurovereenkomst en de daaraan voorafgaande concepten in het geding moet brengen, althans dat het hof bepaalt dat zij inzage krijgt in die documenten.
Het beroep van Parking [XX] op artikel 6:258 lid 1 BW (grieven 1 tot en met 3)
3.4.1.
Parking [XX] heeft zich (samengevat) op het standpunt gesteld dat Q-Park haar niet mocht houden aan de garantieovereenkomst, omdat de coronapandemie een uitzonderlijke gebeurtenis was en niet door partijen was voorzien toen zij de garantieovereenkomst sloten. De rechtbank heeft het standpunt van Parking [XX] verworpen en de vorderingen van Parking [XX] afgewezen. Het hof is van oordeel dat de daartegen gerichte grieven falen om de volgende redenen.
3.4.2.
De rechtbank is uitgegaan van het volgende criterium (zie overweging 4.5).
Voor beantwoording van de vraag of in casu sprake is van ongewijzigde omstandigheden die ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst tussen partijen niet rechtvaardigt, zoals bepleit door Parking [XX] , stelt de rechtbank in algemene zin voorop dat voor een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden op de voet van art. 6:258 BW sprake moet zijn van (1) onvoorziene omstandigheden die (2) van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten en (3) niet voor rekening komen van de partij die zich op art. 6:258 BW beroept, op welke partij de stelplicht en bewijslast rusten, waaraan zware eisen worden gesteld.
Tegen deze overweging zijn geen grieven gericht, zodat dit ook voor het hof het uitgangspunt is, met uitzondering van de laatste passage over de zware eisen aan de stelplicht (daar is wel een grief tegen gericht).
3.4.3.
Het hof is met de rechtbank en met Parking [XX] van oordeel dat de coronacrisis gelet op de omvang en de ingrijpende gevolgen daarvan in beginsel kwalificeert als een onvoorziene omstandigheid. Weliswaar is de parkeergarage niet van overheidswege gesloten geweest, maar het ging wel om een uitzonderlijke, de volksgezondheid betreffende omstandigheid van algemene aard.
Daarmee is aan het eerste onderdeel van de hiervoor weergegeven maatstaf voldaan.
3.4.4.
Over het tweede onderdeel van de hiervoor weergegeven maatstaf heeft de rechtbank het volgende overwogen (zie 4.8 van het vonnis):
Van belang is dat de bindende kracht van een overeenkomst met zich brengt dat de rechter terughoudendheid dient te betrachten bij het aanvaarden van een beroep op onvoorziene omstandigheden, nu de regel van art. 6:258 BW als een “extreem geval” van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid moet worden beschouwd (MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 973), van welke beperkende werking, zo voegt de rechtbank nog toe, slechts in bijzondere gevallen sprake zal zijn.
Feiten
Dit neemt uiteraard niet weg dat er gevallen zijn waarin wijziging of ontbinding van de overeenkomst op grond van imprévision kan worden aanvaard.
Ook tegen dit oordeel heeft Parking [XX] geen grief gericht, zodat ook dit voor het hof het uitgangspunt is.
3.4.5.
De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat zo’n geval aan de orde kan zijn indien sprake is van een ernstige verstoring in de waardeverhouding. De rechtbank heeft onderzocht of daarvan sprake is geweest. De rechtbank heeft daarover overwogen dat dit niet het geval is geweest, omdat Q-Park aannemelijk heeft gemaakt dat Parking [XX] met het afgeven van een omzetgarantie een hogere verkoopprijs kon bewerkstelligen. In dat oordeel ligt volgens Parking [XX] besloten dat de rechtbank Parking [XX] met [--] (de verkoper van de parkeergarage) heeft vereenzelvigd. Het hof is van oordeel dat dit op een onjuiste lezing van het vonnis berust. Het hof is van oordeel dat de rechtbank heeft onderzocht wat de reden is geweest voor het aangaan van de garantieovereenkomst om te achterhalen of een ernstige verstoring heeft plaatsgevonden in de waardeverhouding. Dat is niet een kwestie van vereenzelviging, maar van uitleg van de rechtsverhouding, waarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn (zie o.a. HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4279, NJ 2000, 307, HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3408). Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de garantieovereenkomst niet los kan worden gezien van de huurovereenkomst en de (ver)koopovereenkomst van de parkeergarage, ook al zijn die overeenkomsten niet tussen dezelfde partijen gesloten. Daarover overweegt het hof het volgende.
3.4.6.
Op 30 april 2019 is een intentieovereenkomst tot stand gekomen tussen [--] en [bedrijf A] , maar die intentieovereenkomst is gestuurd aan Parking [XX] ter attentie van [ZZ] . In die intentieovereenkomst wordt melding gemaakt van de omzet van de parkeergarage, van het in exploitatie nemen van de parkeergarage door Q-Park, van een nog op te richten vastgoedfonds ter verwerving van de parkeergarage, van een door de verkoper af te geven intentieverklaring van de gemeente en van een door de verkoper af te geven garantie op de te realiseren omzet. Daarna is eerst de in dit geschil aan de orde zijnde garantieovereenkomst tot stand gekomen en vervolgens (dat wil zeggen ongeveer twee weken later) de koopovereenkomst en de huurovereenkomst. Hieruit blijkt dat sprake is van verbondenheid tussen deze overeenkomsten.
3.4.7.
Volgens Parking [XX] is de rechtbank er ten onrechte vanuit gegaan dat zij de garantieovereenkomst heeft gesloten om een hogere verkoopprijs te kunnen bewerkstelligen. Volgens Parking [XX] is zij de garantieovereenkomst enkel aangegaan om Q-Park comfort te geven, ingegeven door het feit dat niet duidelijk was of de gemeente Den Haag de P+R overeenkomst wilde continueren en zo ja, tegen welke voorwaarden. Het hof verwerpt dit standpunt. Wanneer de garantieovereenkomst als een op zichzelf staande overeenkomst zou moeten worden bezien, zoals door Parking [XX] is bepleit, dan is de inhoud van die overeenkomst niet te begrijpen. Niet valt in te zien waarom Parking [XX] bereid zou zijn om Q-Park te betalen - een onderneming waarmee zij (in haar visie) verder niets mee te maken had - wanneer Q-Park een te lage omzet zou realiseren. Daar zou dan geen enkele tegenprestatie tegenover hebben gestaan. Dat het comfort moest worden gegeven dat de gemeente Den Haag zou blijven huren, is op zich wel aannemelijk en blijkt uit de intentieovereenkomst, maar niet dat dit de (hoofd)reden was om de garantie te geven die Parking [XX] heeft verstrekt. Immers de overeenkomst met de gemeente liep nog minstens twee jaar door, zodat uitsluitend daarvan uitgaande, de garantie alleen voor de periode 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022 gesloten zou hoeven worden, zoals onbetwist door Q-Park is aangevoerd. In de intentieovereenkomst wordt melding gemaakt van deze overeenkomst met de gemeente Den Haag, maar daarbij wordt in dezelfde regel vermeld dat ‘de verkoper’ de garantie zal geven op de te realiseren omzet. Uit deze opsomming blijkt dat beide door Parking [XX] te geven zekerheden voor de koper van belang waren om te komen tot een ‘deal’. Dat is ook logisch. Dat de garantie afhankelijk was van de hoogte van de omzet, staat vast. Dat de (ver)koopprijs van een parkeergarage voor een belangrijk deel wordt bepaald door te behalen rendement en dat dit rendement afhankelijk is van te ontvangen huurinkomsten en dat de huurprijs afhankelijk is van te behalen omzet, is eenvoudigweg een economische realiteit. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat hetgeen Q-Park hierover heeft aangevoerd - ondersteund met een schriftelijke verklaring van [persoon B] van [bedrijf A] - aannemelijk is. Parking [XX] heeft daar zo weinig tegenover gesteld, dat het hof daarvan uitgaat. Het komt er eenvoudigweg op neer dat Parking [XX] geen plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij bereid was een verstrekkende garantie te geven, dus aanzienlijke bedragen te betalen terwijl Q-Park wél een volstrekt logische verklaring daarvoor heeft gegeven. Dat Parking [XX] bereid zou zijn zomaar aanzienlijke bedragen te betalen zonder tegenprestatie, is zo onaannemelijk dat het hof niet toekomt aan bewijslevering.
3.4.8.
Dit oordeel komt overeen met het oordeel van de rechtbank. Hoewel de rechtbank in 4.8 van het vonnis heeft overwogen dat aan de stelplicht zware eisen worden gesteld, is het hof van oordeel dat de rechtbank feitelijk in dit opzicht geen zwaardere eisen heeft gesteld aan Parking [XX] dan de eisen die daaraan normaliter worden gesteld (bedoeld zal zijn de eisen aan de betwisting door Parking [XX] ). Er is eenvoudigweg geen andere plausibele verklaring voor de betalingsverplichting die Parking [XX] met de garantieovereenkomst op zich heeft genomen, dan de door Q-Park gegeven reden.
3.4.9.
Het voorgaande is (slechts) één van de omstandigheden die meeweegt in de beoordeling of de garantieovereenkomst moet worden ontbonden of gewijzigd. Het hof zal voor de duidelijkheid nog uiteenzetten in welk verband het voorgaande moet meewegen.
3.4.10.
De coronacrisis is een onvoorziene omstandigheid geweest waarmee partijen geen rekening hebben gehouden toen zij de garantieovereenkomst sloten. Dat enkele feit is echter op zichzelf onvoldoende voor ontbinding of wijziging van die overeenkomst. Het effect van de coronacrisis moet van dien aard zijn geweest, dat Q-Park naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding mocht verlangen van de garantieovereenkomst. Daarbij weegt mee de aard van de overeenkomst (in dit geval een onvoorwaardelijke garantie) en de ernst van de verstoring in de waardeverhouding tussen de wederzijdse prestaties. Dat laatste vraagt om een cijfermatige onderbouwing die laat zien dat het effect van de coronacrisis een zodanige impact heeft gehad dat Parking [XX] niet meer aan de gegeven garantie mocht worden gehouden door Q-Park. Die cijfermatige onderbouwing ontbreekt, terwijl de aard van deze overeenkomst maakt dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de coronacrisis zo’n impact heeft gehad dat Parking [XX] niet gehouden kon worden aan de garantie. De overeenkomst was er juist op gericht om Q-Park te garanderen dat tegenvallende omzet werd opgevangen. Parking [XX] had inzichtelijk moeten maken met welke risico’s zij rekening heeft gehouden toen zij de garantie verstrekte, welke (cijfermatige) verwachtingen daarbij hoorden, en in welke onevenredige mate de situatie door de coronapandemie feitelijk anders is geweest. Dat inzicht heeft zij niet, althans onvoldoende gegeven. Parking [XX] is blijven steken in algemeenheden zoals dat zij is uitgegaan van normale marktomstandigheden en van eerder gerealiseerde omzetgegevens.
Feiten
En als Parking [XX] dat inzicht wél voldoende had gegeven, dan had zij daarbij ook moeten betrekken dat een hoger bedrag was betaald voor de (ver)koop van de parkeergarage. Daartoe bestond aanleiding vanwege de aard van deze overeenkomst en de verbondenheid met de (ver)koop- en (ver)huurovereenkomsten. Kortom, Parking [XX] heeft onvoldoende aangevoerd om ervan uit te gaan dat het evenwicht dusdanig verstoord is geraakt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Q-Park haar aan de garantieovereenkomst heeft gehouden.
3.4.11.
Volgens Parking [XX] is er geen reden om af te wijken van het algemeen aanvaarde uitgangspunt dat de nadelige gevolgen van de coronacrisis door ieder van de contractspartijen voor 50% moet worden gedragen. Het hof ziet niet in op grond waarvan zo’n uitgangspunt zou gelden. Dat de garantieperiode grotendeels samen is gevallen met de periode van de coronacrisis, maakt het voor Parking [XX] zuur. Dat neemt echter niet weg dat Parking [XX] onvoldoende onderbouwing heeft gegeven waarom het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om haar te houden aan de garantieovereenkomst. Kortom, de grieven falen.
Het door de rechtbank toegewezen bedrag in hoofdsom (grief 5)
3.5.1.
Parking [XX] heeft met grief 5 aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het bedrag dat Q-Park al heeft ontvangen onder de bankgarantie (€ 150.000,0). Dat bedrag dient in mindering te strekken op de toe te wijzen bedragen.
3.5.2.
Q-Park heeft daar tegen ingebracht dat wel degelijk rekening is gehouden met de uitgekeerde bankgarantie en uiteengezet op welke wijze daar rekening mee is gehouden.
3.5.3.
Het hof begrijpt uit de reactie van Q-Park op deze grief dat het toegewezen bedrag van € 615.812,63 als volgt is samengesteld:
- € 240.834,77 € 240.834,77 als compensatie voor de omzet over 2020 (zie de factuur van 17 mei 2021, productie 11 Parking [XX] );
minus de bankgarantie van € 150.000,- (uitgekeerd op 9 november 2021);
€ 350.509,17 als compensatie voor de omzet over 2021 (zie de factuur van 18 mei 2022, productie 11 Q-Park);
€ 174.468,69 als compensatie voor de omzet over 2022 (zie de factuur van 4 november 2022, productie 13 Q-Park).
Dat betekent dat rekening is gehouden met het onder de bankgarantie door Q-Park ontvangen bedrag.
Deze becijfering komt het hof juist voor. Parking [XX] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook niet aangevoerd dat dit onjuist is. De grief slaagt niet.
Wettelijke handelsrente of wettelijke rente (grief 6)
3.6.1.
De rechtbank heeft in reconventie het hiervoor genoemde bedrag toegewezen (€ 615.812,63) en Parking [XX] veroordeeld dit bedrag te voldoen te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 2 maart 2022. Met grief 6 heeft Parking [XX] aangevoerd dat de rechtbank geen wettelijke handelsrente had mogen toewijzen, omdat de garantieovereenkomst niet kwalificeert als een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 119a BW. Het hof is van oordeel dat deze grief slaagt om de volgende reden.
3.6.2.
Voor het toewijzen van wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW is het nodig dat sprake is van een handelsovereenkomst zoals bedoeld in die bepaling. Daarvoor is (onder andere) nodig dat het moet gaan om een transactie tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen een vergoeding (HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:241 met verwijzing naar HvJEU 1 december 2022, zaak C-419/21, ECLI:EU:C:2022:948 (X (Levering van medisch materiaal)), punt 23).
3.6.3.
Aangezien tegenover de door Parking [XX] te betalen vergoeding geen levering van goederen of het verrichten van diensten door Q-Park heeft gestaan, is van een handelstransactie in de zin van artikel 6:119a BW geen sprake. Q-Park heeft betoogd dat sprake is geweest van een tegenprestatie. Die bestond uit de huurovereenkomst met EG PFE tegen een hoge huurprijs. Het hof is van oordeel dat niet valt in te zien dat of waarom dit moet worden beschouwd als levering van goederen of verrichten van diensten aan Parking [XX] .
De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is wel toewijsbaar. De Het hof zal het bestreden vonnis op dit onderdeel vernietigen en alsnog de wettelijke rente in plaats van de wettelijke handelsrente toewijzen.
De verplichting om de (concepten van de) huurovereenkomst(en) in het geding te brengen (grief 7 en de voorwaardelijke vordering in het incident)
3.7.1.
Parking [XX] heeft met grief 7 aangevoerd dat Q-Park de (concepten van de) huurovereenkomst(en) in het geding moet brengen. Dat is ook de inzet van de voorwaardelijke vordering in het incident.
3.7.2.
Q-Park heeft de huurovereenkomst met EG PFE in het geding gebracht. Q-Park heeft geen concepten in het geding gebracht en daarover aangevoerd dat zij niet gehouden is conceptversies over te leggen, nog afgezien van de vraag of die er zijn. Daarop heeft Parking [XX] niet meer gesteld welk belang zij nog heeft bij het verstrekken van concepten, mochten die er zijn.
3.7.3.
Het hof is van oordeel dat aan de vordering tot het overleggen van de huurovereenkomst is voldaan en dat de vordering tot het overleggen van eventuele concepten moet worden afgewezen. Het hof zal de proceskosten in het incident compenseren.
De slotsom
3.8.1.
Het hof heeft in het voorgaande betrokken wat Parking [XX] heeft aangevoerd bij de rechtbank, voor zover dat voldoende kenbaar was voor het hof en voor Q-Park. Parking [XX] heeft in de memorie van grieven weliswaar aangevoerd dat alles wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, maar die opmerking is onvoldoende om daarmee rekening te houden.
De grieven 4 en 8 missen zelfstandige betekenis naast de hier al besproken grieven. Het hof is van oordeel dat deze grieven afdoende zijn besproken met het voorgaande.
3.8.2.
Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat de rechtbank de vorderingen van Parking [XX] terecht heeft afgewezen. Het hof acht de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van Parking [XX] evenmin toewijsbaar.
Het hof is van oordeel dat de vorderingen van Q-Park in reconventie terecht zijn toegewezen, behoudens de veroordeling in de wettelijke handelsrente. Op dat onderdeel zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de wettelijke rente toewijzen in plaats van de wettelijke handelsrente. Aangezien Parking [XX] ook dan nog als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd, zal het hof de proceskostenveroordeling in reconventie in stand laten.
3.8.3.
Parking [XX] heeft gevorderd dat het hof Q-Park veroordeelt tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van het vonnis te veel heeft betaald. Zij heeft aangevoerd dat partijen zijn overeengekomen dat de wettelijke handelsrente kon worden gefixeerd op € 106.859,72 en dat zij dit bedrag op 25 maart 2024 heeft voldaan. Dat is niet betwist door Q-Park, zodat dit bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 25 maart 2024.