Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-07
ECLI:NL:GHSHE:2025:1003
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
7,520 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:1003 text/xml public 2026-04-29T09:53:48 2025-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-04-07 200.349.383_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1003 text/html public 2026-04-29T09:53:14 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:1003 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 07-04-2025 / 200.349.383_01 Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing. Baby van 8 maanden meteen na de geboorte uithuisgeplaatst. Moeder met psychische problematiek, slikt nu medicatie en is op de goede weg. Contacten moeder en kind verlopen goed. Thuisplaatsing op dit moment zou te snel zijn. Meer tijd en stabiliteit nodig. GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 7 april 2025 Zaaknummer : 200.349.383/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/03/333963/ JE RK 24-1405 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. R.A. Remport Urban, tegen Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg , locatie [locatie] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Het hof merkt als belanghebbende aan: Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, regio Midden-Limburg , locatie: [locatie] , hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde instelling); In het kort: De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend ten behoeve van [minderjarige] (inmiddels 8 maanden oud) van 10 oktober 2024 tot 10 april 2025. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 27 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 december 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft en, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] alsnog af te wijzen. 2.2. Bij verweerschrift met één bijlage, ingekomen ter griffie op 20 februari 2025, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en het hoger beroep van de moeder af te wijzen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] . De GI is, met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: de brieven van de GI van 27 februari 2025, 10 maart 2025 en 27 maart 2025; het V-formulier van de advocaat van de moeder van 19 maart 2025; de V-formulieren met bijlagen van de advocaat van de moeder van 31 maart 2025 en 1 april 2025. 3 De beoordeling 3.1. Uit de moeder is geboren: - [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2024. De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [minderjarige] . 3.2. Bij beschikking van 10 juli 2024 heeft de kinderrechter de op dat moment nog ongeboren [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 10 juli 2024 tot 10 oktober 2024. Bij de bestreden beschikking is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitsproken met ingang van 10 oktober 2024 tot 10 oktober 2025. 3.3. Het hof begrijpt uit de inhoud van het dossier dat er op 22 juli 2024 uitvoering is gegeven aan een spoedmachtiging uithuisplaatsing die door de rechter op [geboortedatum] 2024 is verleend en dat de rechtbank bij beschikking van 26 juli 2024 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een aanbieder van zorg (ziekenhuis) dan wel in een voorziening voor pleegzorg tot 10 oktober 2024 heeft verleend. [minderjarige] verblijft op dit moment in een pleeggezin. 3.4. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, aan de GI een machtiging tot uithuisplaatsing verleend ten behoeve van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg van 10 oktober 2024 tot 10 april 2025. 3.5. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voert ze – samengevat – het volgende aan. De moeder heeft spijt van haar eigen aandeel in de uithuisplaatsing waarbij het overigens een misvatting is dat de moeder niet zou meewerken; dit lijkt zo omdat de moeder zich wat lastig uit. De moeder is tot het voortschrijdend inzicht gekomen dat zij duidelijker had moeten aangeven dat zij wel meewerkt. Er wordt een label gebruikt dat de moeder ‘niet voldoende stabiel’ zou zijn, maar dat is ze wel. De moeder is nooit gediagnosticeerd. [minderjarige] kan per direct bij de moeder worden thuisgeplaatst. De moeder staat open voor de hulpverlening en de GI mag altijd binnenkomen om te controleren hoe het met [minderjarige] en de moeder gaat. De moeder heeft al zeven jaar een eigen woning en zij heeft alle benodigdheden (o.a. ledikant, box en kast) voor [minderjarige] in huis. Verder wordt zij ondersteund door haar familie (o.a. ouders, tante) en haar vriend (de vader van [minderjarige] ). Vanaf medio januari 2025 heeft de moeder wekelijks contact met [minderjarige] . De omgang verloopt goed en wordt nog steeds verder uitgebreid in tijd: eerst 45 minuten, toen 60 minuten en nu 90 minuten per week. De moeder had al ervaring met kinderen en tot nu toe heeft [instantie] haar nog geen opvoedtips gegeven. De moeder stelt op respectvolle manier haar vragen en ze communiceert netjes. Ze staat in contact met de GI en werkt mee met praktische zaken. Deze positieve ontwikkeling is er sinds medio december 2024. Daarvoor maakte de moeder een zeer negatieve periode door wat er toe heeft geleid dat zij begin oktober 2024 tot eind november 2024 met een crisismaatregeling ingevolge de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg circa anderhalve maand opgenomen is geweest bij [instelling] . Deze opname is goed afgerond. De moeder heeft nog ambulante zorg en zij werkt toe naar EMDR-therapie om het trauma door de uithuisplaatsing te verwerken. De moeder wil met EMDR starten als [minderjarige] thuisgeplaatst wordt. De moeder staat nog onder behandeling van de psycholoog en de psychiater en heeft wekelijks gesprekken, als zij haar medicatie ophaalt. De moeder heeft bij de GI geïnformeerd naar de mogelijkheden van een plaatsing in een moeder-en-kind-huis. Dat is echter geen optie, omdat ze van de woningbouwvereniging haar huis niet een paar maanden leeg mag laten staan. Ze zou dan misschien haar woning verliezen. 3.6. De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Zonder afbreuk te willen doen aan de positieve ontwikkeling die de moeder heeft doorgemaakt, kan [minderjarige] op dit moment niet naar huis. Uit recente informatie van de GI blijkt dat de moeder inmiddels in contact staat met de GI en dat de begeleide omgang sinds januari 2025 is gestart. De moeder en [minderjarige] hebben wekelijks contact met elkaar. Er is nog altijd onduidelijkheid over de opvoedcapaciteiten en de mogelijkheden van de moeder om zelf te kunnen zorgen voor een zeer jong en daarmee kwetsbaar kind. Dit dient nog onderzocht te worden. Het maakt veel verschil als de moeder haar medicatie inneemt. Zij schetst zelf geen problemen, maar de huisarts heeft de raad andere informatie gegeven. [minderjarige] verblijft al vanaf zijn geboorte in het pleeggezin. Als de moeder klaar is om voor [minderjarige] te kunnen zorgen, moet hij stapsgewijs bij haar worden geplaatst en niet meteen volledig, ook om een veilig hechtingsproces van [minderjarige] niet te verstoren. De moeder moet stabiel blijven en het is aan de GI om met de moeder samen te kijken aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om terug te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige] .
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:1003 text/xml public 2026-04-29T09:53:48 2025-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-04-07 200.349.383_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1003 text/html public 2026-04-29T09:53:14 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:1003 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 07-04-2025 / 200.349.383_01 Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing. Baby van 8 maanden meteen na de geboorte uithuisgeplaatst. Moeder met psychische problematiek, slikt nu medicatie en is op de goede weg. Contacten moeder en kind verlopen goed. Thuisplaatsing op dit moment zou te snel zijn. Meer tijd en stabiliteit nodig. GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak : 7 april 2025 Zaaknummer : 200.349.383/01 Zaaknummer 1e aanleg : C/03/333963/ JE RK 24-1405 in de zaak in hoger beroep van: [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. R.A. Remport Urban, tegen Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg , locatie [locatie] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Het hof merkt als belanghebbende aan: Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, regio Midden-Limburg , locatie: [locatie] , hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde instelling); In het kort: De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend ten behoeve van [minderjarige] (inmiddels 8 maanden oud) van 10 oktober 2024 tot 10 april 2025. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 27 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 december 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft en, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] alsnog af te wijzen. 2.2. Bij verweerschrift met één bijlage, ingekomen ter griffie op 20 februari 2025, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en het hoger beroep van de moeder af te wijzen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 april 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] . De GI is, met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: de brieven van de GI van 27 februari 2025, 10 maart 2025 en 27 maart 2025; het V-formulier van de advocaat van de moeder van 19 maart 2025; de V-formulieren met bijlagen van de advocaat van de moeder van 31 maart 2025 en 1 april 2025. 3 De beoordeling 3.1. Uit de moeder is geboren: - [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2024. De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [minderjarige] . 3.2. Bij beschikking van 10 juli 2024 heeft de kinderrechter de op dat moment nog ongeboren [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 10 juli 2024 tot 10 oktober 2024. Bij de bestreden beschikking is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitsproken met ingang van 10 oktober 2024 tot 10 oktober 2025. 3.3. Het hof begrijpt uit de inhoud van het dossier dat er op 22 juli 2024 uitvoering is gegeven aan een spoedmachtiging uithuisplaatsing die door de rechter op [geboortedatum] 2024 is verleend en dat de rechtbank bij beschikking van 26 juli 2024 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een aanbieder van zorg (ziekenhuis) dan wel in een voorziening voor pleegzorg tot 10 oktober 2024 heeft verleend. [minderjarige] verblijft op dit moment in een pleeggezin. 3.4. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, aan de GI een machtiging tot uithuisplaatsing verleend ten behoeve van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg van 10 oktober 2024 tot 10 april 2025. 3.5. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voert ze – samengevat – het volgende aan. De moeder heeft spijt van haar eigen aandeel in de uithuisplaatsing waarbij het overigens een misvatting is dat de moeder niet zou meewerken; dit lijkt zo omdat de moeder zich wat lastig uit. De moeder is tot het voortschrijdend inzicht gekomen dat zij duidelijker had moeten aangeven dat zij wel meewerkt. Er wordt een label gebruikt dat de moeder ‘niet voldoende stabiel’ zou zijn, maar dat is ze wel. De moeder is nooit gediagnosticeerd. [minderjarige] kan per direct bij de moeder worden thuisgeplaatst. De moeder staat open voor de hulpverlening en de GI mag altijd binnenkomen om te controleren hoe het met [minderjarige] en de moeder gaat. De moeder heeft al zeven jaar een eigen woning en zij heeft alle benodigdheden (o.a. ledikant, box en kast) voor [minderjarige] in huis. Verder wordt zij ondersteund door haar familie (o.a. ouders, tante) en haar vriend (de vader van [minderjarige] ). Vanaf medio januari 2025 heeft de moeder wekelijks contact met [minderjarige] . De omgang verloopt goed en wordt nog steeds verder uitgebreid in tijd: eerst 45 minuten, toen 60 minuten en nu 90 minuten per week. De moeder had al ervaring met kinderen en tot nu toe heeft [instantie] haar nog geen opvoedtips gegeven. De moeder stelt op respectvolle manier haar vragen en ze communiceert netjes. Ze staat in contact met de GI en werkt mee met praktische zaken. Deze positieve ontwikkeling is er sinds medio december 2024. Daarvoor maakte de moeder een zeer negatieve periode door wat er toe heeft geleid dat zij begin oktober 2024 tot eind november 2024 met een crisismaatregeling ingevolge de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg circa anderhalve maand opgenomen is geweest bij [instelling] . Deze opname is goed afgerond. De moeder heeft nog ambulante zorg en zij werkt toe naar EMDR-therapie om het trauma door de uithuisplaatsing te verwerken. De moeder wil met EMDR starten als [minderjarige] thuisgeplaatst wordt. De moeder staat nog onder behandeling van de psycholoog en de psychiater en heeft wekelijks gesprekken, als zij haar medicatie ophaalt. De moeder heeft bij de GI geïnformeerd naar de mogelijkheden van een plaatsing in een moeder-en-kind-huis. Dat is echter geen optie, omdat ze van de woningbouwvereniging haar huis niet een paar maanden leeg mag laten staan. Ze zou dan misschien haar woning verliezen. 3.6. De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. Zonder afbreuk te willen doen aan de positieve ontwikkeling die de moeder heeft doorgemaakt, kan [minderjarige] op dit moment niet naar huis. Uit recente informatie van de GI blijkt dat de moeder inmiddels in contact staat met de GI en dat de begeleide omgang sinds januari 2025 is gestart. De moeder en [minderjarige] hebben wekelijks contact met elkaar. Er is nog altijd onduidelijkheid over de opvoedcapaciteiten en de mogelijkheden van de moeder om zelf te kunnen zorgen voor een zeer jong en daarmee kwetsbaar kind. Dit dient nog onderzocht te worden. Het maakt veel verschil als de moeder haar medicatie inneemt. Zij schetst zelf geen problemen, maar de huisarts heeft de raad andere informatie gegeven. [minderjarige] verblijft al vanaf zijn geboorte in het pleeggezin. Als de moeder klaar is om voor [minderjarige] te kunnen zorgen, moet hij stapsgewijs bij haar worden geplaatst en niet meteen volledig, ook om een veilig hechtingsproces van [minderjarige] niet te verstoren. De moeder moet stabiel blijven en het is aan de GI om met de moeder samen te kijken aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om terug te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige] .
Volledig
Het is te snel, en daarmee onverantwoord, om de thuisplaatsing te realiseren vóór 10 april 2025. Hiervoor is meer stabiliteit nodig. Opname in een moeder-en-kind-huis zou niet voor een paar maanden zijn. Het is gebruikelijk dat een dergelijke opname ongeveer een week duurt. 3.7. Het standpunt van de GI, zoals blijkt uit de brief, luidt als volgt. Het is momenteel niet mogelijk dat [minderjarige] bij de moeder woont. Er bestaat nog steeds onduidelijkheid over haar psychische gesteldheid, haar opvoedcapaciteiten en mogelijkheden. Gezien zijn jonge leeftijd is [minderjarige] zeer kwetsbaar, er dient eerst duidelijkheid te komen of de veiligheid en gezondheid van [minderjarige] bij een eventuele thuisplaatsing gewaarborgd is. Tot december 2024 is het de GI niet gelukt om een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] te realiseren, omdat het niet lukte om met de moeder in gesprek te komen over het maken van (veiligheids-)afspraken. De moeder is in oktober 2024 enkele weken opgenomen geweest bij [instelling] op basis van een crisismaatregel. Sinds deze opname gebruikt de moeder weer medicatie, is zij beter in contact met de GI en komt zij naar de geplande gesprekken. Er is pas recent (vanaf 13 januari 2025) wekelijkse begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige] . In februari 2025 is overeengekomen dat de begeleide omgang wordt uitgebreid: eerst naar 3 x 1 uur per week en aansluitend 3 x 1,5 uur per week. Dit zodat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt over de opvoedcapaciteiten van de moeder en daarmee over het perspectief van [minderjarige] . De GI heeft inmiddels een verzoek gedaan tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof overweegt het volgende. 3.8.1. In hoger beroep is alleen de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aan de orde. 3.8.2. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek/verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 3.8.3. Uit het raadsrapport van 20 augustus 2024 blijkt dat er al jarenlang ernstige zorgen zijn over de psychische gesteldheid van de moeder. Meerdere malen is de moeder in een psychose terecht gekomen en moest zij gedwongen opgenomen worden waarbij ook depotmedicatie is ingezet. Rond en na de geboorte van [minderjarige] maakte de moeder tijdens meerdere gesprekken een zeer achterdochtige, onsamenhangende, onvoorspelbare en warrige indruk. De zorgen over de geestelijke toestand van de moeder en de daarmee gepaarde risico’s voor [minderjarige] veiligheid waren groot, zeker omdat de moeder de zorgen – toen – niet erkende en niet bereid leek de nodig geachte intensieve hulpverlening langdurig te accepteren. Zonder de machtiging tot uithuisplaatsing zou de moeder op zichzelf aangewezen geweest zijn om de zorg voor [minderjarige] in goede banen te leiden. De moeder kon dat op dat moment niet waarmaken, alleen al niet omdat zij van begin oktober 2024 tot eind november 2024 opgenomen is geweest in [instelling] . Op dat moment was zij, zowel fysiek als psychisch, niet in staat om voor [minderjarige] te zorgen. Dit maakt dat de onderhavige machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 10 oktober 2024 terecht is verleend. 3.8.4. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de machtiging moet worden verleend voor de volledige verzochte duur: tot 10 april 2025. [minderjarige] is nog een jonge baby en is volledig afhankelijk van zijn dagelijkse verzorgers/opvoeders. Gezien de grote kwetsbaarheid van een kind in de leeftijd van [minderjarige] en de problematiek waarmee de moeder kampt, is hulpverlening noodzakelijk. De moeder beseft dat inmiddels ook. De opname in [instelling] heeft haar goed gedaan en sinds ze trouw is in haar medicatiegebruik heeft de moeder op meerdere gebieden een aanzienlijke positieve ontwikkeling doorgemaakt. Ze is stabieler, werkt mee met de hulpverlening en is trouw in het nakomen van de bezoekregeling met [minderjarige] . Uit de verslagen van [instantie] blijkt dat de moeder op een verantwoorde manier invulling geeft aan de contactmomenten met [minderjarige] . Ze maakt goed contact met hem, heeft oog voor zijn lichamelijke verzorging, troost en stimuleert hem en denkt op een positieve manier mee over wat [minderjarige] nodig heeft. Verder gaat ze zorgvuldig en liefdevol met [minderjarige] om en ze sluit aan bij wat hij nodig heeft. Hieruit blijkt dat de moeder tijdens het wekelijkse afgebakende korte begeleide contactmoment goed kan aansluiten bij [minderjarige] en de mogelijkheden in zich heeft om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Dit betekent echter nog niet dat de moeder meteen gedurende 7 dagen per week 24 uur per dag voor [minderjarige] kan zorgen. De positieve ontwikkeling heeft zich ingezet sinds medio december 2024 en dat is nog vrij pril. De moeder dient eerst voor een langere tijd stabiel blijven, zodat de GI een volledig beeld kan krijgen van haar mogelijkheden om zelf voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Verder moet een thuisplaatsing – indien de GI daartoe kan overgaan – gefaseerd worden uitgevoerd, zorgvuldig worden voorbereid en moet in kaart zijn gebracht welke hulpverlening thuis nodig en beschikbaar is vanaf de terugkeer van [minderjarige] zodat de thuisplaatsing duurzaam en bestendig zal zijn. Om dat doel te bereiken verwacht het hof van de GI wel dat in de tussentijd zo spoedig mogelijk de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] verder worden uitgebreid in duur en frequentie, zodat de GI een goed beeld krijgt van de mogelijkheden van de moeder en [minderjarige] zich ook meer kan gaan hechten aan de moeder. Dit alles maakt dat [minderjarige] in ieder geval niet vóór 10 april aanstaande naar huis kan. Tot slot geeft het hof de GI mee om met de moeder (en wellicht in overleg met de woningbouwvereniging) te onderzoeken of een kortdurende plaatsing van de moeder en [minderjarige] in een moeder-en-kind-huis tot de mogelijkheden behoort. 3.8.5. Beslist wordt als volgt. 4 De beslissing Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.D.M. van der Linden en is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
Het is te snel, en daarmee onverantwoord, om de thuisplaatsing te realiseren vóór 10 april 2025. Hiervoor is meer stabiliteit nodig. Opname in een moeder-en-kind-huis zou niet voor een paar maanden zijn. Het is gebruikelijk dat een dergelijke opname ongeveer een week duurt. 3.7. Het standpunt van de GI, zoals blijkt uit de brief, luidt als volgt. Het is momenteel niet mogelijk dat [minderjarige] bij de moeder woont. Er bestaat nog steeds onduidelijkheid over haar psychische gesteldheid, haar opvoedcapaciteiten en mogelijkheden. Gezien zijn jonge leeftijd is [minderjarige] zeer kwetsbaar, er dient eerst duidelijkheid te komen of de veiligheid en gezondheid van [minderjarige] bij een eventuele thuisplaatsing gewaarborgd is. Tot december 2024 is het de GI niet gelukt om een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] te realiseren, omdat het niet lukte om met de moeder in gesprek te komen over het maken van (veiligheids-)afspraken. De moeder is in oktober 2024 enkele weken opgenomen geweest bij [instelling] op basis van een crisismaatregel. Sinds deze opname gebruikt de moeder weer medicatie, is zij beter in contact met de GI en komt zij naar de geplande gesprekken. Er is pas recent (vanaf 13 januari 2025) wekelijkse begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige] . In februari 2025 is overeengekomen dat de begeleide omgang wordt uitgebreid: eerst naar 3 x 1 uur per week en aansluitend 3 x 1,5 uur per week. Dit zodat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt over de opvoedcapaciteiten van de moeder en daarmee over het perspectief van [minderjarige] . De GI heeft inmiddels een verzoek gedaan tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof overweegt het volgende. 3.8.1. In hoger beroep is alleen de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aan de orde. 3.8.2. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek/verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 3.8.3. Uit het raadsrapport van 20 augustus 2024 blijkt dat er al jarenlang ernstige zorgen zijn over de psychische gesteldheid van de moeder. Meerdere malen is de moeder in een psychose terecht gekomen en moest zij gedwongen opgenomen worden waarbij ook depotmedicatie is ingezet. Rond en na de geboorte van [minderjarige] maakte de moeder tijdens meerdere gesprekken een zeer achterdochtige, onsamenhangende, onvoorspelbare en warrige indruk. De zorgen over de geestelijke toestand van de moeder en de daarmee gepaarde risico’s voor [minderjarige] veiligheid waren groot, zeker omdat de moeder de zorgen – toen – niet erkende en niet bereid leek de nodig geachte intensieve hulpverlening langdurig te accepteren. Zonder de machtiging tot uithuisplaatsing zou de moeder op zichzelf aangewezen geweest zijn om de zorg voor [minderjarige] in goede banen te leiden. De moeder kon dat op dat moment niet waarmaken, alleen al niet omdat zij van begin oktober 2024 tot eind november 2024 opgenomen is geweest in [instelling] . Op dat moment was zij, zowel fysiek als psychisch, niet in staat om voor [minderjarige] te zorgen. Dit maakt dat de onderhavige machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 10 oktober 2024 terecht is verleend. 3.8.4. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de machtiging moet worden verleend voor de volledige verzochte duur: tot 10 april 2025. [minderjarige] is nog een jonge baby en is volledig afhankelijk van zijn dagelijkse verzorgers/opvoeders. Gezien de grote kwetsbaarheid van een kind in de leeftijd van [minderjarige] en de problematiek waarmee de moeder kampt, is hulpverlening noodzakelijk. De moeder beseft dat inmiddels ook. De opname in [instelling] heeft haar goed gedaan en sinds ze trouw is in haar medicatiegebruik heeft de moeder op meerdere gebieden een aanzienlijke positieve ontwikkeling doorgemaakt. Ze is stabieler, werkt mee met de hulpverlening en is trouw in het nakomen van de bezoekregeling met [minderjarige] . Uit de verslagen van [instantie] blijkt dat de moeder op een verantwoorde manier invulling geeft aan de contactmomenten met [minderjarige] . Ze maakt goed contact met hem, heeft oog voor zijn lichamelijke verzorging, troost en stimuleert hem en denkt op een positieve manier mee over wat [minderjarige] nodig heeft. Verder gaat ze zorgvuldig en liefdevol met [minderjarige] om en ze sluit aan bij wat hij nodig heeft. Hieruit blijkt dat de moeder tijdens het wekelijkse afgebakende korte begeleide contactmoment goed kan aansluiten bij [minderjarige] en de mogelijkheden in zich heeft om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Dit betekent echter nog niet dat de moeder meteen gedurende 7 dagen per week 24 uur per dag voor [minderjarige] kan zorgen. De positieve ontwikkeling heeft zich ingezet sinds medio december 2024 en dat is nog vrij pril. De moeder dient eerst voor een langere tijd stabiel blijven, zodat de GI een volledig beeld kan krijgen van haar mogelijkheden om zelf voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Verder moet een thuisplaatsing – indien de GI daartoe kan overgaan – gefaseerd worden uitgevoerd, zorgvuldig worden voorbereid en moet in kaart zijn gebracht welke hulpverlening thuis nodig en beschikbaar is vanaf de terugkeer van [minderjarige] zodat de thuisplaatsing duurzaam en bestendig zal zijn. Om dat doel te bereiken verwacht het hof van de GI wel dat in de tussentijd zo spoedig mogelijk de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] verder worden uitgebreid in duur en frequentie, zodat de GI een goed beeld krijgt van de mogelijkheden van de moeder en [minderjarige] zich ook meer kan gaan hechten aan de moeder. Dit alles maakt dat [minderjarige] in ieder geval niet vóór 10 april aanstaande naar huis kan. Tot slot geeft het hof de GI mee om met de moeder (en wellicht in overleg met de woningbouwvereniging) te onderzoeken of een kortdurende plaatsing van de moeder en [minderjarige] in een moeder-en-kind-huis tot de mogelijkheden behoort. 3.8.5. Beslist wordt als volgt. 4 De beslissing Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.D.M. van der Linden en is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.