Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-07-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:4316
Strafrecht
Hoger beroep
12,215 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2024:4316 text/xml public 2026-05-18T14:35:48 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2024-07-05 20-001365-23 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4316 text/html public 2026-05-18T14:31:29 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2024:4316 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 05-07-2024 / 20-001365-23 Poging tot doodslag. Parketnummer : 20-001365-23 Uitspraak : 5 juli 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 1 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-250922-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] , thans verblijvende in P.I. [PI] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘poging tot doodslag’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 13.795,00 (bestaande uit € 1.295,00 aan materiële schade en € 12.500 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de meergevorderde materiële schadevergoeding is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft de meergevorderde immateriële schadevergoeding afgewezen. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Ten slotte heeft de verdediging een standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] . Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met de kwalificatiebeslissing van de rechtbank en de opgelegde straf. Het hof komt echter tot een andere beoordeling van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel. Het beroepen vonnis zal daarom omwille van de leesbaarheid integraal worden vernietigd. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair hij op of omstreeks 30 september 2022 te Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik, althans in het bovenlichaam, van die [benadeelde partij] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op of omstreeks 30 september 2022 in de gemeente Heerlen aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een geperforeerde darm en/of een open buikwond, heeft toegebracht door die [benadeelde partij] meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp in de buik, althans in het bovenlichaam, te steken; meer subsidiair hij op of omstreeks 30 september 2022 in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik, althans in het bovenlichaam, van die [benadeelde partij] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 30 september 2022 te Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes in het lichaam van die [benadeelde partij] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen 1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2022 (p. 13-14), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant I] : Op 30 september 2022 omstreeks 23:30 uur sloeg ik rechtsaf de [straat 1] te Heerlen op. Toen ik bij het slachtoffer ( het hof begrijpt: [benadeelde partij] ) kwam, vroeg ik hem wat er gebeurd was. Ik hoorde dat het slachtoffer kennelijk van de pijn aan het kermen was en ik hoorde dat hij zei dat hij neergestoken was. Ik vroeg het slachtoffer waar hij neergestoken was en daarop hoorde ik dat hij zei dat hij in zijn buik gestoken was. Ik zag ook meteen dat dit T-shirt aan de borstzijde bebloed was. Ik zag toen dat het slachtoffer twee steekwonden op zijn romp had. Zoals ik zag, bevond een steekwond aan de linkerzijde van de romp. Dit was ongeveer iets onder de hartstreek. Verder zag ik dat een tweede steekwond aan de rechterzijde van zijn romp zat. Deze zat iets lager en zat ter hoogte van zijn darmen/buik. Ik zag ook dat er uit deze wond wat lichaamsweefsel naar buiten kwam. Ik vroeg het slachtoffer door wie hij neergestoken was en waar dit gebeurd was. Daarop hoorde ik dat het slachtoffer zei dat hij door een zekere [bijnaam] (fonetisch) neergestoken was en dat dit een Marokkaanse jongen was. Daarnaar gevraagd, vertelde hij verder dat deze persoon gekleed was in zwarte kleding, smal van postuur was. Ongeveer [leeftijd 1] was en van Marokkaanse afkomst was. Het slachtoffer deelde tevens mede dat hij het telefoonnummer van de dader in zijn telefoon had staan en dat deze gsm van het merk Iphone was en roze van kleur was. 2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2022 (p. 15-16), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant II] en [verbalisant III] : Op 30 september 2022 waren wij, verbalisanten [verbalisant II] en [verbalisant III] , doende met de incidenten-afhandeling in de omgeving Parkstad. Omstreeks 23.30 uur kwam er een melding binnen dat een persoon was neergestoken en dat diegene op de [straat 1] lag. Omstreeks 23.45 uur gingen wij, verbalisanten, met het slachtoffer naar het ziekenhuis. Het slachtoffer bleek te zijn: [benadeelde partij] . In het ziekenhuis verklaarde het slachtoffer het volgende: Ik was met een vriend bij de MC Donalds in Heerlen bij de [locatie 7] . Ik liet deze vriend achter bij de MC Donalds . Ik werd vervolgens gelokt door een maat van mij. Hij zei tegen mij dat hij nieuwe wiet had en hij wilde dit samen gaan roken. Hij nam mij mee naar een donkere plek. Hij zei tegen mij je moet mij betalen. Ik dacht dat het een grapje was. Toen heeft hij mij twee keer gestoken. Ik heb hem proberen vast te pakken, vervolgens ben ik weggerend. Ik ben weggerend richting de plek waar jullie mij gevonden hebben. Ter hoogte van de [straat 1] , ging ik op de grond liggen in verband met de pijn. De man die mij heeft neergestoken kan ik als volgt omschrijven: man, Marokkaans uiterlijk, zwarte kleding. Hij heeft dezelfde naam als mij, echter spel je dit met een E, dus ‘ [bijnaam] ’. Mijn telefoon heb ik achtergelaten bij een andere vriend van mij om op te laden. Deze vriend woont naast restaurant [restaurant] op een studentenkamer. Als je daar twee trappen omhoog gaat is het meteen de deur aan de linkerkant. Mijn telefoon is een roze IPhone 8. 3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 2 oktober 2022 (p. 17-19), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde partij] : Ik doe aangifte van poging doodslag en zware mishandeling gepleegd op 30 september 2022 in Heerlen.
Volledig
De dader van de steekpartij ken ik met de naam [bijnaam] . Dat is zijn voornaam. Voor de MacDonalds troffen wij die [bijnaam] en zijn vervolgens met z'n vieren richting de Zeeman gelopen. Daar zagen wij een groepje jongens staan die ik ook kende. Bij de MacDonalds had [bijnaam] tegen mij en de jongens gezegd dat hij goede wiet had, maar [bijnaam] had de wiet niet bij zich en moest die nog gaan ophalen. Ik ben met [bijnaam] meegegaan om die wiet op te halen. Wij gingen eerst naar de oude kamer van [bijnaam] . Die kamer is in [locatie 5] . Opmerking verbalisanten: Via Google maps wijst de aangever de locatie aan waar de kamer van [bijnaam] zich zou bevinden. De aangever wijst het adres [locatie 5] . [bijnaam] is het gebouw binnen gegaan en ik moest buiten blijven wachten. Toen hij weer naar buiten kwam zei hij dat de jongen die hij hebben moesten er niet was, maar dat hij in een flatje zou zijn in de buurt. Wij zijn toen samen daarnaartoe gelopen. Tegenover de kerk bij een flat met een parkeerplaats werd ik gestoken door [bijnaam] . Opmerking verbalisanten: De aangever gaf via Google Maps de locatie aan waar hij werd gestoken. Dit bleek de locatie [straat 2] Heerlen ter hoogte van perceel [huisnummer] te zijn. Dit betreft een kleine parkeerplaats achter een leegstaand kantoorgebouw. Wij liepen richting de parkeerplaats en [bijnaam] zei dat hij daar de wiet bij een jongen moest gaan halen. Daar aangekomen zei [bijnaam] dat ik hem moest betalen. Ik moest alles geven wat in mijn zakken zat. Normaal heb ik wat meer cash bij mij en [bijnaam] heeft dat wel eens gezien. Ik zei tegen hem: "Ik heb niets bij me, je bent gek geworden!" [bijnaam] zei dat ik toch moest betalen en trok toen het mes. Hij zei dat het hem niks uitmaakte en dat ik moest betalen. [bijnaam] stak meteen in het midden van mijn buik en vervolgens in mijn linker zij. Ik wist dat ik gestoken was en pakte zijn hand met het mes vast. Het was een soort schilmes met een groet-wit handvat. Ik wilde niet nog een keer gestoken worden en was bang dat hij mij dood wilde steken. Ik zag dat [bijnaam] het mes van zijn rechter in zijn linkerhand wilde pakken. Ik kon mij niet meer veilig houden en wilde weg. De pijn in mijn buik werd steeds erger en ik duwde [bijnaam] van mij af. Ik ken [bijnaam] via-via, maar ken hem verder niet zo goed. Ik zie hem wel eens in een groep buiten.Wij hebben wel telefoonnummers uitgewisseld. Ik weet ook dat hij bij [bedrijf] gewerkt heeft. Een ex-vriendin van mij heeft daar met hem samengewerkt. Mijn ex-vriendin is [ex-vriendin] . Op dit moment lig ik op de ic-afdeling van het [ziekenhuis] . Ik ben meteen geopereerd. Mijn darm was geraakt en kwam uit de wond in mijn buik. Ik heb op dit moment veel pijn in mijn buik bij de minste inspanning die ik doe. Ik krijg nu morfine tegen de pijn. 4. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring (als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van de politie, Districtsrecherche Parkstad-Limburg met proces-verbaalnummer LB2R022085-18/onderzoek [onderzoek] , d.d. 2 februari 2023), opgemaakt door [assistent] , assistent SEH en drs. [arts] , voor zover inhoudende: De heer [benadeelde partij] . Bovengenoemde patiënt zagen wij 01.10.2022 op de Spoedeisende Hulp. Anamnese In een aanval 2x gestoken, 1x in de linker thoraxhelft ( het hof begrijpt: linker borsthelft ) en 1x in het abdomen ( het hof begrijpt: buik ). 5. Een geschrift, te weten een operatieverslag (als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal van bevindingen van de politie, Districtsrecherche Parkstad-Limburg met proces-verbaalnummer LB2R022085-18/onderzoek [onderzoek] , d.d. 2 februari 2023), voor zover inhoudende: [benadeelde partij] Verrichtingen verhechten darmperforatie, open procedu OK verslag Indicatie: steekverwondingen 1. laag-thoracaal / bovenbuik links en 2. bovenbuik rechts. Conclusie: steekverwondingen abdomen waarvoor traumalaparotomie met opheffen evisceratie omentum en colon transversum, en sluiten proximale jejunumperforatie. 6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2022 (p. 53-54), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant IV] : Op 30 september 2022 vond er op de [straat 2] te Heerlen een steekpartij plaats. Het slachtoffer [benadeelde partij] gaf te kennen dat het telefoonnummer van de verdachte welke hij kent als “ [bijnaam] ” in zijn telefoon zou staan. [benadeelde partij] gaf te kennen dat zijn telefoon zou liggen bij een vriend welke woonachtig is boven restaurant [restaurant] in Heerlen. Uit onderzoek is gebleken dat het adres van de desbetreffende woning gelegen is aan de [locatie 6] te Heerlen . In de woning werd de mobiele telefoon aangetroffen en aan het onderzoeksteam overhandigd. [benadeelde partij] gaf tijdens het opnemen van de aangifte de toegangscode van zijn mobiele telefoon. In het toestel werd onderstaande contact aangetroffen. [contact] Geen enkele ander contact voldoet aan de zoekcriteria ‘ [bijnaam] ’/ ‘ [bijnaam] ’ of iets gelijkend hierop. 7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg d.d. 17 april 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: U, voorzitter, houdt mij voor dat er een telefoon van [benadeelde partij] in beslag is genomen in een woning boven restaurant [restaurant] in Heerlen, waarin, volgens [benadeelde partij] , het telefoonnummer van de steker zou staan. Dat nummer wat gevonden is ( het hof begrijpt: [telefoonnummer] ) is inderdaad mijn telefoonnummer. Ik gebruik dat nummer. 8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2022 (p. 55-56), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant V] en [verbalisant VI] : Naar aanleiding van de aangifte van [benadeelde partij] , gingen wij op 1 oktober 2022 naar de [adres 12] , 6463KB te Kerkrade . Aldaar zou de ex-vriendin [ex-vriendin] van aangever woonachtig zijn. Aangever had bij verbalisanten aangegeven, dat [ex-vriendin] met de persoon, die aangever neergestoken had, heeft samengewerkt bij [bedrijf] te [plaats] . In gesprek met [ex-vriendin] verklaarde zij met ene ‘ [bijnaam] ’ (FON) zes maanden geleden te hebben samengewerkt bij [bedrijf] te [plaats] . [ex-vriendin] gaf aan dat deze ‘ [bijnaam] ’ in de afwas werkte. [ex-vriendin] omschreef ‘ [bijnaam] ’ als volgt: Ongeveer even groot als ik ben, 1.70 meter ongeveer Typisch Marokkaans kapsel Licht getint [leeftijd 2] Wij zijn naar [bedrijf] te [plaats] gereden. Aldaar hebben wij, [verbalisant V] en [verbalisant VI] , de vestigingsmanager, de heer Pascal [medewerker] , de historische, identificerende en andere, niet gevoelige gegevens, van het personeelsbestand gevorderd van de afgelopen zes maanden die werkzaam waren in de afwaskeuken. [medewerker] verstrekte ons, [verbalisant V] en [verbalisant VI] , de volgende persoonsgegevens: [gegevens] Naar aanleiding van deze informatie raadpleegde het onderzoeksteam de politiesystemen en kwam de volgende persoon naar voren: [verdachte] , Geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko) , wonende te [adres 13] . 9 . Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2022 (p. 89-100), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant VII] : Door mij, verbalisant [verbalisant VII] , zijn de camerabeelden van de Centrale Toezicht Ruimte Heerlen nader bekeken. Op 30 september 2022: Omstreeks 22:55 uur komt verdachte in beeld, op camera-22/ [plein] , van de centrale toezicht ruimte. Ik zag dat verdachte uit de richting van de [straat 2] te Heerlen komt gelopen. Verdachte loopt vervolgens de promenade op richting de [locatie 7] . Ik, verbalisant, zag dat verdachte een zwarte broek droeg en een blauwe jas en een zwarte capuchon. Omstreeks 23:56.25 uur komt verdachte in beeld, op camera- 27/ [adres 9] . Verdachte komt uit de richting van het [adres 8] en loopt over de [adres 10] in de richting van de [locatie 4] . Ik, verbalisant, zag dat de verdachte een blauwkleurig jas droeg. Ik zag dat de jas voorzien was van een wit-kleurige opdruk ter hoogte van de linkerborst. Omstreeks 23:01:29 uur komt verdachte in beeld op camera-69/ [locatie 4] [adres 11] . Ik zag dat verdachte hier contact maakt met twee andere jongens.
Volledig
Ik zag dat de een van de jongen gekleed was in een grijze broek met camouflage jas. Dit blijkt het slachtoffer, [benadeelde partij] , te zijn. Omstreeks 23:02:10 uur komen verdachte en slachtoffer in beeld op camera-50/ [locatie 4] [winkel 2] . Ik zag dat beide personen met een onbekend derde persoon, samen over de [locatie 4] liepen in de richting van de [adres 10] . Omstreeks 23:05.50 uur komen verdachte en slachtoffer in beeld op camera- 27/ [adres 9] . Ik zag dat hier een groep van negen personen op de [adres 10] bij een bankje stonden. Ik zag dat men in de groep ruzie kreeg. Op dat moment kwamen verdachte en slachtoffer in beeld van de genoemde camera en zag dat beide personen zich vervoegden bij de groep. - Omstreeks 23:09:33 staan het slachtoffer en verdachte nog steeds bij de groep. Ik zag dat de verdachte nog steeds dezelfde blauwe jas droeg. Ik zag dat de blauwe jas ook voorzien was van een blauwe capuchon. Ik zag dat er rechtsachter, ter hoogte van zijn schouder, een wit opschrift had staan. Ik zag dat het slachtoffer de ballon aan zijn mond zette. Ik zag dat de verdachte hierop reageerde met een gebaar, dat hij de betreffende ballon wilde hebben. Dit weigerde het slachtoffer, waarna verdachte hem vast pakte en richting het [adres 9] wees. Vervolgens laat de verdachte los en gooit het slachtoffer zijn arm om de verdachte heen en liep met hem naar de fles. Aansluitend zie ik dat verdachte ( het hof begrijpt: slachtoffer ) weer weg loopt en de verdachte achter hem aan loopt. Tevens zag ik dat de blauwe jas van de verdachte voorzien was van een cap Omstreeks 23:11.56 uur zag ik dat verdachte en het slachtoffer samen wegliepen in de richting van het [adres 9] en rechtsaf gingen in de richting van de [locatie 3] . Omstreeks 23:12 uur zag ik dat verdachte en slachtoffer nog steeds samen over het [adres 9] liepen in de richting van de [locatie 3] / [adres 7] te Heerlen. Op 1 oktober 2022 omstreeks 18:29 uur is verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1999 aangehouden. Tijdens zijn aanhouding droeg verdachte, zwarte schoenen, een zwarte broek en een blauwe jas met een wit opschrift aan de linkerborst en aan de achterzijde wit opschrift ter hoogte van de schouder. Dit komt overeen met de opschriften die te zien zijn in afbeelding 4 en afbeelding 9 van dit proces-verbaal. Tevens is de blauwe jas van verdachte voorzien van een capuchon die weer overeenkomt met de afbeelding 9 en 10 van dit proces-verbaal. Het postuur van de verdachte op de camerabeelden is smal en het postuur van de aangehouden verdachte komt overeen met die van de camerabeelden. De aangehouden verdachte is [leeftijd 1] en komt ook weer overeen met de persoon op de camerabeelden. 10. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 21 juni 2024, voor zover inhoudende: Ik ben op de camerabeelden te zien. Ik droeg een zwarte broek, een blauwe jas en een zwarte capuchon. De jas had een wit opschrift met de tekst ‘North Face’. Het klopt dat ik op 30 september 2022, omstreeks 23:12 uur, samen met [benadeelde partij] in de richting van de [locatie 3] / [adres 7] te Heerlen liep. Bewijsoverwegingen Algemene overweging De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Standpunt van de verdediging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging, op de gronden zoals opgenomen in de overgelegde pleitnota, primair bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is, kort samengevat, naar voren gebracht dat de verklaring van aangever [benadeelde partij] de enig bron betreft voor de stelling dat het de verdachte zou zijn geweest die [benadeelde partij] met een mes zou hebben gestoken. Bovendien heeft [benadeelde partij] ten overstaan van de raadsheer-commissaris een andersluidende verklaring afgelegd dan bij de politie en bevatten zijn verklaringen geen onderscheidende elementen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat zijn verklaringen betrouwbaar zijn. [benadeelde partij] had op 30 september 2022 voorts ook nog lachgas gebruikt. De verklaringen van [benadeelde partij] kunnen derhalve niet voor het bewijs worden gebezigd, zeker niet wanneer er voor die verklaringen geen steun in andere bronnen is te vinden. Op 12 december 2023 heeft de verdachte een uitgebreide verklaring afgelegd over hetgeen op 30 september 2022 zou hebben plaatsgehad. Hij heeft verklaard dat een dealer, [naam] , [benadeelde partij] met een mes heeft gestoken. Dat het nadere onderzoek door de politie naar [naam] geen resultaat heeft opgeleverd, impliceert niet dat er geen dealer is met een dergelijke bijnaam. De politie heeft bijvoorbeeld niet gezocht op de naam ‘ [naam] ’, ‘ [naam] ’, of deze naam beginnend met een ‘D’ geschreven. Op basis van de inhoud van het dossier kan dan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte [benadeelde partij] op 30 september 2022 met een mes heeft gestoken. De verdediging heeft subsidiair bepleit dat de verdachte van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken. In dit verband is, kort samengevat, aangevoerd dat uit het dossier weliswaar blijkt dat sprake is van een steekwond, maar niet hoe lang of hoe diep die wond is. Volgens [benadeelde partij] zou hij zijn gestoken met een groen-wit schilmes. Het lemmet van een dergelijk mesje zal maximaal zes centimeter lang zijn. Uit het enkele feit dat de darmwand is geraakt, kan ook niet de diepte van de wond worden afgeleid. Gelet op de summiere informatie in het dossier kan niet worden vastgesteld dat sprake is van opzet op de dood, nu niet kan worden geconcludeerd dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond en evenmin dat die kans is aanvaard. Oordeel van het hof Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof, anders dan de verdediging, geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van hetgeen aangever [benadeelde partij] heeft verklaard. De verklaringen van [benadeelde partij] tonen naar het oordeel van het hof op ondergeschikte onderdelen discrepanties, maar dit maakt de inhoud van die verklaringen in totaliteit bezien niet onbetrouwbaar of onjuist. In dit verband heeft het hof in aanmerking genomen dat [benadeelde partij] verklaringen, direct na het steekincident afgelegd, in de kern eensluidend zijn. Zo heeft hij, kermend van de pijn, direct tegen verbalisant Van der Burg verklaard over de persoon die hem kort daarvoor had gestoken en dat diens nummer ook in zijn telefoon stond. Kort daarna heeft hij in het ziekenhuis nadere informatie gegeven, onder meer over de locatie waar de politie zijn telefoon kon vinden. Agenten hebben vervolgens de telefoon bij een vriend van [benadeelde partij] opgehaald. In de telefoon van [benadeelde partij] is een contact aangetroffen met de naam ‘ [verdachte] ’ met het telefoonnummer van de verdachte. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte ook verklaard dat hij de gebruiker is van het telefoonnummer. Een dag later heeft [benadeelde partij] bovendien verklaard dat hij eerst samen met ‘ [verdachte] ’ naar de oude kamer van ‘ [verdachte] ’ is geweest en heeft daarbij als locatie van deze kamer een pand dat zich bevindt bij het adres [adres 1] en [adres 2] aangewezen. Blijkens Google Maps is het adres [adres 1] en [adres 2] gelegen naast het pand aan [adres 6] waarin de verdachte verbleef en daar op 1 oktober 2022 ook door de politie is aangehouden. Hetgeen [benadeelde partij] heeft verklaard vindt aldus op verschillende onderdelen steun in de overige inhoud van het dossier. Zijn verklaringen vinden voorts steun in de camerabeelden. De camerabeelden bevestigen immers zijn verklaring dat hij samen met de verdachte richting de [locatie 3] is gelopen. De verklaringen van [benadeelde partij] worden derhalve voor het bewijs gebezigd. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant VII] blijkt dat op de camerabeelden is te zien dat de verdachte en [benadeelde partij] meermaals contact met elkaar hebben.
Volledig
Voorts blijkt daaruit dat zij op 30 september 2022, omstreeks 23:11 uur, wegliepen van het groepje jongeren op de [adres 10] , richting het [adres 8] waar zij omstreeks 23:12 uur voor het laatst zijn te zien op de camerabeelden. Zie liepen op dat moment richting de [locatie 3] / [adres 7] . [benadeelde partij] heeft verklaard dat hij door de verdachte is gestoken op de [adres 6] en dat hij is weggerend naar de (vlak daarbij gelegen) [locatie 1] . Uit hetgeen verbalisant [verbalisant I] heeft gerelateerd blijkt dat hij [benadeelde partij] om 23:30 uur zwaargewond op de [locatie 1] heeft aangetroffen. Gelet op het vorenstaande stelt het hof, evenals de rechtbank, vast dat [benadeelde partij] om 23:12 uur nog niet gewond was en dat het tenlastegelegde aldus in een kort tijdsbestek, van 23:12 uur tot 23:30 uur, moet hebben plaatsgehad. De locatie waar de verdachte en de aangever voor het laatst op de camerabeelden werden waargenomen ( [adres 8] ) bevindt zich blijkens Google Maps op een loopafstand van ongeveer vijf minuten van [adres 3] . Deze tijdsperiode past bij hetgeen de aangever heeft verklaard over de looproute die hij met verdachte heeft afgelegd, namelijk dat zij eerst naar een pand bij het adres [adres 1] en [adres 2] zijn gelopen en vervolgens zijn teruggelopen en zijn beland op een parkeerplaats ter hoogte van [adres 3] . Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, mag naar het oordeel van het hof een aannemelijke en verifieerbare verklaring van de verdachte worden gevraagd over hetgeen zich heeft afgespeeld nadat hij en de aangever zich samen om 23:12 uur vanaf het [adres 9] verwijderden richting de [locatie 3] . Het hof stelt vast dat de verdachte op 2 oktober 2022 bij de politie en op 4 oktober 2022 ten overstaan van de rechter-commissaris een beroep heeft gedaan op zijn zwijgrecht. Op 13 oktober 2022 heeft hij tegenover de rechtbank niet meer verklaard dan: ‘Ik wil niets zeggen’. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij weet wie [benadeelde partij] heeft gestoken, maar dat hij niet wil verklaren wie dit is geweest omdat hij bang is voor zijn veiligheid en de veiligheid van zijn vader. Op de vraag of hij op de camerabeelden is te zien heeft hij verklaard: ‘misschien haalt u mij er uit, maar ik ben het niet’. Op 12 december 2023 heeft de verdachte bij de politie een verklaring afgelegd. Bij die gelegenheid heeft hij verklaard dat ‘ [naam] ’ degene is geweest die [benadeelde partij] heeft gestoken. Ter terechtzitting in hoger beroep is de verdachte bij die verklaring gebleven. Bovendien heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wel samen met [benadeelde partij] op de camerabeelden is te zien. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario acht het hof ongeloofwaardig en wordt derhalve terzijde geschoven. Het hof heeft in dit verband in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte tegenstrijdig heeft verklaard. Zo heeft hij bij de rechtbank verklaard dat hij niet op de camerabeelden is te zien, terwijl hij ter terechtzitting in hoger beroep het tegenovergestelde heeft verklaard. Bovendien is door de politie nader onderzoek verricht naar ‘ [naam] ’, hetgeen geen resultaat heeft opgeleverd. Dat de politie, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, niet ook op de naam ‘ [naam] ’, ‘ [naam] ’ of ‘ [naam] ’ heeft gezocht, maakt het voorgaande niet anders. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [benadeelde partij] twee keer heeft gestoken. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dit handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag, zoals primair aan hem is tenlastegelegd. In dit verband overweegt het hof het navolgende. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat [benadeelde partij] in zijn linker borsthelft en in zijn buik is gestoken. Voorts bevinden zich foto’s van de jas van de aangever in het dossier. Het hof heeft op die foto’s waargenomen dat het gaat om een dikke jas. Mede gelet hierop kan het niet anders zijn dan dat de verdachte met dermate veel kracht heeft gestoken dat hij de dikke jas en de overige kleding van [benadeelde partij] op meerdere plekken heeft doorboord en bij de aangever twee steekwonden heeft toegebracht. Ten aanzien van de steekwond in de buik van [benadeelde partij] blijkt dat daarbij een deel van de darm buiten het lichaam van [benadeelde partij] is gekomen. Dit duidt naar het oordeel van het hof niet op slechts een oppervlakkig toegebrachte steekwond. Gelet op de uiterlijke verschijningsvormen kunnen verdachtes gedragingen redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan als handelingen gericht op het doden van [benadeelde partij] . Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden, die hadden kunnen worden geraakt. Wanneer (een van) deze organen door een messteek worden geraakt, kan dat leiden tot de dood. Ook wanneer in de buik wordt gestoken bestaat het risico op letsel aan de inwendige buikorganen en letsel aan bloedvaten, waaronder slagaders, met een kans op veel bloedverlies en een overlijden ten gevolge daarvan. Nu de verdachte met kracht in de borst (vlak onder het hart) en in de buikholte heeft gestoken, kan naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte [benadeelde partij] wilde doden. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte vol opzet had op het doden van [benadeelde partij] en komt tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als: poging tot doodslag. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, conform de beslissing van de rechtbank, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof, indien en voor zover het tot een bewezenverklaring zou komen, tot een lagere strafoplegging dient te komen dan de rechtbank. Daartoe is, op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota, kort samengevat naar voren gebracht dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf niet in verhouding staat tot straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. In dit verband heeft de verdediging verwezen naar verschillende uitspraken. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Bij de op te leggen sanctie heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag doordat hij het slachtoffer [benadeelde partij] meermaals met een mes heeft gestoken. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat de steekpartij voor [benadeelde partij] lichamelijk langdurig ernstige gevolgen heeft (gehad). Door de messteek in de buikholte zijn de buikspieren doorboord en is een deel van de darm van [benadeelde partij] uit het lichaam gekomen en is hij met spoed geopereerd.
Volledig
De messteek in de linkerborst had het hart of een slagader van [benadeelde partij] kunnen raken, waardoor hij ter plekke had kunnen overlijden. Door toedoen van de verdachte heeft het slachtoffer een groot ontsierend litteken op zijn buik waardoor hij blijvend aan de gebeurtenis zal worden herinnerd. Uit berichten in de media blijkt dat steeds meer jongeren messen bij zich dragen. Dit komt deels voort uit eerdere geweldsincidenten, waardoor sommige jongeren zich niet meer veilig voelen en een wapen meenemen om zich te kunnen verdedigen, met alle gevolgen van dien. Ook deze zaak kan dat effect hebben. Veelvuldig verschijnen berichten in de media over het toenemende bezit onder jongeren van wapens, die ook steeds vaker worden gebruikt. Deze ontwikkeling vormt een groot maatschappelijk probleem en zorgt voor veel angst, onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Ook in deze zaak is gebleken dat met een verbazingwekkend gemak een mes wordt getrokken en gebruikt. Het voorgaande maatschappelijke probleem is in deze zaak pijnlijk duidelijk geworden. Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 oktober 2022. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Voorts blijkt daaruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toepassing vindt. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de hiervoor omschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Het hof heeft hierbij in het bijzonder nog in aanmerking genomen dat de verdachte met vol opzet heeft geprobeerd [benadeelde partij] te doden. Hij heeft het slachtoffer vervolgens bloedend en kermend van de pijn op straat achtergelaten. Het slachtoffer is gelukkig naar een andere, drukkere, weg kunnen lopen en is daar door een voorbijrijdende agent aangetroffen. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen en geen enkel berouw getoond. Alle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. In de door de verdediging genoemde uitspraken ziet het hof geen aanleiding om tot een andere dan wel lagere strafoplegging te komen. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 26.450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voornoemd bedrag bestaat uit € € 1.450,00 aan materiële schade en € 25.000,00 aan immateriële schade. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten: cosmetische operatie ad € 1.000,00; kleding ad € 50,00; daggeldvergoeding ad € 245,00 (zeven dagen in het ziekenhuis à € 35,00 per dag); huishoudelijke hulp ad € 155,00. De rechtbank heeft de gevorderde kosten in verband met de cosmetische ingreep, kleding en daggeldvergoeding toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde kosten in verband met huishoudelijke hulp is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Voorts heeft de rechtbank de gevorderde immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 12.500,00. De rechtbank heeft de meergevorderde immateriële schade afgewezen. De vordering van de benadeelde partij is aldus toegewezen tot een bedrag van € 13.795,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ter hoogte van voornoemd geldbedrag. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering van de benadeelde partij conform de beslissing van de rechtbank zal toewijzen. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep de vordering van de benadeelde partij inhoudelijk betwist. Ten aanzien van de gevorderde kosten in verband met een cosmetische ingreep heeft de verdediging bepleit dat de vordering op dat punt dient te worden afgewezen, nu er voor de strafrechter geen mogelijkheid bestaat om mogelijke toekomstige materiële schade toe te wijzen, net als dat de strafrechter evenmin de mogelijkheid heeft om schade bij wege van voorschot toe te wijzen. Bovendien zijn er geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze operatie niet zal worden vergoed door de verzekering. Voor wat betreft de post ‘kleding’ heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Met betrekking tot de gevorderde daggeldvergoeding voor het verblijf in het ziekenhuis heeft de verdediging naar voren gebracht dat de vordering in zoverre kan worden toegewezen tot een bedrag van € 217,00. In oktober 2022 bedroeg de daggeldvergoeding namelijk – anders dan door de benadeelde partij is gevorderd – € 31,00 per dag. De verdediging heeft ten aanzien van de post ‘huiselijke hulp’ naar voren gebracht dat de vordering tot schadevergoeding in zoverre onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade kan – gelet op de in de pleitnota genoemde uitspraken – hoogstens een bedrag van € 5.000,00 voor toewijzing in aanmerking komen, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Materiële schade Het hof zal voornoemde schadeposten hierna nader bespreken. Cosmetische operatie Voor zover de benadeelde partij naar voren heeft gebracht dat in verband met een cosmetische operatie bij wijze van voorschot een bedrag van € 1.000,00 aan schadevergoeding wordt gevorderd, merkt het hof op dat het in een strafprocedure niet mogelijk is om als benadeelde partij een voorschot op de – definitieve – schadevergoeding te vorderen. Het hof verstaat de vordering aldus dat bedoeld is dat het gevorderde bedrag strekt tot vergoeding van een gedeelte van de schade die door de benadeelde partij rechtsreeks is geleden door het bewezenverklaarde handelen en voor zover de beoordeling van de vordering geen onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert. Naar het oordeel van het hof staan de gevorderde kosten in verband met een cosmetische ingreep aan het litteken op de buik van de benadeelde partij in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen. De vordering is middels een overzicht van Kliniek [kliniek] ook voldoende onderbouwd. Uit dit overzicht blijkt dat een littekencorrectie van ongeveer 30 centimeter ten minste € 1.000,00 kost. Nu in het onderhavige geval niet is gebleken van een medische noodzaak om een cosmetische operatie te ondergaan, acht het hof het aannemelijk dat een dergelijke ingreep niet door de verzekeraar wordt vergoed, zoals van de zijde van de benadeelde partij ook naar voren is gebracht. De vordering tot schadevergoeding zal derhalve in zoverre worden toegewezen. Kleding Het hof acht het aannemelijk dat kleding van de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen onbruikbaar is geworden. Het gevorderde bedrag van € 50,00 acht het hof niet bovenmatig of onredelijk. De gevorderde kosten à € 50,00 zullen derhalve worden toegewezen. Daggeldvergoeding Het hof stelt – met de verdediging – vast dat blijkens ‘De Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding’ de daggeldvergoeding voor een opname in het ziekenhuis in 2022 € 31,00 per dag bedroeg.
Volledig
Nu de bedoelde partij zeven dagen in het ziekenhuis opgenomen is geweest, zal het hof de vordering toewijzen tot een bedrag van € 217,00. Voor het meergevorderde zal het hof de vordering afwijzen. Huishoudelijke hulp De benadeelde partij vordert vergoeding voor het inschakelen van huishoudelijke hulp, nu hij als gevolg van het strafbare feit tijdelijk niet in staat was om de huishoudelijke taken zelf uit te voeren. Het hof is, met de rechtbank en de verdediging, van oordeel dat deze schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde partij heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd gesteld dat deze schadepost een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Tevens blijkt uit de medische documenten van de benadeelde partij dat hij samenwoonde met zijn neef en is geen inzicht gegeven waaruit die huishoudelijke hulp heeft bestaan. Naar het oordeel van het hof levert nader onderzoek naar dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk is en dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Immateriële schade Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als sprake is van lichamelijk letsel. Op basis van de inhoud van het dossier en de van de zijde van de benadeelde partij gegeven onderbouwing, stelt het hof vast dat bij de benadeelde partij sprake is van lichamelijk letsel, zodat de grondslag voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding is gegeven. Bij het verzoek tot schadevergoeding zijn verschillende uitspraken genoemd waarin sprake is van letsel waardoor het slachtoffer de rest van zijn leven een stoma moest dragen. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake. Uit de van de zijde van de benadeelde partij gegeven onderbouwing blijkt dat bij (de hoogte van) het gevorderde bedrag hier rekening mee is gehouden. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het gevorderde bedrag desondanks te hoog is en om die reden dient te worden gematigd. Voorts is naar voren gebracht dat de benadeelde partij zijn opleiding heeft moeten staken, niet heeft kunnen werken en last heeft van slaapgebrek. Het hof acht het zonder meer voorstelbaar dat het bewezenverklaarde handelen voor de benadeelde partij gevolgen heeft gehad voor zijn opleiding, werk en slaap. Bij de vordering tot schadevergoeding zijn evenwel geen stukken gevoegd waaruit blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen zijn opleiding heeft moeten staken en niet heeft kunnen werken. Alles afwegend en gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen begroot het hof de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 12.500,00. In de door de verdediging genoemde uitspraken ziet het hof geen aanleiding om tot een andere beslissing te komen. De meergevorderde immateriële schade zal worden afgewezen. Totale schade en wettelijke rente Het hof zal de hiervoor genoemde schade vaststellen op een bedrag van € 13.767,00. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal de verdachte veroordelen tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Proceskosten Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 13.767,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening , nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 13.767,00 (dertienduizend zevenhonderdzevenenzestig euro) bestaande uit € 1.267,00 (duizend tweehonderdzevenenzestig euro) materiële schade en € 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Wijst de vordering ten aanzien van de meergevorderde daggeldvergoeding en het meergevorderde aan immateriële schadevergoeding af. Verklaart de vordering tot schadevergoeding voor wat betreft de gevorderde huishoudelijke hulp niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 13.767,00 (dertienduizend zevenhonderdzevenenzestig euro) bestaande uit € 1.267,00 (duizend tweehonderdzevenenzestig euro) materiële schade en € 12.500,00 (twaalfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 103 (honderddrie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 september 2022. Aldus gewezen door: mr. M.M. Koevoets, voorzitter, mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier, en op 5 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. M.M.