Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-18
ECLI:NL:GHSHE:2024:4305
Strafrecht
Hoger beroep
7,274 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002449-23
Uitspraak : 18 december 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 augustus 2023, in de strafzaak met parketnummer 96-030985-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De kantonrechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het hem tenlastegelegde feit.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, met aftrek van het bedrag dat reeds door de verdachte is betaald aan het CJIB gelet op de eerder uitgevaardigde strafbeschikking. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof die eerder opgelegde strafbeschikking zal vernietigen.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 juli 2021 te Hank, gemeente Altena, op de Rijksweg (A27), als een persoon die niet is aangesteld als verkeersregelaar, zich op zodanige wijze heeft gekleed dan wel gedragen, dat hij daardoor bij weggebruikers de indruk kan hebben gewekt dat hij bevoegd was om als verkeersregelaar op te treden.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 juli 2021 te Hank, gemeente Altena, op de Rijksweg (A27), als een persoon die niet is aangesteld als verkeersregelaar, zich op zodanige wijze heeft gedragen, dat hij daardoor bij weggebruikers de indruk kan hebben gewekt dat hij bevoegd was om als verkeersregelaar op te treden.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
1. Het proces-verbaal overtreding d.d. 7 februari 2022, politie Midden- en West-Brabant, Team Verkeer, zaaknummer 002870089, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , met bijlagen:
Ik, [verbalisant 1] , zag/constateerde, dan wel stelde na onderzoek vast, dat een persoon een feit pleegde dat is gecodeerd als feitnummer R708C en dat als volgt is omschreven in de tekstenbundel van de Commissie Feiten en Tarieven van het Openbaar Ministerie:
als een persoon die niet is aangesteld als verkeersregelaar, zich op zodanige wijze kleden dan wel gedragen, dat daardoor bij weggebruikers de indruk kan worden gewekt, dat hij bevoegd is als, transportbegeleider op te treden. Artikel 58b BABW.
Wij zagen dat verdachte als bestuurder van genoemde bedrijfsauto als verkeersregelaar een bijzonder transport begeleidde. Wij zagen dat de door hem bestuurde bedrijfsauto oranje optische signalen voerde en achter het door hem begeleide transport reed. Toen ik, [verbalisant 1] , verdachte naar zijn rijbewijs vroeg, overhandigde verdachte mij een geldig en op zijn naam uitgegeven rijbewijs. Toen ik verdachte vroeg naar zijn begeleiderspas hoorde ik hem zeggen dat hij die niet had. Het bijzondere transport moest, gelet op de maten van het transport, worden begeleid door twee gecertificeerde transportbegeleiders.
Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij, [verbalisant 1] , desgevraagd de volgende
personalia:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 1973
Verklaring verdachte:
In verband met een overlijden binnen de familie van het bedrijf moesten we van de nood een deugd maken.
2. Het proces-verbaal van de terechtzitting bij de kantonrechter te Breda, rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 23 augustus 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik was op 30 (het hof begrijpt: 13) juli 2021 een transport aan het begeleiden. Ik had daar de papieren niet voor.
Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Daartoe heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat het algemene artikel, te weten artikel 58b van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW), ten laste is gelegd, terwijl er een lex specialis is, te weten artikel 58a, derde lid, BABW.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Onder een transportbegeleider wordt blijkens artikel 1, onder h, BABW verstaan: een verkeersregelaar die optreedt ter begeleiding van een exceptioneel transport als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit ontheffingverlening Dienst Wegverkeer exceptionele transporten. In artikel 58a BABW wordt in 6 punten opgesomd waar transportbegeleiders aan moeten voldoen, waaronder de onder in lid 3 vermelde verplichting om – als ze krachtens de wet moeten beschikken over een aanstellingspas – dit document op eerste vordering ter inzage af te geven. Voorts is in artikel 58b BABW bepaald dat het eenieder, die niet is aangesteld als verkeersregelaar, verboden is zich op zodanige wijze te gedragen dat daardoor bij weggebruikers de indruk wordt gewekt dat hij bevoegd is als zodanig op te treden. Op grond van artikel 59 BABW ten slotte zijn zowel artikel 58a derde lid en artikel 58b een strafbaar feit.
De verdachte heeft op 13 juli 2021 als bestuurder in een speciaal begeleidingsvoertuig achter een bijzonder transport gereden, terwijl de auto van de verdachte oranje optische signalen voerde. Uit de foto’s en de ontheffing die als bijlagen aan het proces-verbaal zijn gehecht blijkt dat er sprake was van een exceptioneel transport, dat volgens de politie door twee gecertificeerde transportbegeleiders had moeten worden begeleid. Door met een speciaal begeleidingsvoertuig met oranje optische signalen achter dit transport te rijden heeft de verdachte opgetreden als de begeleider van dit transport en daarmee als verkeersregelaar in de zin van art 1, onder h BABW. Hij had daarvoor echter niet de juiste papieren, zoals hij zelf ook erkend heeft.
Er is derhalve sprake van overtreding van artikel 58b van het BABW. Dat ook sprake was van overtreding van artikel 58a, derde lid, BAWB, omdat de verdachte niet de vereiste aanstellingspas op eerste vordering ter inzage heeft afgegeven, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. Voorts blijkt uit artikel 59 van het BABW niet dat er een rangorde bestaat tussen deze strafbare feiten.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis;
beveelt dat het bedrag dat door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak is betaald aan het CJIB ten behoeve van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht;
vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 14 februari 2022 onder CJIB nummer [CJIB nummer] .
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. A. Muller, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop, griffier,
en op 18 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Lonterman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2024:4305 text/xml public 2026-03-20T15:38:18 2025-05-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2024-12-18 20-002449-23 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4305 text/html public 2025-07-09T14:31:46 2025-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2024:4305 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-12-2024 / 20-002449-23 Overtreding van artikel 58b, Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer. Parketnummer : 20-002449-23 Uitspraak : 18 december 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 augustus 2023, in de strafzaak met parketnummer 96-030985-22 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973, wonende te [adres] . Hoger beroep De kantonrechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het hem tenlastegelegde feit. De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, met aftrek van het bedrag dat reeds door de verdachte is betaald aan het CJIB gelet op de eerder uitgevaardigde strafbeschikking. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof die eerder opgelegde strafbeschikking zal vernietigen. De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 13 juli 2021 te Hank, gemeente Altena, op de Rijksweg (A27), als een persoon die niet is aangesteld als verkeersregelaar, zich op zodanige wijze heeft gekleed dan wel gedragen, dat hij daardoor bij weggebruikers de indruk kan hebben gewekt dat hij bevoegd was om als verkeersregelaar op te treden. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 13 juli 2021 te Hank, gemeente Altena, op de Rijksweg (A27), als een persoon die niet is aangesteld als verkeersregelaar, zich op zodanige wijze heeft gedragen, dat hij daardoor bij weggebruikers de indruk kan hebben gewekt dat hij bevoegd was om als verkeersregelaar op te treden. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen 1. Het proces-verbaal overtreding d.d. 7 februari 2022, politie Midden- en West-Brabant, Team Verkeer, zaaknummer 002870089, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , met bijlagen: Ik, [verbalisant 1] , zag/constateerde, dan wel stelde na onderzoek vast, dat een persoon een feit pleegde dat is gecodeerd als feitnummer R708C en dat als volgt is omschreven in de tekstenbundel van de Commissie Feiten en Tarieven van het Openbaar Ministerie: als een persoon die niet is aangesteld als verkeersregelaar, zich op zodanige wijze kleden dan wel gedragen, dat daardoor bij weggebruikers de indruk kan worden gewekt, dat hij bevoegd is als, transportbegeleider op te treden. Artikel 58b BABW. Wij zagen dat verdachte als bestuurder van genoemde bedrijfsauto als verkeersregelaar een bijzonder transport begeleidde. Wij zagen dat de door hem bestuurde bedrijfsauto oranje optische signalen voerde en achter het door hem begeleide transport reed. Toen ik, [verbalisant 1] , verdachte naar zijn rijbewijs vroeg, overhandigde verdachte mij een geldig en op zijn naam uitgegeven rijbewijs. Toen ik verdachte vroeg naar zijn begeleiderspas hoorde ik hem zeggen dat hij die niet had. Het bijzondere transport moest, gelet op de maten van het transport, worden begeleid door twee gecertificeerde transportbegeleiders. Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij, [verbalisant 1] , desgevraagd de volgende personalia: Achternaam: [verdachte] Voornamen: [verdachte] Geboren: [geboortedag] 1973 Verklaring verdachte: In verband met een overlijden binnen de familie van het bedrijf moesten we van de nood een deugd maken. 2. Het proces-verbaal van de terechtzitting bij de kantonrechter te Breda, rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 23 augustus 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: Ik was op 30 (het hof begrijpt: 13) juli 2021 een transport aan het begeleiden. Ik had daar de papieren niet voor. Bewijsoverwegingen De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Daartoe heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat het algemene artikel, te weten artikel 58b van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer ( hierna: BABW ), ten laste is gelegd, terwijl er een lex specialis is, te weten artikel 58a, derde lid, BABW. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Onder een transportbegeleider wordt blijkens artikel 1, onder h, BABW verstaan: een verkeersregelaar die optreedt ter begeleiding van een exceptioneel transport als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit ontheffingverlening Dienst Wegverkeer exceptionele transporten. In artikel 58a BABW wordt in 6 punten opgesomd waar transportbegeleiders aan moeten voldoen, waaronder de onder in lid 3 vermelde verplichting om – als ze krachtens de wet moeten beschikken over een aanstellingspas – dit document op eerste vordering ter inzage af te geven. Voorts is in artikel 58b BABW bepaald dat het eenieder, die niet is aangesteld als verkeersregelaar, verboden is zich op zodanige wijze te gedragen dat daardoor bij weggebruikers de indruk wordt gewekt dat hij bevoegd is als zodanig op te treden. Op grond van artikel 59 BABW ten slotte zijn zowel artikel 58a derde lid en artikel 58b een strafbaar feit. De verdachte heeft op 13 juli 2021 als bestuurder in een speciaal begeleidingsvoertuig achter een bijzonder transport gereden, terwijl de auto van de verdachte oranje optische signalen voerde. Uit de foto’s en de ontheffing die als bijlagen aan het proces-verbaal zijn gehecht blijkt dat er sprake was van een exceptioneel transport, dat volgens de politie door twee gecertificeerde transportbegeleiders had moeten worden begeleid. Door met een speciaal begeleidingsvoertuig met oranje optische signalen achter dit transport te rijden heeft de verdachte opgetreden als de begeleider van dit transport en daarmee als verkeersregelaar in de zin van art 1, onder h BABW. Hij had daarvoor echter niet de juiste papieren, zoals hij zelf ook erkend heeft. Er is derhalve sprake van overtreding van artikel 58b van het BABW. Dat ook sprake was van overtreding van artikel 58a, derde lid, BAWB, omdat de verdachte niet de vereiste aanstellingspas op eerste vordering ter inzage heeft afgegeven, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. Voorts blijkt uit artikel 59 van het BABW niet dat er een rangorde bestaat tussen deze strafbare feiten. Het verweer van de raadsman wordt daarmee verworpen. Resumerend acht het hof, op grond van het voren overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: overtreding van artikel 58b, Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer.
Inleiding
Het verweer van de raadsman wordt daarmee verworpen.
Resumerend acht het hof, op grond van het voren overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 58b, Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich heeft gedragen als verkeersregelaar, terwijl hij daartoe niet bevoegd was. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan de hier te lande geldende verkeersvoorschriften. De verklaring van de verdachte dat hij van de nood een deugd moest maken doet daar niet aan af.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtredingen aangaande de verkeersveiligheid, namelijk ter zake van de Regeling voertuigen en de Wegenverkeerswet.
Voort heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij onder vrijwillig bewind staat.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, de oplegging van een geldboete ter hoogte van € 500,00 passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, in die zin dat het de uitdrukkelijke bedoeling van het hof is dat de geldboete wordt opgelegd met aftrek van het reeds betaalde bedrag aan het CJIB gelet op de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, zodat de verdachte thans niets meer hoeft te betalen.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In de onderhavige zaak is de redelijke termijn op 14 februari 2022 aangevangen met het uitvaardigen van de strafbeschikking aan de verdachte. De kantonrechter heeft op 22 augustus 2023 vonnis gewezen. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg niet is overschreden.
Namens de verdachte is vervolgens op 4 september 2023 hoger beroep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 8 juli 2024 ter griffie van het hof ontvangen. In de appelfase geldt dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen. Het hof stelt vast dat de stukken op 8 juli 2024 ter griffie zijn ontvangen, zodat de bedoelde termijn met ruim 2 maanden is overschreden. De zaak is in hoger beroep echter binnen 5 maanden en aldus met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting aangebracht en behandeld, zodat bedoelde overschrijding van de inzendingstermijn hierdoor wordt gecompenseerd. Het hof stelt voorts vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep daarmee ook binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld met een einduitspraak is afgerond. Ook gelet op de aard en de hoogte van de door het hof op te leggen straf leidt de overschrijding niet tot matiging daarvan en is de geconstateerde verdragsschending voldoende gecompenseerd met de enkele vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Volledig
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich heeft gedragen als verkeersregelaar, terwijl hij daartoe niet bevoegd was. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan de hier te lande geldende verkeersvoorschriften. De verklaring van de verdachte dat hij van de nood een deugd moest maken doet daar niet aan af. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtredingen aangaande de verkeersveiligheid, namelijk ter zake van de Regeling voertuigen en de Wegenverkeerswet. Voort heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij onder vrijwillig bewind staat. Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, de oplegging van een geldboete ter hoogte van € 500,00 passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, in die zin dat het de uitdrukkelijke bedoeling van het hof is dat de geldboete wordt opgelegd met aftrek van het reeds betaalde bedrag aan het CJIB gelet op de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, zodat de verdachte thans niets meer hoeft te betalen. Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. In de onderhavige zaak is de redelijke termijn op 14 februari 2022 aangevangen met het uitvaardigen van de strafbeschikking aan de verdachte. De kantonrechter heeft op 22 augustus 2023 vonnis gewezen. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg niet is overschreden. Namens de verdachte is vervolgens op 4 september 2023 hoger beroep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 8 juli 2024 ter griffie van het hof ontvangen. In de appelfase geldt dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen. Het hof stelt vast dat de stukken op 8 juli 2024 ter griffie zijn ontvangen, zodat de bedoelde termijn met ruim 2 maanden is overschreden. De zaak is in hoger beroep echter binnen 5 maanden en aldus met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting aangebracht en behandeld, zodat bedoelde overschrijding van de inzendingstermijn hierdoor wordt gecompenseerd. Het hof stelt voorts vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep daarmee ook binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld met een einduitspraak is afgerond. Ook gelet op de aard en de hoogte van de door het hof op te leggen straf leidt de overschrijding niet tot matiging daarvan en is de geconstateerde verdragsschending voldoende gecompenseerd met de enkele vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 58b en 59 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro) , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis ; beveelt dat het bedrag dat door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak is betaald aan het CJIB ten behoeve van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht; vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 14 februari 2022 onder CJIB nummer [CJIB nummer] . Aldus gewezen door: mr. R. Lonterman, voorzitter, mr. M.L.P. van Cruchten en mr. A. Muller, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop, griffier, en op 18 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. Lonterman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.