Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-18
ECLI:NL:GHSHE:2024:4303
Strafrecht
Hoger beroep
3,278 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000751-24
Uitspraak : 18 december 2024
VERSTEK (ONIP)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-160223-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van witwassen’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 73.000,00 verbeurdverklaard.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 73.000,00 verbeurd zal verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 30 juni 2023, in de gemeente Moerdijk (te Zevenbergschen Hoek), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld-)witwassen, immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader(s), althans alleen, van een voorwerp, te weten een (groot) geldbedrag, te weten van (totaal) (ongeveer 73.000 euro), althans van enig(e) (grote) geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of dat geldbedrag verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 30 juni 2023, in de gemeente Moerdijk (te Zevenbergschen Hoek), tezamen en in vereniging met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader een voorwerp, te weten een geldbedrag van totaal 73.000 euro voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Feiten
Bij de beoordeling van het bewijs stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, het volgende kader voorop. Dat een voorwerp “afkomstig is van enig misdrijf” kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verwacht dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van die resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.
In dit geval is naar het oordeel van het hof op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen rechtstreeks verband te leggen met een bepaald misdrijf. Dit maakt dat het hof - gelet op het hiervoor voorop gestelde beoordelingskader - om te kunnen komen tot bewezenverklaring van witwassen eerst dient te beoordelen of de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verbalisanten de verdachte als bestuurder van de Renault Clio met Frans kenteken [kenteken] op 30 juni 2023 om 14.45 uur staande hebben gehouden. De medeverdachte [medeverdachte] was bijrijder. Bij het openen van het bestuurdersportier werd een gripzakje met daarin hasj aangetroffen. Hierop werd de auto doorzocht. Tijdens deze doorzoeking werden achter de bekleding van de bestuurdersstoel twee plastic zakken met contant geld aangetroffen. Na telling bleek het te gaan om een geldbedrag van € 73.000,00.
De omstandigheid dat er een grote hoeveelheid contant geld onder de verdachte werd aangetroffen, verstopt achter de bekleding van de bestuurdersstoel en verpakt in twee plastic zakken, doet reeds vermoeden dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat naar algemene ervaringsregels het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt en daarom voor privépersonen hoogst ongebruikelijk is. Daarbij komt nog dat het geldbedrag onder meer was samengesteld uit coupures van € 200, welke coupures in het normale geldverkeer ongebruikelijk zijn.
Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
De verdachte heeft, zo volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen, verschillende verklaringen afgelegd over de herkomst van het aangetroffen geldbedrag. Bovendien heeft de verdachte ook over (onder meer) de bestemming van de gelden wisselend verklaard, hetgeen verder afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de verdachte.
Het hof is van oordeel dat deze verklaringen van de verdachte zodanig wisselend zijn dat niet kan worden gesproken van een (één) concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Resumerend acht het hof op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd.
medeplegen van witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen. De vermenging van crimineel geld met legaal geld heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financiële en economisch verkeer en op de openbare orde.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 7 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder hier te lande onherroepelijk is veroordeeld.
Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken.
Het hof heeft bij de bepaling van de straf voorts acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als oriëntatiepunt voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Het hof heeft aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt ‘Fraude’, dat bij een benadelingsbedrag van € 70.000,00 tot € 125.000,00 als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden tot 9 maanden, dan wel een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf geeft.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;
verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een geldbedrag van EUR 73.000.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. M.J.M.A. van der Put en mr. E.A.A.M. Pfeil, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 18 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.