Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-20
ECLI:NL:GHSHE:2024:4302
Strafrecht
Hoger beroep
4,422 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000505-23
Uitspraak : 20 december 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 februari 2023, parketnummer
02-293485-22 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer
02-193183-21, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘schuldheling’ (het onder het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de tenlastegelegde schuldheling bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Ten aanzien van de inbeslaggenomen MacBook Pro heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende zal gelasten. Tot slot heeft de advocaat-generaal met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-193183-21, gevorderd dat het hof de proeftijd zal verlengen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de inbeslaggenomen MacBook Pro heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-193183-21, heeft de verdediging primair bepleit dat het hof deze vordering zal afwijzen en subsidiair dat het hof de proeftijd zal verlengen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in de periode van 9 november 2022 tot en met 10 november 2022 te Tilburg, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een iPad en/of een iMac en/of een MacBook Pro en/of een of meerdere sieraden, althans een of meer goederen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 november 2022 te Tilburg, althans in Nederland, een iPad en/of een iMac en/of een MacBook Pro en/of een of meerdere sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 9 november 2022 tot en met 10 november 2022 te Tilburg een iPad en een MacBook en meerdere sieraden voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld, wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, District Hart van Brabant, Basisteam Tilburg-Centrum, registratienummer PL2000-2022298334, gesloten d.d. 24 januari 2023, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 29. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, het bewijs dat de verdachte het primair bewezenverklaarde heeft begaan.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 10 november 2022, p. 5-7 (met bijlage goederen, p. 8), voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster [benadeelde 1] :
Plaats delict: [adres 2]
Ik doe aangifte van gekwalificeerde diefstal van mijn MacBook, iPad en sieraden uit mijn woning. Op 9 november 2022, omstreeks 21.30 uur, ging ik samen met mijn vriend op visite bij vrienden. Deze vrienden wonen in de Poststraat in Tilburg. Wij zijn hier rond 23.30 uur weer te voet vertrokken. Het is ongeveer vijf minuten lopen vanaf de Poststraat naar mijn woning. Toen ik thuis kwam bij mijn woning zag ik dat de lades van alle kastjes in mijn kamer openstonden. Ook zag ik dat het raam open stond. Het raam was dicht toen ik wegging. Ik zag dat tussen het raam een beeldje stond om het raam open te houden. Toen ik ging kijken wat er weg was, zag ik dat mijn MacBook, die op mijn bed lag, weg was. Ook zag ik dat de iPad van mijn vriend weg was. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Het proces-verbaal verhoor aangever d.d. 10 november 2022, p. 9-10, voor zover inhoudende de verklaring van [benadeelde 1] :
Verklaring aangever
Op 10 november 2022, omstreeks 19.30 uur, zag ik dat mijn gestolen iPad waarvan ik aangifte heb gedaan op 9 november 2022, zich aan [adres 3] bevond.
Nadat de politie deze woning had betreden en mij een grijze MacBook Air liet zien, herkende ik deze MacBook Air als mijn goed dat gestolen is vanuit mijn woning op 9 november 2022. Ik herkende de MacBook Air aan het toetsenbord. Deze heeft Turkse letters.
Toen de politie mij een grijze iPad liet zien, herkende ik deze als mijn goed dat gestolen is vanuit mijn woning op 9 november 2022. Ik voerde mijn wachtwoord in op de iPad en kon deze hiermee openen.
Toen de politie mij drie gouden oorbellen liet zien, herkende ik deze oorbellen als mijn goed dat gestolen is vanuit mijn woning op 9 november 2022.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 november 2022, p.
Feiten
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit, nu in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Hiertoe heeft de raadsman van de verdachte – kort weergegeven – aangevoerd dat enkel de aangifte van diefstal en de omstandigheid dat de verdachte later is aangetroffen met de gestolen goederen in zijn woning onvoldoende is om vast te stellen dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de goederen van diefstal afkomstig waren. Bovendien heeft de verdachte een aannemelijke en toetsbare verklaring afgelegd, aldus de verdediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt het volgende voorop. Het enkele voorhanden hebben van een van misdrijf afkomstig goed is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van opzetheling te komen. Van belang voor een bewezenverklaring van opzetheling is dat dient te worden vastgesteld dat de verdachte ‘ten tijde van’ bijvoorbeeld het voorhanden ‘krijgen’ wist dat het een ‘door misdrijf verkregen goed’ betrof. Onder dit ‘weten’ is mede begrepen de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat het goed door misdrijf is verkregen (vgl. HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812, rov. 6.2.; HR 16 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1828, rov. 6.2. en HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5527, rov. 2.3.). Daarbij kan onder omstandigheden een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van het voorwerp (vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:644 en 652, rov. 2.3.1).
In het licht van deze vooropstelling stelt het hof het navolgende vast. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de verdachte op 10 november 2022 een gestolen iPad, een MacBook Air en sieraden voorhanden heeft gehad. Deze goederen zijn op diverse plekken in de woning waar de verdachte woonachtig was en in de kleding van de verdachte aangetroffen. Zo is de iPad aangetroffen in een tv-kastje, de MacBook Air op zijn slaapkamer, één gouden oorbel in de zak van een jas van de verdachte en twee gouden oorbellen in de zak van het softshell jack wat hij droeg ten tijde van de aanhouding.
Het hof stelt dat bij het aantreffen van de gestolen goederen onder de voorliggende omstandigheden van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag worden verwacht dat de goederen niet van misdrijf afkomstig zijn. Bij de beoordeling weegt het hof tevens mee de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop de verklaring(en) van de verdachte tot stand is/zijn gekomen. Zo acht het hof van belang dat de verdachte niet van meet af aan tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden, maar pas eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren. De verdachte heeft bovendien over de aangetroffen goederen wisselend verklaard. Zo heeft hij op 10 november 2022 ter plaatse tegenover verbalisant [verbalisant 2] en [verbalisant 3] verklaard dat hij de spullen voor iemand moest bewaren. Op het politiebureau heeft de verdachte vervolgens geen medewerking verleend en tijdens de terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat een vriend deze spullen was vergeten, hij ze heeft opgeruimd omdat zijn neefjes en nichtjes kwamen spelen en de sieraden om die reden maar in een zak heeft gestopt. Het hof stelt vast dat de verklaring van de verdachte op dit laatste onderdeel niet strookt met hetgeen uit het dossier blijkt. Zo zijn de gestolen oorbellen in een jaszak en in een zak van een softshell jack aangetroffen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte daarentegen verklaard dat hij niet weet hoe de sieraden in twee jassen terecht zijn gekomen.
Het hof is gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien van oordeel dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van de gestolen goederen van aanzienlijke waarde. Op grond daarvan en tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is vastgesteld is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist, althans op zijn minst de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, dat de goederen door misdrijf waren verkregen.
Het hof acht het primair tenlastegelegde, te weten opzetheling, wettig en overtuigend bewezen en het andersluidende standpunt van de verdediging wordt derhalve verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzetheling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van kostbare goederen. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de benadeelden en heeft hij zich van hun belangen niets aangetrokken. Daarnaast bevordert heling het bevorderen van andere strafbare feiten, doordat het zorgt voor een markt voor gestolen goederen of bijdraagt aan het verhullen van dergelijke delicten. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 8 oktober 2024, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaande aan het bewezenverklaarde onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er blijkbaar niet van weerhouden om nogmaals soortgelijke feiten te plegen. Omdat deze veroordelingen dateren van langere tijd geleden zal het hof deze omstandigheid niet in strafverzwarende zin meewegen in de op te leggen straf. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken. De verdachte heeft onder andere naar voren gebracht dat hij op korte termijn uitgeschreven zal worden op het adres [adres 1] en hij dan geen woning meer zal hebben.
Gelet op al het hiervoor overwogene kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De oplegging van een taakstraf, zoals is opgelegd door de politierechter en is verzocht door de verdediging, acht het hof tevens niet aangewezen nu de verdachte op korte termijn geen postadres meer zal hebben en de uitvoering van een taakstraf hierdoor aanzienlijk zal worden bemoeilijkt.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een MacBook Pro (G2524101).
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda van 16 november 2021, gewezen onder parketnummer 02-193183-21, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. A.R. Hartmann en mr. E.A.A.M. Pfeil, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 20 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.R. Hartmann is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.