Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-23
ECLI:NL:GHSHE:2024:4301
Strafrecht
Hoger beroep
8,915 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000612-24
Uitspraak : 23 december 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 februari 2024 onder parketnummer 03-157085-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 02-282105-22, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte tweemaal ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels’ (feit 1 primair en feit 2) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 3 jaren.
Voorts heeft de politierechter beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] [het hof begrijpt: [benadeelde]] en de tenuitvoerlegging gelast van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 02-282105-22, te weten een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen.
Namens verdachte is primair vrijspraak bepleit en subsidiair dat de opgelegde straf te hoog is. Voorts heeft de raadsvrouw bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen, dan wel maar gedeeltelijk wordt toegewezen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is bepleit dat, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. Bijgevolg zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften vervangen.
Voorts zal het hof de gronden – in de zin van de bewijsvoering van de politierechter – aanvullen en verbeteren als hierna te melden.
Verbetering van de bewijsmiddelen
Het hof vervangt het door de rechtbank onder het kopje “De bewijsmiddelen” vermelde door het volgende:
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023099177, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie, gesloten d.d. 2 juli 2023, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-169. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2023 (pg. 9-11), voor zover, inhoudende als verklaring van aangever [aangever 1]:
Ik doe aangifte van diefstal van staalplaten. De goederen zijn eigendom van [benadeelde] .
Op 25 juni 2023, omstreeks 03.45 uur, werd ik wakker gebeld door de manager van het bedrijf; [aangever 2] [het hof begrijpt gelet op dossierpagina 12: [aangever 2]]. Ik hoorde dat [aangever 2] zei dat er nu een diefstal plaatsvond in het bedrijf. [benadeelde] ligt op [adres 2] . Het bedrijf heeft twee ingangen. De hoofdingang betreft voor de vrachtwagens. De tweede ingang betreft een personeelsingang.
De hoofdingang wordt iedere vrijdag om 19.00 uur afgesloten. Deze blijft dan dicht tot maandagochtend 07.00 uur. De hoofdingang is op twee manieren te openen. De eerste manier is middels een druppel. Als je deze gebruikt dan wordt dat geregistreerd. De tweede mogelijkheid is dat de hoofdingang via de binnenzijde wordt geopend. Dit gebeurt middels elektrische/magnetische detectie die in de grond is verwerkt. Als je hierover rijdt, opent de poort.
Ongeveer tien minuten later kwam ik ter plaatse bij het bedrijf. Ik zag dat er een grote vrachtwagen voor de personeelsingang stond. Ik zag dat de politie ook aanwezig was.
Ik bekeek de goederen die op de vrachtwagen stonden. Ik herkende direct deze goederen als zijnde staalplaten van [benadeelde] . Ik herkende deze aan de blauwe folie en de identiteit stickers van [benadeelde] . Ik zag dat er 15 staalplaten op de vrachtwagen stonden. Ik zag ook de bestuurder en de passagier. Deze twee mannen ken ik niet en heb ik ook niet eerder gezien.
Het is mij geheel onbekend dat iemand op dit tijdstip de staalplaten moest ophalen. Sterker zelfs, dit kan je nooit doen zonder personeel van [benadeelde] . Er is altijd iemand van ons aanwezig. Als hij wettelijk hier was, dan moest hij een vrachtbrief hebben. Die heb ik niet gezien. Daarnaast verliet hij het terrein via de personeelsingang. Dezelfde ingang waar hij binnen is gereden.
Vorige week had er ook een diefstal van staalplaten plaatsgevonden bij [benadeelde] . Toen waren het twee vrachtwagens die op het terrein waren gekomen. Nou hebben wij camera’s geplaatst tegenover loods 12. Als er beweging plaatsvindt, dan krijgen we een alarmering. Vandaag was het weer zo ver.
Het doel van de aangifte is om te zorgen dat de diefstal stopt en de daders gepakt worden. Wij hebben veel schade geleden.
De camerabeelden worden geleverd aan de politie. De politie heeft foto's gemaakt.
2. Het proces-verbaal aanvullend d.d. 26 juni 2023 (dossierpagina’s 12-13), voor zover, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Naar aanleiding van e-mailwisseling met de aangever [aangever 1] heb ik, verbalisant [verbalisant 2] , dit aanvullend proces-verbaal opgemaakt met de volgende aangeleverde verklaringen;
- De hoofdingang is de 1e poort, hier rijden normaal alle vrachtwagens in omdat daar ook een weegbrug is. De 2e poort is de personeelsingang. Die 2e ingang is te openen van buiten en van binnenuit met een druppelsleutel. Je staat dan geregistreerd. De 2e ingang (niet de hoofdingang voor de vrachtwagens) heeft ook een lus in het wegdek. Die is alleen aan de binnenzijde, [benadeelde] terrein. De vrachtwagen is zonder druppelsleutel bij de 2e poort naar binnengekomen omdat iemand de lus aan de binnenzijde activeert. Dat kan al met elk voorwerp van staal. Onze beelden zullen dat uitwijzen. De vrachtwagen is onrechtmatig, buiten onze laadtijden op het terrein van [benadeelde] gekomen.
- Daarnaast wilde de vrachtwagen via dezelfde personeelsin- en uitgang het bedrijf verlaten. Dezelfde ingang waar hij zich ook toegang heeft verschaft. Na het beladen van vrachtwagens moeten deze weer gewogen worden. Uitgaan via deze uitgang is ongeregistreerd en dus duidelijk diefstal.
- Dan krijgt [betrokkene 1] bedrijfsrecherche daar melding van.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
De raadsvrouw heeft namens de verdachte bepleit dat hij wordt vrijgesproken, nu hij geen oogmerk had om zich wederrechtelijk het staal toe te eigenen. De verdachte heeft hier steeds hetzelfde over verklaard. Hij is bij een uitgaansgelegenheid [betrokkene 3] tegengekomen die hem heeft verteld dat hij manager was bij [benadeelde] en hij heeft vervolgens afspraken gemaakt over het kopen van afgekeurd staal. De verdachte vertrouwde erop dat [betrokkene 3] hiertoe bevoegd was en was er daarom van overtuigd dat hij bevoegd was op basis van de afspraken met [betrokkene 3] om het staal op te halen bij [benadeelde] . Volgens de raadsvrouw had de verdachte hier ook op mogen vertrouwen.
Het hof stelt het volgende vast.
Met de rechtbank stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 25 juni 2023 omstreeks 03.20 uur met een vrachtwagen aanwezig was op het terrein van [benadeelde] te Maastricht. De verdachte is daar door de politie aangetroffen met een voorraad staalplaten die net op zijn vrachtwagen was geladen. De verdachte heeft verklaard bij dit bedrijf op 25 juni 2023 midden in de nacht staalplaten te hebben geladen, die hij rechtmatig van een persoon genaamd [betrokkene 3] zou hebben gekocht.
Op 18 en/of 19 juni 2023 is ongeveer hetzelfde gebeurd, alleen heeft de verdachte toen niet zelf gereden. Volgens de verklaring van de verdachte zijn op 18 en/of 19 juni 2023 anderen in zijn opdracht naar [benadeelde] gereden om staal op te laden. Uit onder andere de camerabeelden blijkt ook dat er in de nacht van 18 op 19 juni 2023 vrachtwagens op het terrein zijn geweest.
Het hof acht de verklaring van de verdachte over zijn afspraak met [betrokkene 3] ongeloofwaardig. Daarbij acht het hof van belang dat de verdachte van de door hem gestelde aankopen van staal geen weeg- en/of vrachtbrief heeft overgelegd om zijn verklaring te ondersteunen, terwijl hij in eerste instantie wel heeft verklaard dat hij over dergelijke documentatie beschikte. Zijn latere andersluidende verklaring acht het hof ongeloofwaardig. Voorts heeft de verdachte naast de voornaam van [betrokkene 3] en een telefoonnummer dat niet op naam stond en niet werd opgenomen geen andere identificerende gegevens genoemd, wat maakt dat de verklaring van de verdachte op dit punt niet verifieerbaar is. Ten aanzien van beide gevallen blijkt voorts dat de staalplaten op een ongebruikelijk tijdstip, midden in de nacht, zijn opgehaald. Bovendien wilde de verdachte op 25 juni 2023 met de vrachtwagen via de personeelsingang het terrein van het bedrijf verlaten en dus niet via de hoofdingang, waar de weegbrug was gesitueerd. Dit klemt te meer, nu de verdachte heeft verklaard dat hij voor de partij staal een prijs zou betalen gerelateerd aan het gewicht van het staal. Het gaat daarnaast ook om verpakte staalplaten voorzien van stickers, die klaar stonden voor vervoer. Het komt het hof niet erg aannemelijk voor dat deze staalplaten door de verdachte of andere betrokkenen als schroot konden worden aangemerkt. Het alternatieve scenario van de verdachte – dat hij kon en mocht vertrouwen op de afspraak met [betrokkene 3] om schroot op te halen en dat daarmee sprake was van een legale transactie – is tot slot voorafgaand aan maar ook ter terechtzitting van het hof ook overigens niet nader onderbouwd.
Voor zover de raadsvrouw heeft getracht aan te voeren dat de verdachte niet een zodanig (intellectuele of materiële) bijdrage heeft geleverd aan de diefstallen dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen, merkt het hof het volgende op. Uit de verklaring van de verdachte bij de politie (bewijsmiddel 8) blijkt dat in beide gevallen opleggers zijn gebruikt die door de verdachte ter beschikking zijn gesteld teneinde staal op te laden bij het bedrijf en naar elders te transporteren. Het opladen heeft op beide tenlastegelegde pleegdata ook plaatsgevonden, op 18/19 juni 2023 is het staal ook naar elders getransporteerd, op 25 juni 2023 is het geladen staal enkel binnen het terrein van het bedrijf verplaatst. Hoewel hij op 18/19 juni zelf niet aanwezig was, heeft de verdachte zelf ook verklaard dat een ander het staal voor hem ging ophalen. Aldus heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bij de beide tenlastegelegde diefstallen een zodanige bijdrage geleverd dat ten aanzien van hem het medeplegen van deze diefstallen bewezen kan worden verklaard.
Op te leggen straf
De raadsvrouw heeft bepleit dat de opgelegde straf in eerste aanleg te hoog is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte een first offender is en dat er aansluiting dient te worden gezocht bij het delict bedrijfsinbraak, waar volgens de oriëntatiepunten een taakstraf voor staat. Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat er rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en dat op grond daarvan een gevangenisstraf niet passend en geschikt is. Mocht de verdachte worden gedetineerd, zou dit betekenen dat zijn zoon terug zou worden geplaatst in een onveilige leefsituatie. Tevens heeft de verdachte medische problemen waarvoor hij onlangs een nieuw hartventiel heeft gekregen en binnenkort moet worden geopereerd aan zijn hartklep. De revalidatie daarvan zou volgens de verdachte 2 tot 2,5 maand duren. Mocht het hof de strafoplegging in eerste aanleg volgen, dan heeft de raadsvrouw bepleit dat de proeftijd niet meer dan twee jaar zou moeten zijn, omdat twee jaar proeftijd het uitgangspunt is en er in de onderliggende zaak geen reden is om daarvan af te wijken.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich als mededader schuldig heeft gemaakt aan twee diefstallen, waarbij door de dader(s) de toegang tot de plaats van het misdrijf is verschaft door middel van valse sleutels. In dit geval is er een omvangrijke hoeveelheid staalplaten gestolen. Voor diefstallen geldt dat deze schade teweegbrengen aan de eigenaars van de weggenomen goederen en overlast en ergernis veroorzaken bij de gedupeerden, in dit geval [benadeelde] . De verdachte heeft voor die gevolgen kennelijk geen oog gehad, maar heeft zich slechts laten leiden door eigen financieel gewin.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 oktober 2024, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder voor andere strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten.
Voorts heeft het hof bij de strafbepaling acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals geschetst door de raadsvrouw en de verdachte ter terechtzitting.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het ‘Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)’ ten aanzien van ladingdiefstal en is van oordeel dat dit oriëntatiepunt het bewezenverklaarde het best benadert. Dit oriëntatiepunt dient als startpunt bij de beslissing over de straftoemeting en houdt in dit geval in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden per feit.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van 2 uren per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 primair tot het bedrag van € 34.764,09 (vierendertigduizend zevenhonderdvierenzestig euro en negen eurocent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de gemaakte kosten, aan de zijde van de benadeelde partij, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 3.928,50 (drieduizend negenhonderd achtentwintig euro en vijftig eurocent);
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 34,764,09 (vierendertigduizend zevenhonderdvierenzestig euro en negen eurocent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 208 (tweehonderdacht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 18 juni 2023;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. G. Schnitzler, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. Vogelvang, griffier,
en op 23 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Vannacht was dat zover, op de beelden waren indringers te zien. [betrokkene 1] heeft zich toen in contact gesteld met de Plant manager [aangever 2] en vervolgens is de Politie op de hoogte gesteld. Pas daarna ben ik gebeld geworden. Bij aankomst trof ik de politie ook aan.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juni 2023 (dossierpagina’s 20-23), voor zover, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 2] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :
Op zondag 25 juni 2023 omstreeks 03.15 uur waren wij verbalisanten, [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 2] , doende met de incidentenafhandeling van het werkgebied Maastricht.
Omstreeks 03.20 uur kregen wij melding van het operationeel centrum om te rijden naar [adres 3] . Dit betrof een staalbedrijf namelijk [benadeelde] . De melding kwam via het beveiligingsbedrijf. Melder zag via de beveiligingscamera`s dat er een vrachtwagen een loods was ingereden en dat er metaal werd opgeladen. Volgens melder was het ongebruikelijk dat er in de nachtelijke uren staal werd opgeladen. Vorige week had er ook een diefstal plaatsgevonden van staalplaten volgens de melder.
Omstreeks 03.25 uur kwamen wij ter plaatse bij [adres 3] , dit betrof het terrein van [benadeelde] . Wij zagen dat de poort, gelegen aan de voorzijde van het bedrijf, gesloten was. Wij zagen niemand op het terrein lopen. Wij hoorden dat het operationeel centrum zei dat de personen nog steeds aanwezig waren op het terrein en dat deze zich allen in een loods bevonden. Er zouden in totaal vier mannen aanwezig zijn in de loods.
Wij zagen dat er uit loods 12 een vrachtwagen kwam gereden. Wij zagen dat er twee mannen in de vrachtwagen zaten. Dit betrof een vrachtwagen van het bedrijf “ [bedrijf 1] ”. De vrachtwagen was voorzien van het Nederlands kenteken [kenteken 1] . De oplegger was voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 2] . De inzittenden betroffen een bestuurder en een bijrijder. Dit bleken de later aangehouden verdachten, bestuurder: [verdachte] en de bijrijder: [medeverdachte] te zijn.
Wij zagen dat er 15 staalplaten op de oplegger lagen.
Ik, [verbalisant 2] , vroeg aan [verdachte] , na het mededelen van de cautie, waar hij heen ging met de staalplaten. Ik hoorde dat [verdachte] zei naar Terneuzen. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij de staalplaten op de vrachtwagen had gezet. Wij zagen dat de handen van [verdachte] zwart en vies waren.
Via het beveiligingsbedrijf werd er een werknemer van [benadeelde] in kennis gesteld en deze kwam ter plaatse. Deze werknemer betrof [aangever 1] , hij verklaarde dat er na vrijdagavond 19.00 uur geen staal meer werd geleverd/verkocht aan klanten. Tevens verklaarde hij dat er sinds drie weken meerdere diefstallen hadden plaatsgevonden. [aangever 1] had de vrachtwagen van de verdachte gezien en verklaarde dat dit geen klant betrof van [benadeelde] en verklaarde dat er sprake was van diefstal. Van de werknemer is een afzonderlijk proces-verbaal van aangifte opgemaakt.
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 1984
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 juni 2023 (dossierpagina’s 32-33), voor zover, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Door mij werden de ter beschikking staande beelden bekeken.
Beelden bekeken vanaf 25 juni 2023 te 03.10 uur tot en met 25 juni 2023 te 03.40 uur. Ik zag:
- 03.14 uur
2 personen komen in beeld, geheel in donker kleding, pet op en iets voor het gezicht aanlopen. Opvallend is de loophouding van een van deze personen die nog al "breed" loopt. Deze personen lopen naar een deur, openen deze, en gaan de loods binnen
- 03.17 uur
grote garagedeur van loods gaat open. Vrachtauto met lege oplegger komt in beeld en rijd de loods in
-03.20 uur
garagedeur loods gaat dicht
- 03.38 uur
garagedeur gaat open en vrachtauto met oplegger nu volgeladen verlaat de loods
-03.40 uur
politie komt in beeld
5. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juni 2023 (pg. 44-48), met bijlagen, voor zover, inhoudende als verklaring van aangever [aangever 2]:
Ik doe aangifte van de diefstal, van ijzeren platen, de platen variëren in dikte van 2 tot 25 mm per stuk, met een totaal van 58.000 kilogram. De staalplaten zijn geheel eigendom van [benadeelde] . Niemand had de toestemming, noch het recht om de staalplaten wederrechtelijk weg te nemen dan wel toe te eigenen.
Ik, [aangever 2] , ben namens [benadeelde] gemachtigd tot het doen van aangifte. Ik ben operations directeur binnen [benadeelde] , [adres 2] .
Op maandag 19 juni 2023, omstreeks 08.30 uur, had ik, [aangever 2] , overleg met het hoofd van de afdeling 'na bewerken' genaamd [betrokkene 2] . Ik hoorde van [betrokkene 2] dat er meerdere pakketten weggenomen waren, uit de afdeling 'na bewerken', in de hal nabij poort 12 en 13. Ik hoorde dat [betrokkene 2] mij mededeelde dat de kraan niet op dezelfde plek hing, als waar zijn medewerkers van de afdeling hem hadden achtergelaten op zaterdag 17 juni 2023, omstreeks 00.00 uur.
Tussen zaterdag 00.00 uur en zondag 00.00 uur, is er niemand werkzaam in de hal van de afdeling 'na bewerken' en worden de rolpoorten naar beneden gesloten. De loopdeuren om de hal te betreden blijven ontgrendeld in het slot, deze zijn dus vrij te openen.
De pakketten die op zaterdag 17 juni 2023, omstreeks 15.30 uur en 00.00 uur, klaargezet waren in de hal van de afdeling 'na bewerken' voor het transport op maandag 19 juni 2023, tussen 07.00 en 19.00 uur, stonden er niet meer. De pakketten zouden op maandag 19 juni 2023, tussen 07.00 en 19.00 uur, afgehaald worden bij poort 12 en 13 middels het aangewezen transport. Dit transport geschied middels een trekker en dieplader bestemd voor grote en zware partijen metaal.
Ik, [aangever 2] , ging na het gesprek met [betrokkene 2] de beelden van de beveiligingscamera's terugkijken. Ik zag op de beelden, van zondag 18 juni 2023, omstreeks 01.43 uur, twee personen middels een pad links van het gebouw, gelegen aan de [adres 2] en het pand gelegen aan [adres 3] , richting de achterzijde lopen van [benadeelde] , gelegen aan [adres 2] .
Ik zag op de camerabeelden dat de twee personen middels de gang, de parkeerplaats aan de achterzijde van [benadeelde] , [adres 2] , betraden. Ik zag dat de twee personen ieder met een goed, gelijkend op een palletwagen c.q. karretje, met zich meetrekkend aan hun achterzijde, richting het leveranciers hekwerk lopen, rechts van het gebouw, gelegen aan de [adres 2] . Dit hekwerk is normaliter alleen te openen middels een druppel, die gescand moet worden bij een badgelezer. Alleen personeel heeft een druppel om het hekwerk te openen.
Ik zag dat de twee personen de goederen op de detectielussen van het hekwerk plaatsten, waarna het hekwerk openging. Ik zag na het openen van het hekwerk twee trekkers met ieder een dieplader, ongeladen, het terrein oprijden. Ik zag dat deze trekkers met diepladers stopten bij de afdeling 'na bewerken' poort 12 en 13. Ik zag dat de poorten opengingen. Ik zag dat de trekkers met ongeladen diepladers middels poort 12 en 13, het pand achteruit inreden. Ik zag dat de poorten dicht gingen. Omstreeks 02.29 uur, zag ik poort 12 en 13 van de afdeling 'na bewerken' opengaan. Ik zag de twee trekkers met diepladers, geladen, de afdeling 'na bewerken' uitrijden. Ik zag de twee trekkers vervolgens het terrein middels het geopende hekwerk verlaten.
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 juni 2023 (dossierpagina’s 49-50), voor zover, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Door mij werden de beelden bekeken.
Ik zag op de beelden genaamd [adres 4] op 18 juni 2023 te 02.30 uur twee trekkers met opleggers met daarop pakken in blauw rijden.
Dictum
Het hof zal echter gelet op de door de verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden, die aannemelijk worden geacht, ten voordele van de verdachte afwijken van dit oriëntatiepunt, als na te melden.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat de oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. Daarnaast zal aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 3 jaren.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij, [benadeelde] , heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 38.342,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering voor de materiele schade valt uiteen in de volgende onderdelen:
Gestolen staalplaten € 32.243,21
Kosten beveiligingsbedrijf [betrokkene 1] € 6.098,79
Daarnaast is gevorderd een bedrag van € 1.158,42 aan proceskosten te vergoeden.
Bij vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 38.232,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De proceskosten zijn toegewezen tot een bedrag van € 1.093,95. De rechtbank heeft tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven en heeft in hoger beroep verzocht de proceskosten te verhogen tot een bedrag van € 3.880,00.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk betwist.
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat, hoewel de benadeelde partij de schade heeft onderbouwd, het niet mogelijk is om te komen tot een vaststelling van de precieze schade. Immers, onduidelijk is hoeveel batches aan platen er zijn verdwenen en of deze ook daadwerkelijk gestolen zouden zijn op 18 juni 2023. Bovendien worden in het dossier ook andere bedragen genoemd ter indicatie van de waarde van de staalplaten, waardoor lastigvalt vast te stellen wat de daadwerkelijke schade is.
De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit dat de gevorderde schadeposten niet geheel voor toewijzing vatbaar zijn. Ten aanzien van de kosten van het inschakelen van beveiligingsbedrijf [betrokkene 1] is daartoe aangevoerd dat de b.t.w. in mindering dient te worden gebracht op het gevorderde bedrag. Immers, [benadeelde] is een onderneming, dus zij kan de b.t.w. aftrekken.
Ten slotte heeft de raadsvrouw verzocht een veroordeling in de proceskosten te beperken tot de proceskosten ten tijde van de behandeling in eerste aanleg. De nieuwe handelingen van de vertegenwoordiging van de benadeelde partij rechtvaardigen niet een extra 2,5 punt.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden door de gestolen staalplaten tot een bedrag van € 32.243,91. Ten aanzien van de kosten voor het inhuren van het beveiligingsbedrijf, leidt het hof uit het dossier af dat de benadeelde partij deze heeft ingehuurd zowel voor de vaststelling van de schade maar ook ter voorkoming van toekomstige diefstallen. Om deze reden wordt dit bedrag voor 50% toegewezen, hetgeen betrekking heeft op de kosten voor de vaststelling van de schade, tot een bedrag van
€ 2.520,16. Op het totale bedrag heeft het hof eerst de b.t.w. in mindering gebracht, nu de benadeelde partij deze – zoals is gesteld en niet betwist – kan verrekenen.
De verdachte is tot vergoeding van voormelde schade gehouden zodat het hof de vordering tot dat bedrag, te weten € 34.764,07, zal toewijzen.
Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat het hof de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk zal verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Ingevolge artikel 532 van het Wetboek van dient de rechter in zijn uitspraak te beslissen over de proceskosten. Een redelijke uitleg van dat artikel brengt met zich dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures wordt doorgaans bij de begroting van de proceskosten het zogenoemde liquidatietarief gehanteerd, zoals neergelegd in het ‘liquidatietarief kanton’ of het ‘liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’. Deze tarieven zijn geen recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechtelijke organisatie, maar slechts een de rechter niet bindende richtlijn.
Het hof zal daarom de proceskosten begroten volgens het liquidatietarief. Het hof is van oordeel dat gelet op de hoogte van de vordering (die de competentiegrens van de kantonrechter van € 25.000,00 overstijgt) voor zowel de rechtsgang in eerste aanleg als in hoger beroep aansluiting moet worden gezocht bij het ‘liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’.
Bij een vordering met een geldswaarde van € 20.000,00 tot € 40.000,00 (tarief III), wordt (per 1 februari 2024) elk punt in eerste aanleg gewaardeerd op een bedrag van € 786,00. De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe voor de rechtsgang in eerste aanleg: één punt voor het door zijn advocaat indienen van de vordering en één punt voor de aanwezigheid van zijn advocaat ter terechtzitting in eerste aanleg, hetgeen neerkomt op een bedrag van (2 punten x € 786,00 =) € 1.572,00.
Bij een vordering met een geldswaarde van € 20.000,00 tot € 40.000,00 (tarief III), wordt (per 1 februari 2024) elk punt in hoger beroep gewaardeerd op een bedrag van € 1.571,00. Voor de rechtsgang in hoger beroep komt aan de benadeelde 1,5 punt toe, te weten voor de aanwezigheid van zijn advocaat ter terechtzitting in hoger beroep (1 punt) en voor het opstellen van een toelichting op de vordering (0,5 punt), hetgeen neerkomt op een bedrag van (1,5 punt x € 1.571,00 =) € 2.356,50.
Het hof zal aldus de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, begroot op een totaalbedrag van (€ 1.572,00 + € 2.356,50 =) € 3.928,50.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer is toegebracht tot een bedrag van € 34.764,07.