Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-11-20
ECLI:NL:GHSHE:2024:4275
Strafrecht
Hoger beroep
2,271 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000299-24
Uitspraak : 20 november 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 29 januari 2024, parketnummer
02-325882-21, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer
16-246239-19, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
met als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats blijkens de Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 25 september 2024: [adres 1]
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. [adres 2] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, beide gekwalificeerd als ‘diefstal’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging van een eerder onder parketnummer 16-246239-19 opgelegde voorwaardelijke straf gelast, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 week.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen, behoudens de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf onder parketnummer 16-246239-19 zal toewijzen.
Namens de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de beslissing van de politierechter op de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 16-246239-19. Voorts zal het hof – gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf – de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft, in geval het hof komt tot een bewezenverklaring van beide feiten, het hof verzocht de verdachte een gevangenisstraf op te leggen, die in duur in ieder geval niet het voorarrest overstijgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof neemt bij het bepalen van de straf in het bijzonder het navolgende in aanmerking.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 3 december 2021 te Middelburg schuldig heeft gemaakt aan een tweetal winkeldiefstallen, de een bij [bedrijf 1] en de ander bij [bedrijf 2] . Daarmee heeft hij blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen. Winkeldiefstal is een hinderlijk feit en veroorzaakt schade en overlast aan de betrokken ondernemer, het personeel werkzaam in de winkel en het winkelend publiek. Het spreekt voor zich dat ook de maatschappij als geheel schade ondervindt van (winkel)diefstallen als de onderhavige, doordat de schade die door dergelijke feiten wordt veroorzaakt uiteindelijk wordt doorberekend in de consumentenprijzen van producten en doordat de kosten die gemoeid zijn met het nemen van veiligheidsmaatregelen tegen diefstallen, uiteindelijk door de consumenten worden betaald.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 september 2024, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor winkeldiefstallen. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen, net zo min als de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in een proeftijd van een eerdere veroordeling liep, waarvan thans – zoals hierna nog te bespreken – ook de vordering tot tenuitvoerlegging aan de orde is. Eveneens komt uit het uittreksel Justitiële Documentatie naar voren dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof is namens en door de verdachte naar voren gebracht dat hij een vluchteling is en er momenteel een asielprocedure bij de IND aanhangig is, waarbij de verdachte in afwachting is van een verblijfsvergunning. Voorts is gebleken dat de verdachte op dit moment voor een soortgelijk feit gedetineerd is in de PI Ter Apel en hij – naar eigen zeggen – eind december 2024 vrijkomt.
Het hof heeft in het kader van de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf voorts acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Deze oriëntatiepunten indiceren ter zake van winkeldiefstal, ingeval van veelvuldige recidive zoals hier aan de orde, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
Naar het oordeel van het hof kan, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde – hetgeen mede tot uitdrukking komt in voornoemde landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het hof is derhalve, met de advocaat-generaal, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur 1 maand met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is bij de onderhavige bewezenverklaarde twee winkeldiefstallen. Nu het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf die de duur van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, niet overstijgt, zal de verdachte niet terug hoeven naar de gevangenis.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 juni 2020 onder parketnummer 16-246239-19.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. CH.N.G.M. Starmans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. Koop, griffier,
en op 20 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. CH.N.G.M. Starmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.