Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-30
ECLI:NL:GHSHE:2024:4168
Strafrecht
Hoger beroep
2,357 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002072-22
Uitspraak : 30 december 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank
Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 8 september 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-860497-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1950,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 eerste lid aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een geldboete van € 5.000,--, subsidiair 60 dagen hechtenis. Daarnaast is beslist dat een inbeslaggenomen aanhanger met dubbele bodem (goednummer 1422667) zal worden onttrokken aan het verkeer.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsmiddelen met de in hoger beroep op 9 juli 2024 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Ten aanzien van de inbeslaggenomen aanhanger met dubbele bodem heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf, dit laatste in die zin dat daarbij nog de aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dient te worden vermeld. Verder zal het hof de door de politierechter aangehaalde wetsartikelen aanvullen, door daar expliciet ook artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan toe te voegen (welk artikel overigens wel is vermeld op pagina 6 van het vonnis).
Bewijsmiddelen
De door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen worden in zijn geheel vervangen. De politierechter heeft in het beroepen vonnis namelijk volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De bewezenverklaring van de politierechter komt uitsluitend te berusten op de hierna bedoelde bewijsmiddelen.
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring – welke bewijsmiddelen zijn opgesomd in het vonnis van de politierechter en die door het hof (in ieder geval) worden aangevuld met de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 december 2024 voor zover inhoudende dat hij elke dag in de loodsen gelegen aan [adres 2] en [adres 3] kwam – uitgewerkt in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Aanvullende overweging ten aanzien van het bewijs
Het hof verenigt zich met de nadere overweging van de politierechter ten aanzien van het bewijs, zoals vermeld op pagina’s 5 en 6 van het vonnis.
De verdediging heeft namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat hij niet wist van de aanwezigheid van hennep in de door zijn onderneming, [bedrijf] , gehuurde loodsen en hij geen zeggenschap had over die hennep. De verdachte verklaart dat hij op
31 oktober 2018 niet in de loodsen is geweest, hetgeen volgens de verdediging wordt ondersteund door de verklaring die de buurman van de locatie waar de loods zich bevindt, [getuige] , ter terechtzitting van het hof d.d. 27 november 2023 heeft afgelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Het verweer van de zijde van de verdachte vindt zijn weerlegging in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen en de overwegingen van de politierechter met betrekking tot het bewijs.
De verklaring die de getuige [getuige] ter terechtzitting van het hof d.d. 27 november 2023 heeft afgelegd, brengt het hof niet tot een ander oordeel.
Op grond van de stukken in het dossier, meer in het bijzonder de processen-verbaal bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en hun verklaring daarover bij de raadsheer-commissaris in hoger beroep, stelt het hof vast dat de verdachte op 31 oktober 2018 aanwezig is geweest in de loodsen waar die dag ruim 24 kilogram hennep is aangetroffen. Die loodsen werden gehuurd door de onderneming van de verdachte en hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij elke dag in die loodsen kwam. Verder blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , pagina 208 van het politiedossier, en de daarbij gevoegde foto op pagina 209, dat de aangetroffen tassen met hennep zichtbaar in de loods stonden.
Zoals de politierechter heeft overwogen, mag worden verondersteld dat de verdachte als feitelijk gebruiker van de loodsen op de hoogte was van wat er zich daar afspeelde en kan het niet anders zijn dan dat hij wist van de aanwezigheid van de hennep. De verklaring van de verdachte dat hij op 31 oktober 2018 niet aanwezig was in de loodsen en dat hij niet wist van de hennep merkt het hof aan als ongeloofwaardig, gelet op de wisselende verklaringen die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Zo heeft de verdachte wisselend verklaard over zijn aanwezigheid in de loodsen en over de bedrijfsvoorraadpas van zijn onderneming en de kentekenpas die zijn aangetroffen bij de medeverdachte [medeverdachte] .
Op grond van de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen stelt het hof met de politierechter vast dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de aangetroffen hennep dat hij geacht kan worden die hoeveelheid hennep aanwezig te hebben gehad en dat hij wetenschap had van de aanwezigheid die hoeveelheid hennep. Het verweer wordt verworpen.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde overweegt het hof dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte staat in directe relatie tot de handel in softdrugs, welke handel allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten tot gevolg heeft. Hennep kan niet alleen gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan, maar de handel daarin gaat vaak ook gepaard met andere (ook zware) vormen van criminaliteit. Door zijn handelwijze heeft de verdachte daaraan bijgedragen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een aanhanger, kleur wit, met dubbele bodem (goednummer 1422667).
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor staande.
Aldus gewezen door:
mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,
mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. drs. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,
en op 30 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.