Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:3995
Strafrecht
Hoger beroep
3,989 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001563-23
Uitspraak : 5 december 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank
Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 25 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-327102-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde, is het onder 1 tenlastegelegde witwassen tot een bedrag van € 7.600,-- bewezenverklaard en is de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 7.600,-- verbeurd verklaard.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep tegen de deelvrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde en de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Daarnaast is gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal veroordelen tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest en met verbeurdverklaring van het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 7.600,--.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte alsnog volledig zal worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en daarom mede gericht tegen de vrijspraak door de politierechter van hetgeen aan de verdachte onder 2 ten laste werd gelegd en ook tegen de deelvrijspraak van het onder 1 is tenlastegelegde, te weten voor zover dat het bedrag van € 7.600,-- te boven gaat. Omdat op grond van artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering voor een verdachte geen hoger beroep open staat tegen een vrijspraak, moet hij in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. Omdat de politierechter heeft volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen en de meervoudige kamer van het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, lid 3, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, zal het hof de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring in dit arrest alsnog uitwerken.
Bewijsmiddelen
1. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt d.d. 29 juni 2022, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de navolgende bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Op 29 juni 2022 omstreeks 12:30 uur bevonden wij, verbalisanten, ons op de rijksweg A73.
Wij, verbalisanten, zagen dat een Volkswagen Golf voorzien van een Nederlands kenteken werd aangeleverd teneinde de inzittenden te onderwerpen aan een controle. De bestuurder overhandigde een Nederlandse identiteitskaart en rijbewijs, voorzien van goedgelijkende foto, verder: [verdachte] .
De passagier op de passagiersstoel (voorin) overhandigde een Nederlandse identiteitskaart, voorzien van goedgelijkende foto, verder: [medeverdachte 1] . De passagier op de achterbank overhandigde een Nederlandse identiteitskaart, voorzien van goedgelijkende foto, verder:
[medeverdachte 2] .
Bij bevraging in de operationele informatiesystemen zag ik, [verbalisant 1] , dat het voertuig waar de inzittenden in reden een huurauto betrof. De huurovereenkomst stond op naam van: de heer [verdachte] .
Ik, [verbalisant 1] , vroeg wat het reisverhaal was van de inzittenden, die apart van elkaar het volgende verklaren.
[verdachte] verklaarde het volgende:
Ik, [verbalisant 1] , vroeg aan [verdachte] waar zij vandaan kwamen. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat zij in Oberhausen (Duitsland) waren geweest. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat zij op bezoek waren geweest bij een ziek familielid waarvan hij de naam niet wilde noemen. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat zij vanochtend, 29-06-2022 omstreeks 09:00 uur, vanuit Rotterdam waren vertrokken en na 2,5 uur reizen in Oberhausen zijn aangekomen. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat zij +/- 2,5 uur in Oberhausen waren verbleven en met familie hebben gepraat. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat zij daarna terug zijn gereden in de richting van Rotterdam, Nederland. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat alle inzittenden familie van elkaar waren, echter weten zij niet hoe de familielijn precies loopt.
Ik, [verbalisant 1] , vroeg of [verdachte] contant geld bij zich had. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij ongeveer 4000,00/5000,00 euro bij zich had. Ik vroeg of ik het geld mocht zien. Ik zag dat [verdachte] mij een bundeltje geld toonde uit zijn tas. Na telling zagen wij dat het ging om 7600,00 euro in coupures van 35 keer 200,00 euro en 6 keer 100,00 euro. Ik, [verbalisant 1] , vroeg aan [verdachte] hoe hij aan dit geld kwam en of hij hier opnamebewijzen van heeft. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij geen opnamebewijs heeft en dat dit geld afkomstig is van zijn onderneming in de in- en verkoop van personenauto's waarvan hij de naam en website niet wilde noemen. Ik vroeg aan [verdachte] of zij verder nog iets hadden gedaan in Oberhausen, waarna ik hem hoorde zeggen dat dit niet het geval was.
Ik, [verbalisant 1] , vroeg aan [medeverdachte 1] wat zijn reisverhaal was. Ik hoorde [medeverdachte 1] zeggen dat zij naar Oberhausen (Duitsland) waren geweest om een zieke kennis te bezoeken en een auto te bekijken voor de handel. Ik vroeg aan [medeverdachte 1] wat voor auto dit was en hoe
deze afspraak is verlopen. Ik hoorde [medeverdachte 1] zeggen dat zij naar een voor hem onbekend adres zijn gereden in Oberhausen (Duitsland) waarna hij samen met [verdachte] naar een voor hem onbekende persoon is gereden alwaar hij een Seat Ibiza heeft bekeken voor de aankoop. Ik hoorde [medeverdachte 1] zeggen dat dit voertuig niet voldeed aan zijn verwachtingen en dat hij daarom van de koop heeft afgezien. Ik vroeg of hij een advertentie kon tonen of een afspraak bevestiging had. Ik hoorde [medeverdachte 1] zeggen dat hij dit niet had of kon. Ik vroeg aan [medeverdachte 1] of hij contant geld bij zich had. Ik hoorde [medeverdachte 1] zeggen dat hij ongeveer 4000,00/5000,00 euro bij zich had in contanten. Ik zag dat [medeverdachte 1] uit zijn heup/schoudertasje een bundeltje 200,00 euro bankbiljetten en 3 keer 20,00 euro bankbiljetten haalde. Ik zag dat het bundeltje 30 keer 200,00, in totaal 6000,00 euro betrof.
Ik, [verbalisant 1] , vroeg aan [medeverdachte 2] waar zij vandaan kwamen. Ik hoorde [medeverdachte 2] zeggen dat ze uit Oberhausen (Duitsland) kwamen. Ik vroeg wat zij hier hadden gedaan.
Feiten
Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de politierechter, met uitzondering van de eerste regel van de tweede alinea op pagina 7 van het vonnis. Daar is vermeld dat de verdachte met betrekking tot het onder hem aangetroffen geldbedrag heeft verklaard dat hij spaargeld heeft opgenomen. In het dossier van de Koninklijke Marechaussee staat echter niet dat de verdachte heeft verklaard dat het gaat om spaargeld dat hij heeft opgenomen. De woorden “spaargeld heeft opgenomen ,waarvan hij” in de tweede alinea van pagina 7 van het vonnis worden daarom door het hof geschrapt.
II.
In hoger beroep is op 17 september 2024 op verzoek van de verdediging bij de raadsheer-commissaris als getuige [getuige] , eigenaar van [bedrijf] te [plaatsnaam] , gehoord. Van de zijde van de verdachte is op grond van die verklaring aangevoerd dat er aldus sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat het geld niet van misdrijf afkomstig is en dat daar door het openbaar ministerie onvoldoende tegenover is gesteld. Om die reden dient de verdachte volledig te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.
Het hof stelt vast dat de verklaring van de getuige [getuige] innerlijke tegenstrijdigheden bevat. Dit betreft onder meer tegenstrijdigheden over de vergoeding die hij aan de verdachte, die volgens de verklaring van [getuige] stage in zijn bedrijf heeft gelopen, zou hebben betaald. Aanvankelijk heeft [getuige] verklaard dat de verdachte alleen een vergoeding voor reiskosten kreeg, welk bedrag hij in een keer aan het einde van het jaar contant heeft uitbetaald. Daaraan heeft hij toegevoegd dat hij de verdachte af en toe 10 of 20 euro heeft gegeven en tussendoor nog 200 euro. Na kritisch doorvragen van de raadsheer-commissaris verklaarde de getuige dat het ook wel zou kunnen gaan om een dagtarief voor als de verdachte kwam werken en dat het bedrag exclusief de reiskosten was. De reiskosten zouden apart zijn betaald.
De verklaring van de getuige [getuige] is ook tegenstrijdig aan de verklaring van de verdachte, die op 29 juni 2022 tegenover de Koninklijke Marechaussee heeft verklaard dat het onder hem aangetroffen contante geld afkomstig is van zijn onderneming in de in- en verkoop van personenauto’s waarvan hij de naam en website niet wilde noemen. Op 30 juni 2022 (dossierpagina’s 58 en 59) heeft de verdachte verklaard dat hij samen met een vriend een bedrijf heeft dat in auto’s handelt, dat hij de naam daarvan niet wil noemen, dat het bedrijf in België zit en gevestigd is in Vlaanderen. Deze verklaring staat haaks op de verklaring van de getuige [getuige] , wiens bedrijf in Nederland is gevestigd en die bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat de verdachte slechts een stagiaire was, die werkzaamheden verrichtte zoals het smeren van banden, het schoonmaken van auto’s en die pakketjes van DHL “deed”. Ook praatte de verdachte wel eens met klanten, maar de verkoop van auto’s deed hij niet; dat deed alleen [getuige] .
Gelet op het bovenstaande is het hof - met de politierechter en de advocaat-generaal - van oordeel dat geen sprake is van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat het onder de verdachte aangetroffen contante geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is. Voor het overige verwijst het hof naar de nadere bewijsoverweging zoals vermeld in het vonnis van de politierechter. Het verweer wordt verworpen.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten aanzien van de ernst van het feit overweegt het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een geldbedrag van € 7.600,--. Witwassen is een ernstig strafbaar feit, omdat daardoor het plegen van criminele activiteiten wordt bevorderd, vergemakkelijkt en in stand gehouden. Witwassen tast bovendien de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van de inhoud van het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 oktober 2024, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld ter zake van een vermogensdelict. Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen.
Alles afwegende acht het hof het passend en geboden aan de verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per dag.
Tevens zal het hof het onder de verdachte inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 7.600,--, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend en dat vatbaar is voor verbeurdverklaring, verbeurdverklaren. Het betreft een voorwerp met betrekking tot welke het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde, voor zover dat het bedrag van
€ 7.600,-- te boven gaat en het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van hof onderworpen - ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een geldbedrag van € 7.600,--.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met in achtneming van het hierboven staande.
Aldus gewezen door:
mr. F. van Es, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. J.T.F.M. van Krieken, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,
en op 5 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. F. van Es is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt tenzij anders vermeld gedoeld op paginanummers uit het dossier van KMar Brigade Oostgrens-Midden/Zevenaar MTV, dossiernummer PL27NM/22-003382, gesloten d.d. 8 oktober 2022, met bijlagen, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 132.
Pagina’s 11-17.
Pagina 75.
Pagina’s 58-59.