Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-11-07
ECLI:NL:GHSHE:2024:3969
Strafrecht
Hoger beroep
7,438 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002151-22
Uitspraak : 7 november 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 19 september 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-993238-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:
‘medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ (feit 1);
‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 2);
‘medeplegen van, opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 3);
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de feiten 2 en 3 in eendaadse samenloop zijn begaan.
Voorts is de onder de verdachte in beslag genomen telefoon (Samsung) verbeurdverklaard.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis tijdig hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen wegens een andere bewezenverklaring van feit 3 en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. Ten slotte is verzocht dat het hof zal beslissen op de onder de verdachte in beslag genomen telefoon overeenkomstig de rechtbank.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten slotte is verzocht dat het hof de teruggave aan de verdachte zal gelasten van de onder hem in beslag genomen telefoon.
Vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt, meer in het bijzonder voor wat betreft feit 3. Dit laat onverlet dat het hof zich in belangrijke mate kan verenigen met de bewijsbeslissingen en gronden van de rechtbank voor wat betreft de feiten 1 en 2 alsook de beslissing op de onder de verdachte in beslag genomen telefoon, zodat het hof waar mogelijk onderdelen uit het vernietigde vonnis over zal nemen en tot de zijne zal maken.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ex artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s)wisten of ernstige redenen had/hadden om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)
- een hoeveelheid chemicaliën en/of grondstoffen, ten behoeve van de vervaardiging van voornoemd(e) middel(en) gekocht en/of verkocht en/of besteld en/of voorhanden gehad en/of
- hardware, te weten ketels en/of een drukvat en/of een roermotor en/of glaskolven en/of jerrycans en/of tabletteermachines gekocht en/of verkocht en/of besteld en/of voorhanden gehad en/of
- contacten onderhouden en/of gesprekken gevoerd met medeverdachten en/of
- foto’s gemaakt en/of uitgewisseld en/of
- een loods te Zaandam ter beschikking gesteld en/of verhuurd en/of gehuurd.
2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2020 te Zaandam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,(een) hoeveelhe(i)d(en) metamfetamine en/of MDMA en/of cocaïne, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine en/of MDMA en/of cocaïne, zijnde metamfetamine en/of MDMA en/of cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3.
hij op of omstreeks 11 maart 2020 te Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 43,28 kilogram metamfetamine, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Verweren van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat hoewel er voldoende wettig bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten te komen de overtuiging om tot een bewezenverklaring te komen ontbreekt.
Het wettige bewijs kan in het bijzonder worden gevonden in:
de belastende verklaring van medeverdachte [getuige 4] ;
de aanwezigheid van de verdachte ter plaatse op de dag van ontdekking en aanhouding;
de DNA-sporen van de verdachte die op verschillende voorwerpen ter plaatse zijn aangetroffen.
Daartegen heeft de verdediging ingebracht dat op de belastende verklaring van medeverdachte [getuige 4] het nodige valt af te dingen. Er is immers sprake van inconsistenties tussen zijn verklaring bij de recherche en die bij de rechter-commissaris, bijvoorbeeld dat hij bij de recherche verklaarde dat [verdachte] met de Spanjaarden naar achteren zou zijn gelopen, terwijl hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij met de Spanjaarden naar buiten is gegaan.
Daarnaast heeft de verdachte een alternatief scenario aangedragen voor zijn aanwezigheid en zijn DNA-sporen. Hij was ter plaatse aanwezig omdat hij daar eerder een werkplaats had en had gehoord dat de Spanjaarden – die zijn werkplaats in gebruik zouden hebben genomen – ter plaatse aanwezig zouden zijn, zodat hij zijn nog in de loods aanwezige spullen kon ophalen De DNA-sporen op de mondmaskers zijn aangetroffen omdat de verdachte in zijn werkplaats werkzaamheden had verricht waarbij hij mondkapjes zou hebben gedragen, zoals het schuren van boten en het mengen van verf. Aan verdachtes DNA-sporen op de knopjes van de aangetroffen witte warmhoudplaat kunnen geen conclusies worden verbonden nu dit een verplaatsbaar object is en een dergelijke warmhoudplaat allerlei toepassingen heeft. Ten aanzien van de DNA-sporen van de verdachte welke zijn aangetroffen op de blauwe ketelafsluiters heeft de verdachte verklaard dat hij niet weet hoe deze daar zijn gekomen, doch dat hij vermoedt dat deze afsluiters van verdachtes eigen gereedschap zijn afgehaald om bij de productie van de drugs te kunnen gebruiken.
Daarbij is ten slotte nog van de zijde van de verdediging aangevoerd dat de verdachte weliswaar in eerste aanleg heeft verklaard te weten hoe synthetische drugs moet worden geproduceerd, maar dat hij eerder is veroordeeld ter zake van de productie van MDMA en dat de productie van methamfetamine een ander productieproces betreft dat veel uitgebreider en meer complex is.
Gelet op al het vorenstaande dient derhalve de verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Overneming gronden
Het hof neemt ingevolge artikel 423, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, uit het vernietigde vonnis de navolgende overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne:
de bewijsoverwegingen onder de kop ‘Algemeen’;
de bewijsoverwegingen onder de kop ‘Productie metamfetamine’;
de bewijsoverwegingen onder de kop ‘Voorbereidingshandelingen’.
Aanvullende overwegingen van het hof
Hoewel het hof ervan uitgaat dat de productieprocessen van MDMA enerzijds en metamfetamine anderzijds (op onderdelen) verschillen, maakt dit naar het oordeel van het hof niet dat de verdachte zich daarom – mede bezien tegen de achtergrond van de bewijsmiddelen en verdachtes veroordelingen wegens eerdere vergelijkbare feiten – niet (mede) schuldig zou kunnen hebben gemaakt aan de productie van metamfetamine. Zelfs al zou dat productieproces complexer zijn dan dat van MDMA, dan neemt dat niet weg dat de verdachte in belangrijke mate bekend was met de context van de productie van synthetische drugs en het – op meta-niveau beschouwd – werken met chemische processen.
Daaraan voegt het hof toe dat uit de bevindingen van het LFO is gebleken dat er – op het moment van de inval bij het lab – werd geproduceerd. In een dergelijk geval ligt het a priori niet in de rede – nu ontdekking daarvan met de daaraan verbonden risico’s moet worden voorkomen – dat wordt toegestaan dat personen die niets met dat lab te maken hebben, daarbij in de buurt mogen komen. Dat geldt te meer voor het toelaten van dergelijke personen ín de loods waar dat lab zich bevindt en waar op dat moment wordt geproduceerd.
Opzettelijk aanwezig hebben metamfetamine
Zoals overwogen is de verdachte als medepleger betrokken geweest bij de voorbereiding van metamfetamine productie en bij de daadwerkelijke productie daarvan. Hij wist dat in de loods aan [adres 2] een in werking zijnd drugslab aanwezig was en dat aldaar metamfetamine werd geproduceerd. De verdachte had aldus de beschikkingsmacht en het opzet op het aanwezig hebben van (een materiaal bevattende) metamfetamine.
Anders dan de rechtbank overweegt het hof als volgt ten aanzien van de aangetroffen hoeveelheid metamfetamine. Ter plaatse zijn de volgende hoeveelheden aangetroffen:
2,1 kilogram crystal meth;
6,18 kilogram metamfetamine kristallen;
35 kilogram metamfetamine tartraat.
Uit de processen-verbaal van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) blijkt dat bij de productie van metamfetamine een mengsel ontstaat van respectievelijk linksdraaiende en rechtsdraaiende metamfetamine in een 1:1-verhouding. De linksdraaiende variant betreft levo-metamfetamine (of l-metamfetamine) en de rechtsdraaiende variant betreft dextro-metamfetamine (of d-metamfetamine).
Van deze twee varianten heeft d-metamfetamine een aanzienlijk sterkere werking. Deze variant wordt ook wel aangeduid als ‘Crystal meth’ of ‘Ice’.
De l-metamfetamine daarentegen heeft juist een minder sterke werking. Deze l-metamfetamine kan echter worden omgezet in (opnieuw) een racemisch mengsel van d- en l-metamfetamine (in dezelfde 1:1-verhouding), welk mengsel vervolgens weer kan worden gescheiden in d-metamfetamine (Crystal Meth) en l-metamfetamine.
Uit de bevindingen van het LFO blijkt dat het terug omzetten van l-metamfetamine naar een mengsel van l-metamfetamine en d-metamfetamine plaatsvond in het lab aan [adres 2] , en dat daarmee de opbrengst van het productieproces vergroot kan worden.
Zowel d-metamfetamine als l-metamfetamine als het racemisch mengsel van die twee staan vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Bovendien worden ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Opiumwet, zouten van substanties gelijkgesteld met de substanties zelf.
Gelet hierop, en gelet op het feit dat de tartraatvorm van metamfetamine een zoutvorm daarvan betreft, wordt aldus deze tartraatvorm voor de toepassing van de Opiumwet en de daarop berustende bepalingen gelijkgesteld aan de metamfetamine zoals vermeld op lijst I bij de Opiumwet.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;
verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 GSM Samsung in zwarte hoes, IBN 61LLP.01.001.
beveelt de gevangenneming van de verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.
Aldus gewezen door:
mr. G.C. Bos, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 7 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. G.C. Bos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Dictum
Daarom moet ook dit metamfetaminetartraat worden beschouwd als een middel als bedoeld op de bij die wet behorende lijst I.
Indachtig het hiervoor overwogene concludeert het hof dat op 11 maart 2020 de tenlastegelegde hoeveelheid van 43,28 kilogram metamfetamine ter plaatse aanwezig is geweest en dat de verdachte – gelet op zijn rol bij het produceren daarvan – die hoeveelheid ook opzettelijk aanwezig heeft gehad nu hij wist van de aanwezigheid ervan en daarover de feitelijke macht kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken.
Resumé
Al hetgeen overigens nog door de verdediging is aangevoerd, vindt weerlegging in de bewijsmiddelen. Het hof verwerpt dan ook het tot vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde strekkende verweer in al zijn onderdelen.
Voorwaardelijke verzoeken tot het horen van getuigen
Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 oktober 2024 is van de zijde van de verdediging (voorwaardelijk) verzocht om – indien het hof niet tot een integrale vrijspraak van de verdachte komt – de volgende personen als getuigen te horen: [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] .
Het hof overweegt dat de voorwaarde die de raadsman aan deze voorwaardelijke verzoeken ten grondslag heeft gelegd, is ingetreden, nu het hof tot een bewezenverklaring komt van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof wijst af de verzoeken tot het horen als getuigen van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , aangezien deze getuigen reeds in eerste aanleg door de rechter-commissaris zijn gehoord. Daarbij is de verdediging in de gelegenheid geweest om deze getuigen en/of hun verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen. Van de zijde van de verdediging is onvoldoende gemotiveerd waarom deze personen opnieuw als getuige zouden moeten worden gehoord zodat naar het oordeel van het hof de noodzaak ontbreekt om deze getuigen opnieuw te (doen) horen.
Het hof wijst voorts af het verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige omdat – mede beschouwd tegen de achtergrond van de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder de aangetroffen DNA-sporen waarvan het DNA-profiel matcht met dat van de verdachte – niet duidelijk is geworden hoe het verhoor van deze getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te verstevigen en de uiteindelijke uitkomst in de onderhavige zaak te beïnvloeden. Bij die stand van zaken kan worden aangenomen dat de verdediging niet in enig belang is geschaad door afwijzing van het verzoek.
Het hof heeft, bij de beoordeling van voormelde voorwaardelijke verzoeken, tevens de vraag betrokken of de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het hof is van oordeel dat dit het geval is.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en/of stoffen, voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft bepleit dat de vordering van de advocaat-generaal buiten proportie is en dat het hof bij de strafoplegging rekening zal houden met de navolgende feiten en omstandigheden.
In de eerste plaats heeft de verdachte in zaken die met de onderhavige te maken hebben, al een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren opgelegd gekregen. Weliswaar betrof dat een ander onderzoek maar in feite zijn de verschillende onderzoeken puur om logistieke redenen uit elkaar getrokken. Daarnaast was de detentiesituatie van de verdachte aanzienlijk zwaarder dan voor iemand zonder medische problemen en dient met zijn slechte gezondheid ook in strafmatigende zin rekening te worden gehouden in de onderhavige zaak. Ten slotte heeft de rechtbank de verdachte ten onrechte als ‘spin in het web’ bestempeld, terwijl daarvoor geen bewijs is, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het medeplegen van het voorbereiden van metamfetamineproductie (feit 1), het medeplegen van metamfetamineproductie (feit 2), en het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van metamfetamine (feit 3).
Het is een feit van algemene bekendheid dat de drug metamfetamine vanaf het eerste gebruik direct verslavend is en dat gebruikers snel meer gebruiken om de euforische effecten te kunnen blijven ervaren. Metamfetamine heeft een verwoestend effect op de gezondheid van de gebruikers. Niet alleen is er zichtbare lichamelijke schade door bijvoorbeeld huid- en gebitsproblemen, ook kan veelvuldig gebruik zorgen voor psychische klachten. Bij langdurig gebruik kan metamfetamine dodelijk zijn.
De verdachte heeft zich om al deze gevolgen kennelijk niet bekommerd en met zijn handelen mede het aanbod van dit zeer schadelijke middel in stand gehouden.
De productie van, de handel in en het gebruik van drugs leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van ernstige en ondermijnende criminaliteit en vormt een bron van overlast voor de samenleving. De belangen in de handel en productie worden met regelmaat beschermd door geweld en/of bedreiging daarmee. Ook van het witwassen van de grote winsten gaat een corrumperende en ondermijnende werking uit voor de maatschappij.
Ten slotte gaat de productie van dergelijke harddrugs gepaard met direct gevaar voor schade aan het milieu, veroorzaakt door illegale dumpingen en lozingen, en bestaat er brand- en ontploffingsgevaar bij het onprofessioneel opslaan en bewerken van diverse chemicaliën. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en er ook geen enkele blijk van gegeven acht te hebben geslagen op deze gevaren en gevolgen.
Bij de bepaling van de strafmaat heeft het hof acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Dictum
Daaruit blijkt voor de productie van een hoeveelheid van meer dan 20 kilogram harddrugs waarbij geen sprake is van productie in de context van een criminele organisatie, als oriëntatiepunt een gevangenisstraf vanaf 50 maanden is geformuleerd. Bij productie waarbij sprake is van een context van een criminele organisatie geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf vanaf 72 maanden.
In het nadeel van de verdachte wordt betrokken dat sprake is van een zeer professioneel laboratorium waarin op grote schaal metamfetamine kon worden geproduceerd en ook aanzienlijke hoeveelheden metamfetamine en afval behorend bij metamfetamineproductie zijn aangetroffen.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 augustus 2024, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij – voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten – meermalen is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Dit heeft ten nadele van de verdachte meegewogen bij het bepalen van de straf.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof wil bij gebrek aan enige medische onderbouwing aannemen dat de verdachte kampt met gezondheidsproblemen. Gezien de overige omstandigheden heeft het hof hieraan echter bij het bepalen van de strafmaat geen doorslaggevende betekenis toegekend.
Redelijke termijn
Ten slotte heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is niet overschreden.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 22 september 2022 met het instellen van hoger beroep namens de verdachte, en eindigt heden, 7 november 2024, met het wijzen van het onderhavige arrest. Daarmee is de redelijke termijn van 24 maanden in hoger beroep met ongeveer 6 weken overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.
Het hof zal echter volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden gelet op de beperkte duur van deze overschrijding afgezet tegen de omvang van het onderzoek en het feit dat de onderhavige zaak binnen vier jaren na aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg is afgedaan.
Resumé
Alles afwegende is het hof van oordeel dat gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, passend en geboden is.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in verband met een juiste normhandhaving en vanuit het perspectief van vergelding en speciale preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf zoals door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt. Het hof komt derhalve, mede tegen de achtergrond van eerdere veroordelingen van de verdachte wegens soortgelijke feiten en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, tot een hogere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Bij arrest van heden wordt de verdachte veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het opzettelijk bereiden van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet alsmede het medeplegen van het opzettelijk bereiden van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet en het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 43,28 kilogram van een middel als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, tot een gevangenisstraf van 5 jaren.
Gezien het extreem lucratieve karakter van deze bewezenverklaarde feiten en het daarmee samenhangende gevaar voor herhaling, alsmede gezien het strafblad van de verdachte waarop relevante recidive voorkomt, acht het hof het noodzakelijk bij arrest de gevangenneming van de verdachte te bevelen.
De vrijheidsbeneming van de verdachte komt behalve op het gevaar voor herhaling, te rusten op artikel 5 lid 1 sub a van het EVRM. Dat betekent dat niet zonder meer van kracht is het recht van de verdachte om zijn berechting in vrijheid af te wachten, nu die berechting door een daartoe bevoegde rechter heeft plaatsgevonden.
Het hof heeft ambtshalve de persoonlijke belangen van de verdachte zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken, gewogen tegen de strafvorderlijke belangen en gezien het vorenstaande en de duur van de op te leggen straf, acht het hof de strafvorderlijke belangen van zwaarder gewicht, zodat het hof bij afzonderlijke beschikking de gevangenneming van de verdachte zal bevelen met ingang van heden.
Verbeurdverklaring
Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp dat aan de verdachte toebehoort, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 bewezenverklaarde is begaan en met behulp waarvan het onder 2 bewezenverklaarde is begaan of voorbereid. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften