Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:3873
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,249 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 5 december 2024
Zaaknummer: 200.276.951/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/220659 / FA RK 16-1624
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende op een bij het hof bekend adres
,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M. Dorgelo,
tegen
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. A. Hollman.
Deze zaak gaat over de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2012.
(In de eerdere beschikkingen in deze zaak staan de voornamen van de minderjarige van voor zijn voornaamwijziging. Bij beschikking van 7 februari 2024 heeft het hof Den Haag de wijziging van de voornamen van de minderjarige gelast in ‘ [minderjarige] ’.)
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
Stichting [stichting] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
Raad voor de Kinderbescherming,
regio [regio] , locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
9De beschikking van 14 september 2023
Bij de beschikking van 14 september 2023 heeft het hof de volgende voorlopige contactregeling vastgesteld:
- tot en met december 2023 is er een rustperiode, [minderjarige] wordt al wel ingelicht door de GI dat hij vanaf januari 2024 kaarten gaat krijgen van zijn vader;
- in deze rustperiode zoekt de GI een neutrale hulpverlenende instantie voor [minderjarige] en de vader en de moeder (die de ouders ieder afzonderlijk) kunnen begeleiden bij het sturen en ontvangen van de kaarten;
- de kaartjes worden door de vader verstuurd met ingang van januari 2024 in zeer regelmatige frequentie (dat wil zeggen circa twee keer per maand);
- mocht er in januari 2024 nog geen hulpverlenende instantie beschikbaar zijn dan zal de GI de taak op zich nemen om de ouders en/of [minderjarige] te helpen bij het versturen en ontvangen van de kaarten.
Bij die beschikking heeft het hof verder:
- de GI verzocht uiterlijk 15 december 2023 het hof schriftelijk te informeren over de stand van zaken met betrekking tot hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 7.5.2. tot en met 7.5.5. onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van die brief aan de advocaten van de moeder en de vader en de raad;
- de advocaten van partijen en de raad in de gelegenheid gesteld te reageren binnen veertien dagen na ontvangst van de brief van de GI, dat wil zeggen uiterlijk op 29 december 2023;
- de GI verzocht uiterlijk 1 juni 2024 het hof, met afschrift aan partijen en de raad, schriftelijk te informeren over het in juli 2024 op te starten begeleide omgangstraject en de stand van zaken, zoals overwogen in rechtsoverweging 7.4.2. tot en met 7.7.5.;
- de advocaten van partijen en de raad in de gelegenheid gesteld te reageren binnen veertien dagen na ontvangst van de brief van de GI, dat wil zeggen uiterlijk op 14 juni 2024;
- de advocaten van de moeder en de vader en/of de raad verzocht het hof tussentijds bij stagnatie of bijzonderheden schriftelijk te informeren over de stand van zaken;
- iedere verder beslissing aangehouden.
10Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
10.1.
Het hof heeft nadien ontvangen:
- een V-formulier van de advocaat van de moeder van 24 oktober 2023 met bijlage;
- een brief van de GI van 8 januari 2024;
- een brief van de raad van 18 januari 2024;
- een V-formulier van de advocaat van de vader van 23 januari 2024 met een brief;
- een V-formulier van de advocaat van de moeder van 24 januari 2024 met een brief;
- een V-formulier van de advocaat van de vader van 5 juni 2024;
- een brief van de GI van 11 juni 2024;
- een brief van de GI van 17 juni 2024;
- een V-formulier van de advocaat van de vader van 21 juni 2024 met een brief met bijlagen;
- een V-formulier van de advocaat van de moeder van 5 juli 2024 met een brief.
10.2.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft hiervan gebruik gemaakt en hij heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van de ouders en overige belanghebbenden en in aanwezigheid van de griffier met de voorzitter gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
10.3.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. N.S. van Es (waarnemend advocaat voor mr. Dorgelo), en door een tolk R. Dosky (tolkennummer 40663);
- de vader, bijgestaan door mr. P.A. van Enckevort (waarnemend advocaat voor mr. A. Hollman en door een tolk M. Kadro (tolkennummer 20643);
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
11De verdere beoordeling
Het verloop na de beschikking van 14 september 2023
11.1.
Bij beschikking van 2 oktober 2023 heeft de rechtbank Den Haag de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een half jaar, tot 6 april 2024. De behandeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is voor het overige aangehouden. Beschikking van 26 maart 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 6 oktober 2024.
Hierna heeft de GI geen verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] meer verzocht en is de ondertoezichtstelling beëindigd.
11.2.
De GI heeft met ingang van januari 2024 het navolgende stappenplan opgesteld met betrekking tot het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader, waarbij voor [minderjarige] een tweede jeugdbeschermer ( [jeugdbeschermer] ; hierna: jeugdbeschermer) is betrokken om uitvoering te geven aan het stappenplan:
- week 3 (15 t/m 19 januari): jeugdbeschermer gaat eerste kaartje van vader met [minderjarige] lezen;
- week 5: jeugdbeschermer gaat tweede kaartje van vader met [minderjarige] lezen;
- week 7: jeugdbeschermer gaat derde kaartje van vader met [minderjarige] lezen;
- week 9: [minderjarige] gaat bellen met vader, begeleid door jeugdbeschermer;
- week 11: [minderjarige] gaat bellen met vader, begeleid door jeugdbeschermer;
- week 13: [minderjarige] gaat videobellen met vader, begeleid door jeugdbeschermer;
- week 15: [minderjarige] gaat videobellen met vader, begeleid door jeugdbeschermer;
- week 17: eerste fysieke ontmoeting van [minderjarige] en vader, begeleid door jeugdbeschermer, een half uur;
- week 19: tweede fysieke ontmoeting van [minderjarige] en vader, begeleid door jeugdbeschermer, een uur.
De GI heeft bij dit stappenplan verder bepaald:
- dat de kaartjes worden geschreven in het Nederlands en worden gestuurd naar het adres van de GI t.a.v. [vertegenwoordiger van de GI] ;
- dat wanneer een ‘onderdeel’ niet lukt, het verschuift naar twee weken later. Het schema is flexibel daarin.
11.3.
In de periode van februari tot en met juni 2024 heeft de jeugdbeschermer zeven huisbezoeken bij [minderjarige] afgelegd.
Dictum
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 maart 2020, voor zover het betreft de vaststelling van een omgangsregeling inclusief dwangsom en de afwijzing van het verzoek van de moeder tot ontzegging van het recht op omgang van de vader met [minderjarige] ,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
ontzegt de vader het recht op omgang met [minderjarige] , geboren te Venlo op 6 februari 2012;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.C. Dumoulin en E.P. de Beij en is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024 door mr. E.M.D.M. van der Linden in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
[minderjarige] heeft tijdens die bezoeken de kaartjes die de vader voor hem heeft gestuurd niet willen lezen of zien en het cadeau dat de vader voor zijn verjaardag heeft gestuurd (parfum) niet willen openen of zien.
Het stappenplan is bij de eerste stap gestagneerd. Er heeft geen contactherstel tussen [minderjarige] en de vader plaatsgevonden.
Nadere standpunten
11.4.
De moeder voert, samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] blijft heel stellig in zijn weigering om de kaarten van de vader te lezen, ondanks de gesprekken die de jeugdbeschermer met hem heeft gevoerd. [minderjarige] bouwt een steeds grotere weerstand op tegen contactherstel met de vader en het frustreert hem als door de moeder of de jeugdbeschermer er naar wordt gevraagd. Doorgaan met het toewerken naar contactherstel met de vader in weerzin van [minderjarige] is schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder wenst dat de procedure stopt zonder vaststelling van een (opbouw naar een) omgangsregeling, zodat [minderjarige] zijn positieve ontwikkeling kan voortzetten. Met behulp van de GI wordt een goed borgingsplan opgesteld, zodat [minderjarige] , wanneer hij in de toekomst behoefte heeft aan contact met de vader, dat erbij kan nemen.
De moeder verzoekt het hof daarom een eindbeschikking te wijzen en de vader het recht op omgang met [minderjarige] te zeggen op grond van artikel 1:377a lid 3 sub a en c van het Burgerlijk Wetboek (BW).
11.5.
De vader voert, samengevat, het volgende aan.
De vader staat al jaren aan de zijlijn. Het is voor hem zeer teleurstellend hoe de hulpverlening is verlopen. Hij heeft conform het stappenplan kaarten voor [minderjarige] aan de GI verstuurd. De vader is daarmee gestopt, omdat de GI tijdens de mondelinge behandeling op 26 maart 2024 over de verlenging van de ondertoezichtstelling de vader heeft verzocht voorlopig geen kaarten meer te sturen. Daarna heeft de GI geen contact meer met de vader of met de advocaat van de vader gezocht. In de begeleiding van de vader is een stuk blijven liggen. Er is opnieuw een impasse ontstaan. Dit kan de vader niet worden verweten. De vader heeft de GI nog gevraagd wanneer de videogesprekken met [minderjarige] starten, maar daarop is ook geen reactie gekomen.
Door de gang van zaken vervreemdt [minderjarige] steeds meer van zijn vader. De vader wordt zonder gegronde reden afgewezen door [minderjarige] . Hij mist [minderjarige] en wil hem graag zien. De moeder heeft een belangrijke rol in het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader, maar het lukt haar niet om [minderjarige] te motiveren om de vader beter te leren kennen. Door niets te doen wordt het onjuiste beeld dat [minderjarige] van de vader heeft enkel versterkt en wordt de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] groter. De vader wenst hulp om tot contactherstel met [minderjarige] te komen.
11.6.
De GI heeft, samengevat, het volgende naar voren gebracht.
[minderjarige] heeft tijdens de huisbezoeken van de jeugdbeschermer de kaartjes die de vader voor hem heeft gestuurd niet willen lezen en het cadeau van vader niet willen openen. [minderjarige] stond hiervoor niet open. De jeugdbeschermer merkte dat [minderjarige] weerstand ging opbouwen tegen de huisbezoeken en dat hij zich niet gehoord voelde. Daarom is besloten om met die huisbezoeken te stoppen. De moeder belemmert contactherstel tussen [minderjarige] en de vader niet. [minderjarige] weigert zelf contact met de vader.
[minderjarige] heeft in de afgelopen jaren een grote ontwikkeling doorgemaakt. Hij zit nu op het voortgezet onderwijs en het gaat goed met hem op school en thuis. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is beëindigd, omdat er geen gronden voor een ondertoezichtstelling meer zijn. De GI is nog wel betrokken bij het opstellen van een borgingsplan (op grond van een zogenoemde 2a-procedure). In dat kader zal voor [minderjarige] een doos gemaakt worden waarin het adres van de vader zit en de kaarten die de vader voor [minderjarige] heeft gestuurd. Als de vader nog een brief aan [minderjarige] wil schrijven, kan die erbij. De moeder zal de doos voor [minderjarige] bewaren. In het borgingsplan zal de GI ook meenemen hoe de communicatie tussen de ouders in het kader van de informatieregeling gaat verlopen, wanneer de advocaten niet meer betrokken zijn.
11.7.
De raad heeft, samengevat, het volgende geadviseerd.
De raad ziet dat [minderjarige] een mooie ontwikkeling heeft doorgemaakt. Het ontbreken van contact met de vader blijft wel een ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . In de voor [minderjarige] ingezette speltherapie is eerder al gekeken naar de mogelijkheden voor contactherstel. Dat is toen niet gelukt. De begeleiding die daarna door de GI is ingezet was goed, maar heeft tot niets geleid. [minderjarige] zit inmiddels op de middelbare school en er is geen opening voor contactherstel met de vader bij hem. Hij wil dat niet langer wordt ingezet op contactherstel. De raad kan zich daarin vinden.
Ten aanzien van het verzoek tot ontzegging van de omgang heeft de raad geen advies. Die beslissing laat de raad over aan het hof.
De raad kan zich voorstellen dat de ouders afspreken dat de vader met de verjaardagen van [minderjarige] een kaartje blijft sturen. Als [minderjarige] het kaartje niet wil lezen, dan gaat het ook in de doos die daarvoor is gemaakt. Het is belangrijk dat als er belangrijke wijzigingen zijn in het leven van de vader, dat de vader dat meldt. Het is ook belangrijk dat de vader met betrekking tot [minderjarige] op de hoogte kan blijven. Het is goed om te onderzoeken of de ouders onderling aan de informatieregeling uitvoering kunnen gaan geven, zonder de betrokkenheid van hun advocaten.
11.8.
Het hof overweegt als volgt.
11.8.1.
Ter beoordeling ligt voor het verzoek van de moeder tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank van 26 maart 2020 (naar het hof begrijpt) voor zover het betreft de bepaling van een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] , de veroordeling van de moeder om mee te werken aan de omgangsregeling op verbeurte van een dwangsom én de afwijzing van het verzoek van de moeder tot ontzegging van het recht op omgang van de vader met [minderjarige] .
11.8.2.
Ingevolge artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Ingevolge lid 2 stelt de rechter op verzoek van de ouders of één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Volgens het bepaalde in lid 3 ontzegt de rechter het recht op omgang slechts indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
11.8.3.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is het volgende gebleken.
[minderjarige] heeft in zijn ontwikkeling afgelopen jaren goede stappen gezet. Wel is hij standvastig gebleven in het weigeren van contact met de vader.