Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:3868
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,964 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 5 december 2024
Zaaknummer : 200.345.184/01
Zaaknummers 1e aanleg: C/03/329724 / JE RK 24-586
C/03/329725 / JE RK 24-587
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. D.M.J.M.G. Cuijpers,
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg ,
gevestigd en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Deze zaak gaat over:
[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] , België ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.J.D.D. Burhenne.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio [regio] , locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, uitgesproken onder voormelde zaaknummers op 30 mei 2024 en op schrift gesteld op 13 juni 2024.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 augustus 2024, heeft de vader verzocht om rechtsoverwegingen 5.1. en 5.2. van de bestreden beschikking, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 7 juni 2025 wordt verlengd. Kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 september 2024, heeft de moeder verzocht om de vader nietontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, onder bekrachtiging van de bestreden beschikking (waarin de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar wordt verlengd), met veroordeling van de vader in de proceskosten van de onderhavige procedure.
2.3.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 oktober 2024, heeft de GI verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, eventueel onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 november 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door mr. Cuijpers;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] , [vertegenwoordiger van de GI 2] en [vertegenwoordiger van de GI 3] , bijgestaan door mr. I. Gelissen;
de moeder, bijgestaan door mr. Burhenne;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] .
2.4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, twee andere door de vader bij dit hof aanhangig gemaakte zaken behandeld omtrent – kort gezegd – het verzoek van de moeder om vervangende toestemming tot verhuizing naar België, de (zelfstandige) verzoeken van de vader omtrent de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de wijziging van de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zaaknummer 200.345.796/01) en het verzoek van de GI om de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te wijzigen op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) (zaaknummer 200.345.798/01).
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
de brief van de raad d.d. 12 september 2024;
de tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Cuijpers overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen.
Feiten
3.1.
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk tussen de moeder en de vader zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 7 juni 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd.
Procesverloop
3.3.
De GI heeft in eerste aanleg de rechtbank verzocht om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar.
3.4.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd voor de gevraagde duur, tot 7 juni 2025.
Procesverloop
3.5.
De vader kan zich met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verenigen, maar niet met de gronden waarop deze verlenging is gebaseerd. Om die reden heeft de vader hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing van de rechtbank.
3.6.
De vader heeft in het beroepschrift twee grieven tegen de bestreden beschikking gericht. Voor de inhoud van die grieven verwijst het hof kortheidshalve naar de inhoud van het beroepschrift.
Intrekking van het hoger beroep
3.7.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn hoger beroep tegen de beschikking van 30 mei 2024 ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de vader zijn grieven tegen de bestreden beschikking niet langer handhaaft. Dit brengt met zich dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep.
3.8.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep haar verzoek om de vader in de proceskosten van deze procedure te veroordelen gehandhaafd.
Proceskostenveroordeling
3.9.
De moeder heeft aan haar verzoek om de vader in de proceskosten te veroordelen het volgende ten grondslag gelegd.
De moeder komt niet in aanmerking voor een toevoeging. Zij wordt geconfronteerd met hoge proceskosten terwijl de vader geen belang heeft bij de onderhavige procedure. De vader is het immers eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder hoopt dat met een proceskostenveroordeling aan de vader het signaal wordt afgegeven dat hij moet stoppen met het voeren van nodeloze procedures en daarmee ook met het voeren van strijd met de moeder .
3.10.
De vader heeft hiertegen het navolgende verweer gevoerd.
De vader is het weliswaar eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar de rechtbank heeft in de bestreden beschikking de feiten en omstandigheden waarop die beslissing is gebaseerd niet juist benoemd. Dat kan mogelijk gevolgen hebben voor de twee andere bij het hof aanhangige procedures omtrent het verzoek van de moeder om vervangende toestemming tot verhuizing naar België en het verzoek van de GI om de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te wijzigen op grond van artikel 1:265g BW. De vader heeft het recht om de bestreden beschikking door het hof te laten toetsen. Er is geen sprake van een nodeloze procedure. De vader verzoekt het hof om de proceskosten in hoger beroep tussen partijen te compenseren.
Motivering
3.11.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
3.11.1.
Ingevolge artikel 237 lid 1 Rv wordt de partij die in het ongelijk wordt gesteld veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.
3.11.2.
In familiezaken is het gebruikelijk dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof ziet in deze zaak echter aanleiding om de vader te veroordelen in de proceskosten. De vader heeft deze proceskosten nodeloos veroorzaakt. De vader heeft immers hoger beroep tegen de bestreden beschikking ingesteld, terwijl hij het wel eens was (en nog steeds is) met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader wil dus geen ander dictum. Alhoewel er ook in dat geval belang kan zijn bij een hoger beroep, is dat hier niet aan de orde. De bezwaren van de vader tegen de overwegingen van de rechtbank richten zich niet tegen een dragende overweging inzake het geschil die gezag van gewijsde zou kunnen krijgen, maar tegen de gehele inhoudelijke beoordeling van de rechtbank. De vader heeft ook niet uitgelegd op welke manier het in stand laten van de overwegingen van de rechtbank gevolgen heeft voor zijn positie in andere procedures en waarom het om die reden noodzakelijk was om hoger beroep in te stellen. De vader heeft weliswaar zijn hoger beroep ingetrokken, maar pas nadat de moeder een verweerschrift heeft ingediend en het voorgaande op de mondelinge behandeling is besproken.
3.11.3.
Het hof zal voor de hoogte van de proceskosten aansluiten bij het toepasselijke liquidatietarief. Het hof gaat daarbij uit van tarief II in hoger beroep (zaken van onbepaalde waarde) van € 1.214,- per punt. Nu sprake was van een gelijktijdige mondelinge behandeling met twee andere door de vader bij het hof aanhangig gemaakte zaken, ziet het hof aanleiding om – in afwijking van het liquidatietarief – rekening te houden met een 0,5 punt voor het bijwonen van de mondelinge behandeling. Het hof begroot de totale proceskosten aan de zijde van de moeder op 1,5 x € 1.214,- = € 1.821,- (1 punt voor het indienen van een verweerschrift en 0,5 punt voor het bijwonen van de mondelinge behandeling). In de onderhavige zaak is door het hof ten laste van de moeder geen griffierecht geheven, zodat de proceskosten voor de vader beperkt blijven tot het liquidatietarief.
De slotsom
3.12.
Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna onder 4 vermeld.
Dictum
Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in het verzoek in hoger beroep;
veroordeelt de vader in de proceskosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de moeder begroot op € 1.821,- aan salaris advocaat.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, A.M. Bossink en M.J.C. van Leeuwen en is op 5 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.