Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:3867
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,814 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 5 december 2024
Zaaknummer : 200.344.958/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/03/330418/ JE RK 24-701
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio [regio] , locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling),
- [de oma],
wonende te [woonplaats] ,
hierna: de oma.
Als informant wordt aangemerkt:
- [de stiefvader],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de stiefvader.
In het kort
De moeder is het er niet mee eens dat de rechtbank [minderjarige 1] (6 jaar) en [minderjarige 2] (3 jaar) onder toezicht heeft gesteld.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 22 mei 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen af te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 oktober 2024, heeft de raad verzocht het hoger beroep af te wijzen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 november 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de moeder;
de raad, vertegenwoordig door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
de stiefvader.
De oma is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Beoordeling
3.1.
Uit de moeder zijn geboren:
- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), op [geboortedatum] 2021 in
[geboorteplaats] .
Als het hof in deze beschikking het over ‘de kinderen’ heeft, worden hiermee [minderjarige 1] en [minderjarige 2] genoemd. De moeder en de oma oefenen samen het gezag uit over de kinderen. De moeder woont samen met de stiefvader. Uit het raadsrapport van 29 april 2024 blijkt dat het gezin van de moeder en de stiefvader ook bestaat uit andere kinderen van de moeder en de vader uit eerdere relaties, dit zijn [minderjarige 3] (16 jaar), [minderjarige 4] (13 jaar), [minderjarige 5] (12 jaar), [minderjarige 6] (9 jaar) en [minderjarige 7] (5 jaar).
3.2.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de kinderen met ingang van 22 mei 2024 voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de GI.
3.3.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voert ze – samengevat – het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er sprake is van een zorgelijke thuissituatie en dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De kinderen worden niet ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De moeder hield [minderjarige 1] alleen thuis van school als ze koorts had en moest overgeven, maar er was geen sprake van ongeoorloofd of regelmatig schoolverzuim. [minderjarige 1] heeft geen achterstand in haar taalontwikkeling en van logopedie is geen sprake. [minderjarige 2] loopt ver voor op het gebied van taalontwikkeling en zij gaat vier dagen per week van 08.30 uur tot 12.30 uur naar de peuterspeelzaal. De bestaande medische problematiek is bij beide kinderen onder controle. De kinderen staan sinds twee jaar onder controle bij de kinderarts in het ziekenhuis [ziekenhuis] . [minderjarige 1] heeft vaak pijn en koorts ( [minderjarige 2] heeft dezelfde symptomen) en het ziekenhuis wil nu het bloed en de urine van de kinderen onderzoeken. De moeder heeft al geprobeerd om bloed te laten afnemen bij de kinderen, maar dat is niet gelukt. De kinderen waren bang en werkten niet mee. Beide kinderen ontwikkelen zich goed op alle gebieden. Hulp en ondersteuning via een ondertoezichtstelling is niet noodzakelijk. De moeder is sinds drie maanden onder behandeling bij [instantie 1] . Het is onjuist dat zij cocaïne zou gebruiken; zij wordt hier wekelijks op getest. De moeder slikt ook geen Oxycodon meer. Ze wilde met alle middelen stoppen, maar op advies van [instantie 1] slikt ze nu dagelijks vanwege haar hart en zwangerschap Methadon. De moeder is nu 26 weken zwanger. Ze krijgt wekelijks psychologische hulp van [instantie 1] vanwege het verwerken van haar miskramen. Van traumabehandeling is nog geen sprake, omdat dit nu gevaarlijk voor de ongeboren baby kan zijn. Na de bevalling begint de moeder hiermee. De moeder en de stiefvader hebben geen financiële problemen, geen huurschuld en er is geen sprake van een dreigende uithuiszetting. De overlast wordt door andere mensen veroorzaakt en dat heeft de woningcorporatie zelf kunnen vaststellen. De onrust die er in de opvoedingssituatie is, is niet te wijten aan de moeder en de stiefvader, maar aan de ex-schoonfamilie van de stiefvader. Hoewel deze familie maar valse meldingen blijft doen over het gezin van de moeder, zijn de problemen niet meer zo heftig als eerst. De GI is betrokken in het gezin omdat er voor de overige kinderen in het gezin een ondertoezichtstelling is uitgesproken. Die vindt de moeder ook nodig. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is een ondertoezichtstelling niet nodig, want de hulpverlening in het vrijwillig kader is voldoende om de eventuele ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.
3.4.
De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan.
Ondanks een doorverwijzing naar de kinderarts, komt er geen zicht op een mogelijk onderliggende oorzaak voor het ziek zijn van de kinderen. [minderjarige 1] kent een fors schoolverzuim, in april 2024 was zij al vijf weken ziekgemeld. Op school wordt niet gemerkt dat [minderjarige 1] ziek zou zijn. Gelet op het schoolverzuim van de andere kinderen in het gezin heeft de raad zorgen dat het schoolverzuim een structureel probleem gaat worden en dat de moeder niet adequaat gaat handelen om het schoolverzuim te stoppen. Bij [minderjarige 1] is duidelijk geworden dat haar late start op de kinderopvang impact heeft gehad op haar ontwikkeling. [minderjarige 2] zal ook, net als [minderjarige 1] , starten met een achterstand. De GGD heeft aangegeven dat [minderjarige 2] vaak ziek is en ook zij is doorverwezen naar de kinderarts. Het is zorgelijk dat het na twee jaar nog steeds zou gaan over bloedprikken en urineonderzoeken. Dat had al lang gebeurd moeten zijn. De moeder heeft een kwetsbare gezondheid (functionele hersenstoornis, hartklachten en fybromyalgie) en zegt uitbehandeld te zijn. Zij kent problematiek op verschillende gebieden (vervuilde woning, financiële zorgen, huurachterstand, mogelijke woninguitzetting). Er is veel onrust in de thuissituatie en in het sociale netwerk door allerlei bedreigingen en vernielingen, waarbij de moeder en haar partner dader danwel slachtoffer zijn. De raad ziet dat in de samenwerkingsrelaties met betrokken hulpverlening niet meer kan worden gehandeld en dat hulp voor de moeder en de kinderen niet tot stand komt. De moeder heeft de eerder voor haar opgestarte hulp zelf stopgezet. De moeder heeft zeer weinig tot nauwelijks inzicht in haar eigen aandeel maar wijst naar anderen, zoals bijvoorbeeld de vader van de drie oudste kinderen, school of hulpverlening. De jeugdbeschermers hebben hun handen zo vol aan de andere kinderen in het gezin dat ze niet toekomen aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De onderlinge ongezonde dynamiek tussen de andere kinderen baart de raad zorgen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn jonge kwetsbare kinderen die hierin opgroeien met twee kwetsbare ouders. De stiefvader is overbelast en de moeder kampt met psychologische problemen. [instantie 2] moet hulp kunnen bieden aan alle zeven kinderen in het gezin. Zonder een ondertoezichtstelling zal de moeder niet meewerken aan de hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zolang de GI nog geen zicht heeft op deze kinderen, wordt er ook geen gerichte hulpverlening ingezet voor ze. Er moet voldoende aandacht komen voor de zorgen die er zijn en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nu al over het hoofd gezien, terwijl er twee jeugdbeschermers in het gezin zijn.
3.5.
De GI heeft op de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende verklaard.
De GI heeft weinig zicht op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit komt omdat de aandacht van de jeugdbeschermers vooral gaat naar de andere vijf kinderen in het gezin. Er is sprake van een complex gezinssysteem waarbij omliggende actoren, waaronder school, actief bij de hulpverlening zijn betrokken. De zorgmatch bij [instantie 2] is nog niet afgerond. Dat is ingewikkeld, omdat er hulp voor zeven kinderen moet worden ingezet. De GI, [instantie 2] en een systeembehandelaar gaan binnenkort naar de moeder thuis om verder in kaart te brengen hoe het gezin kan worden geholpen. De school van [minderjarige 1] geeft aan dat zij sinds het begin van dit schooljaar gemiddeld vier van de vijf schooldagen te laat in de klas komt en dat zij na iedere schoolvakantie luizen of neten heeft. [minderjarige 1] heeft recent geen school meer gemist; voorheen is zij tweemaal langdurig ziekgemeld geweest. De GI heeft geen informatie over [minderjarige 2] en de GI weet niets van eventuele behandelingen van de kinderen bij de kinderarts van het ziekenhuis.
Dictum
4De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, A.M. Bossink en L.M.H. Nelissen en is op 5 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.
Beoordeling
Er zijn ernstige zorgen in het gezin van de moeder, maar waar de zorgen specifiek zien op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , kan de GI deze nog niet benoemen. Dit zullen de jeugdbeschermers nog verder gaan onderzoeken bij de diverse informanten. De GI voert intern een discussie of twee jeugdbeschermers wel voldoende zijn in dit gezin.
3.6.
De stiefvader heeft verklaard dat hij op dit moment niet kan werken vanwege alle stressvolle gebeurtenissen rondom zijn ex-schoonfamilie. De stiefvader en de moeder hebben anderhalf jaar geleden op eigen initiatief de gemeente benaderd voor diagnostiek bij zijn kinderen. De stiefvader wilde graag een ondertoezichtstelling voor zijn kinderen en hij is nog steeds blij met alle hulp die zijn kinderen krijgen. [instantie 2] zal het hele gezin meenemen in de hulpverlening, want alle zeven kinderen hebben hulp nodig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden dan vanzelf daarbij meegenomen.
Het hof overweegt het volgende.
3.7.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
3.7.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn twee jonge kinderen die opgroeien in een kwetsbaar en druk gezin met een moeder die kampt met mentale en fysieke problematiek (zij zit in een rolstoel, heeft een functionele hersenstoornis, hartklachten, fibromyalgie en nog onverwerkte trauma’s uit het verleden) en een stiefvader die momenteel niet in staat is te werken vanwege, naar zijn zeggen, alle onrustige gebeurtenissen met zijn ex-schoonfamilie. De moeder en de stiefvader noemen de situatie rondom deze familie ‘iets rustiger’ nu, maar gebleken is dat er nog steeds bedreigingen worden geuit en dat er tot op heden Veilig Thuis-meldingen worden gedaan over hun gezin. Of de moeder en de stiefvader hier zelf wel of geen aandeel in hebben, is niet zo relevant. De onrust is er en het ontregelt de stiefvader zelfs zo ernstig dat hij niet meer kan werken. De moeder, 26 weken zwanger ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof, staat onder behandeling bij [instantie 1] . Hoewel hiervan geen stukken zijn overgelegd, neemt het hof van de moeder aan dat zij pas kan beginnen aan haar trauma verwerking na de bevalling vanwege de risico’s voor de nog ongeboren baby. De moeder en de stiefvader zijn de primaire verzorgers van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het is aan hen om de kinderen een stabiele en veilige opvoedomgeving te bieden zodat zij onbedreigd kunnen opgroeien. Gelet op hun eigen problematiek, heeft het hof zorgen of zij hiertoe wel in staat zijn. Deze zorgen worden versterkt vanwege de drukte in het gezin dat, naast [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , uit vijf andere kinderen bestaat waarbij de leeftijden variëren tussen circa 5 en 16 jaar oud. Deze kinderen hebben veel ruzie met elkaar waarbij ze elkaar ook regelmatig slaan. Voor de overige kinderen binnen dit gezin is een ondertoezichtstelling uitgesproken. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat de jeugdbeschermers zo druk zijn met de andere kinderen dat zij eigenlijk geen idee hebben hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat. Dat de GI nog geen zicht heeft op deze kinderen, betekent echter niet dat het goed gaat met hen en dat ze niet in hun ontwikkeling worden bedreigd. Integendeel, het is juist een zorg dat de problematiek rondom de andere kinderen zo ingewikkeld en tijdrovend is, dat de GI simpelweg nog niet is toegekomen aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ontwikkeling van de kinderen wordt ernstig bedreigd en ook voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet hulpverlening worden ingezet, juist omdat zij deel uitmaken van dit gezinssysteem.
3.7.3.
Het hof deelt de vrees van de raad dat de moeder zonder het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling niet, althans niet voldoende en structureel, zal meewerken aan de hulpverlening die de GI noodzakelijk vindt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hiervoor heeft de moeder in het verleden teveel zaken rondom de kinderen te lang op zijn beloop gelaten. Ter illustratie. Het consultatiebureau had de moeder al in december 2022 geadviseerd om [minderjarige 2] naar het kinderdagverblijf te laten gaan (ter ontlasting van de moeder en ter bevordering van [minderjarige 2] ’s ontwikkeling) en zij heeft hier pas in maart 2024 gehoor aan heeft gegeven. Het gevaar bestaat dat [minderjarige 2] , net als [minderjarige 1] , met een achterstand zal starten op de basisschool. Het hof merkt hierbij op dat de achterstand van [minderjarige 1] mogelijk niet zo groot zou zijn geweest als de moeder gebruik had gemaakt van de ten behoeve van [minderjarige 1] verstrekte VVE-indicatie (voorschoolse educatie), die het mogelijk maakte om [minderjarige 1] eerder naar school te laten gaan. Verder is het naar het oordeel van het hof zorgwekkend dat er twee jaar nadat de klachten ontstonden bij [minderjarige 1] nog steeds geen bloed is geprikt bij haar, ondanks dat de moeder stelt dat [minderjarige 1] al twee jaar onder behandeling staat bij een kinderarts van het ziekenhuis. Het hof sluit zich aan bij de raad dat niet valt in te zien dat het bloed- en urine onderzoek niet al in een veel eerder stadium afgenomen had kunnen en moeten zijn. Overigens blijkt uit de stukken niet dat de kinderen daadwerkelijk onder behandeling staan van een kinderarts en zo ja, welke. De GI weet hier niets van en evenmin van de af te nemen bloed- en urine onderzoeken. De moeder heeft de GI hier in ieder geval niet van op de hoogte gesteld en ook het hof is hiervan niet gebleken. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat, hoewel [minderjarige 1] recent niet meer (langdurig) ziek is gemeld, het de moeder nog niet lukt om [minderjarige 1] op tijd op school te krijgen. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de informatie van de GI dat [minderjarige 1] vier van de vijf dagen in de week te laat op school komt en dat zij na iedere schoolvakantie luizen en/of neten heeft. Met deze frequentie is er duidelijk sprake van een patroon en niet van een incident. Dat baart zorgen.
3.7.4.
Het hof acht hulp in het vrijwillig kader een gepasseerd en ontoereikend station waarin teveel risico’s zijn gelegen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Teveel kostbare tijd is al verloren gegaan en de regie van de in te zetten hulpverlening moet bij de GI komen te liggen. Als de hulpverlening van [instantie 2] – gericht op alle kinderen in het gezin – binnenkort gaat starten, is het noodzakelijk dat de hulpverlening die ingezet moet worden, ook betrekking zal hebben op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zonder een ondertoezichtstelling is het risico te groot dat zij aan de hulpverlening zullen worden onttrokken. Met een ondertoezichtstelling heeft de moeder die mogelijkheid niet.
3.7.5.
Op grond van het vorenstaande is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van één jaar noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.