Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:3865
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,019 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 5 december 2024
Zaaknummer: 200.341.626/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10768898 OV VERZ 23-6125
in de zaak in hoger beroep van:
[de rechthebbende]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. F. Ergec.
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[de zoon]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de zoon,
en
[vennoot] , h.o.d.n. [de bewindvoerder], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [de rechthebbende] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg (hierna: de kantonrechter), van 21 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 mei 2024, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt) voor zover het de afwijzing van haar verzoek tot opheffing van het bewind betreft en, opnieuw beschikkende, het bewind over de goederen van de rechthebbende op te heffen.
2.2.
De bewindvoerder heeft schriftelijk gereageerd bij brief met bijlagen, ingekomen ter griffie op 27 juni 2024.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de rechthebbende, bijgestaan door mr. Ergec.
De bewindvoerder is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. De zoon is, hoewel behoorlijk opgeroepen, ook niet verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- een V-formulier met producties 18 tot en met 32 van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen op 10 oktober 2024;
- een brief met bijlagen van de bewindvoerder, ingekomen op 18 oktober 2024;
- een beschikking d.d. 3 mei 2018 op een verzoek tot verlenging van het bewind van de rechthebbende, ingediend door de advocaat van de rechthebbende op 22 oktober 2024.
Beoordeling
3.1.
Bij beschikking van 8 mei 2014 heeft de kantonrechter vanaf 8 mei 2014 tot 9 mei 2018 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de rechthebbende op grond van haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van [vennoot] , vennoot van [de bewindvoerder] V.O.F. te [kantoorplaats] tot bewindvoerder.
3.2.
Bij beschikking van 3 mei 2018 heeft de kantonrechter, op verzoek van de rechthebbende en de bewindvoerder, met ingang van 9 mei 2018 voor onbepaalde tijd een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de rechthebbende op grond van haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van [vennoot] , vennoot van [de bewindvoerder] V.O.F. te [kantoorplaats] tot bewindvoerder.
3.3.
De rechthebbende heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de kantonrechter op 26 oktober 2023, verzocht het bewind op te heffen.
3.4.
Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de kantonrechter:
- het verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen;
- de bevoegdheid tot het houden van het toezicht op de onderhavige onderbewindstelling overgedragen aan de kantonrechter te Bergen op Zoom.
3.5.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de afwijzing van haar verzoek tot opheffing van het bewind betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
De rechthebbende voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan.
De rechthebbende staat sinds 2014 onder bewind. Het bewind is destijds ingesteld op verzoek van de rechthebbende zelf. Zij heeft in 2018 ook zelf om verlenging van het bewind verzocht. De rechthebbende kampte met problemen als gevolg van een vechtscheiding en heeft een alcoholverslaving gehad. Voornoemde problematiek speelt niet meer.
Er is geen noodzaak meer voor het bewind. De geestelijke toestand van de rechthebbende is sterk verbeterd en haar situatie is stabiel. Zij doet er alles aan om een stabiel inkomen te vergaren. Zij heeft een vast contract bij [bedrijf 1] en werkt daar 26 uur per week. Zij heeft daarnaast anderhalf jaar gewerkt bij het [bedrijf 2] (hierna [bedrijf 2] ). Dat haar tijdelijke contract daar niet is verlengd, stond los van haar functioneren. De rechthebbende verricht nu 12 uur per week schoonmaakwerkzaamheden voor een zorginstelling, naast haar werkzaamheden voor [bedrijf 1] . De reden dat zij in juli en augustus 2024 minder had verdiend, was dat zij in die vakantieperiode minder was ingepland.
De rechthebbende houdt haar inkomsten en uitgaven bij om schuldenproblematiek te voorkomen. Omdat zij in februari 2024 vanuit begeleid wonen is verhuisd naar een zelfstandige woning, heeft zij in die periode de bewindvoerder om extra leefgeld gevraagd voor de inrichting van haar woning. De bewindvoerder wilde aanvankelijk niet aan het spaargeld van de rechthebbende komen, maar heeft het extra leefgeld uiteindelijk wel overgemaakt. De samenwerking met haar huidige contactpersoon van de bewindvoerder verloopt niet goed en levert haar stress op.
De rechthebbende heeft zich dusdanig ontwikkeld, dat zij haar volledige onafhankelijkheid weer terug moet krijgen. Zij is in staat om haar vermogensrechtelijke belangen zelf te behartigen en zal hulp inschakelen wanneer dat nodig is.
3.7.
De bewindvoerder voert, samengevat, het volgende aan.
De leefsituatie van de rechthebbende is niet erg stabiel. In 2021 is de rechthebbende uit haar huis gezet en is zij opgenomen geweest in verband met een alcoholverslaving. Zij heeft tot februari 2024 begeleid gewoond en heeft sinds februari 2024 een eigen huurwoning. De inkomenssituatie van de rechthebbende is ook niet erg stabiel. Het tijdelijke contract dat de rechthebbende bij [bedrijf 2] had, is niet verlengd. Zij heeft daarna kort bij [bedrijf 3] gewerkt, waar haar arbeidsovereenkomst in de proeftijd is beëindigd, en heeft vervolgens een aantal maanden een WW-uitkering ontvangen. Wat betreft de inkomsten die de rechthebbende uit haar huidige dienstverbanden ontvangt, geldt dat de rechthebbende over de maanden juli en augustus 2024 € 800,- minder heeft verdiend.
De verzoeken om extra leefgeld die de rechthebbende voor januari 2024 heeft gedaan, stonden los van haar verhuizing in februari 2024. De rechthebbende heeft in februari 2024 € 1.350,- gekregen voor haar verhuizing, maar zij wilde toch meer geld voor de aanschaf van een koelkast en wasmachine. De rechthebbende vraagt nog steeds geregeld om extra leefgeld, ook als dit niet kan. De bewindvoerder betwist niet dat de rechthebbende haar inkomsten en uitgaven bijhoudt, maar heeft wel zorgen over of de rechthebbende het allemaal wel snapt en de brieven/bijlages goed leest. Het aanvraagformulier voor bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand heeft de rechthebbende bijvoorbeeld niet goed ingevuld én zij heeft zonder overleg bijzondere bijstand voor verhuiskosten aangevraagd, terwijl die bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt (deze aanvraag heeft de bewindvoerder ingetrokken). De bewindvoerder heeft ook zorgen over of de rechthebbende volledig begrijpt hoe de toeslagen worden berekend.
De bewindvoerder wil eerst bewijs dat de rechthebbende haar eigen financiën kan behartigen en houdt daarom vast aan het in eerste aanleg gedane verzoek dat de rechthebbende een zelfredzaamheidstraject voor zes maanden gaat volgen.
3.8.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.8.1.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
3.8.2.
Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.
3.8.3.
Vaststaat dat de rechthebbende in 2014 zelf om instelling van het bewind heeft verzocht op de grond van geestelijke of lichamelijke toestand en in 2018 om verlenging van het bewind op diezelfde grond. De rechthebbende geeft aan dat zij haar financiën nu zelf weer wil en kan beheren.
Gebleken is dat de rechthebbende gemotiveerd, en met resultaat aan haar persoonlijke problematiek heeft gewerkt. De rechthebbende is vanaf september 2021 in behandeling geweest bij [zorgverlener] in verband met alcoholproblematiek. Zij heeft eerst een klinische opname gehad tot en met januari 2022 en daarna een ambulante behandeling. Uit de overgelegde brief van haar psycholoog/behandelaar van 13 december 2023 komt naar voren, kort gezegd, dat de rechthebbende vanaf het moment van opname volledig abstinent van alcohol is, geen terugval heeft gehad en haar leven stap voor stap steeds meer op de rit heeft gekregen. Uit de overgelegde brief van haar ambulante begeleider (niet gedateerd) komt naar voren dat de rechthebbende in de afgelopen twee jaar enorme sprongen heeft gemaakt en dat in het laatste jaar de ondersteuning bijna niet meer nodig was.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 21 februari 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,
en, opnieuw rechtdoende:
heft op het bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan [de rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] 1972, en wel met ingang van 1 januari 2025;
bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden nadat het bewind is opgeheven de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en een - zo mogelijk door haar voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, overlegt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, J.C.E. Ackermans-Wijn en S.P.A. Wensink-Vergunst en is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024 door mr. S.P.A. Wensink-Vergunst in tegenwoordigheid van de griffier.