Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:3864
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,881 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 5 december 2024
Zaaknummer: 200.341.749/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/320667 / FA RK 23-2884
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.A. Ploemen,
tegen
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.A.M. Ramakers.
Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ),
geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio [regio] , locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 mei 2024, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en, naar het hof begrijpt, voormelde beschikking, voor wat betreft de daarbij vastgestelde voorlopige contactregeling tussen de vader en [minderjarige] te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
- primair: te bepalen dat [minderjarige] met ingang van de datum van de in deze zaak af te geven beschikking conform het navolgende opbouwschema bij de vader verblijft:
o maand 1: tweemaal per week 6 uren contact, waarvan 1 uur begeleid en 5 uur onbegeleid;
o maand 2: tweemaal per week 8 uren contact, waarvan 1 uur begeleid en 7 uren onbegeleid bij de vader thuis, waarbij de moeder [minderjarige] brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt;
o maand 3: gedurende tweemaal per week onbegeleid contact met één
overnachting bij de vader thuis, waarbij de moeder [minderjarige] om 10.00 uur naar de vader brengt en de vader [minderjarige] de tweede dag om 18.30 uur naar de moeder terugbrengt;
o maand 4: gedurende eenmaal per 10 dagen onbegeleid contact bij de vader thuis, waarbij de moeder [minderjarige] om 10.00 uur naar de vader brengt, [minderjarige] aldaar twee overnachtingen (3 dagen) aaneengesloten verblijft en waarna de vader hem de derde dag om 18.30 uur naar de moeder terugbrengt;
o maand 5: gedurende eenmaal per 10 dagen onbegeleid contact bij de vader, waarbij de moeder [minderjarige] om 10.00 uur naar de vader brengt, [minderjarige] aldaar drie overnachtingen (4 dagen) aaneengesloten verblijft, waarna de vader hem de vierde dag om 18.30 uur naar de moeder terugbrengt;
- subsidiair: te bepalen dat [minderjarige] conform een door het hof te bepalen opbouwregeling bij de vader verblijft.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 juli 2024, heeft de moeder verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren c.q. af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
Bij gewijzigd beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 september 2024, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad naar het hof begrijpt, voormelde beschikking, voor wat betreft de daarbij vastgestelde voorlopige contactregeling tussen de vader en [minderjarige] te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
primair: te bepalen dat [minderjarige] met ingang van de datum van de in deze zaak af te geven beschikking conform het navolgende opbouwschema bij de vader verblijft:
o maand 1: tweemaal per week 8 uren contact bij de vader thuis, waarbij de moeder [minderjarige] brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt;
o maand 2: gedurende tweemaal per week contact met één overnachting bij de vader thuis, waarbij de moeder [minderjarige] om 10.00 uur naar de vader brengt en de vader [minderjarige] op de tweede dag om 18.30 uur naar de moeder terugbrengt;
o maand 3: gedurende eenmaal per 10 dagen contact bij de vader thuis, waarbij de moeder [minderjarige] om 10.00 uur naar de vader brengt, [minderjarige] aldaar twee overnachtingen (3 dagen) aaneengesloten verblijft en waarna de vader hem de derde dag om 18.30 uur naar de moeder terugbrengt;
o maand 4: gedurende eenmaal per 10 dagen onbegeleid contact bij de vader, waarbij de moeder [minderjarige] om 10.00 uur naar de vader brengt, [minderjarige] aldaar drie overnachtingen (4 dagen) aaneengesloten verblijft, waarna de vader hem de vierde dag om 18.30 uur naar de moeder terugbrengt;
- subsidiair: te bepalen dat [minderjarige] conform een door het hof te bepalen opbouwregeling bij de vader verblijft.
2.4.
De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2024.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door mr. Ploemen;
de moeder, bijgestaan door mr. Ramakers;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 5 februari 2024;
het F9-formulier met bijlage ingediend door de voormalige advocaat van de vader bij de rechtbank op 3 oktober 2023, ingekomen ter griffie van het hof op 26 juni 2024;
het F9-formulier met bijlage ingediend door de voormalige advocaat van de vader bij de rechtbank op 30 januari 2024, ingekomen ter griffie van het hof op 26 juni 2024;
de brief met bijlagen van de raad d.d. 11 oktober 2024.
Feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Uit die relatie is [minderjarige] geboren.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] woont bij de moeder.
3.1.1.
De vader heeft over de periode van 26 juni 2023 tot 27 oktober 2023 geen omgang met [minderjarige] gehad.
Procesverloop
3.2.
De vader heeft in eerste aanleg de rechtbank in de hoofdzaak verzocht, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
hem samen met de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten;
te bepalen dat er een contactregeling/omgangsregeling wordt vastgesteld, inhoudende dat, [minderjarige] per twee weken vier dagen na elkaar bij de vader verblijft,
waarbij partijen in onderling overleg bepalen welke dagen dit zullen zijn afhankelijk
van het werkrooster van de vader, waarbij te gelden heeft dat de ouder waar [minderjarige]
verblijft hem zal brengen naar de andere ouder, althans een regeling te bepalen die de rechtbank juist acht;
- een regeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen vast te stellen, zoals beschreven onder punt 14 van het inleidend verzoekschrift, althans een regeling te bepalen die de rechtbank juist acht;
Kosten rechtens.
3.2.1.
Tevens heeft de vader bij afzonderlijk verzoekschrift de rechtbank verzocht, in afwachting van de uitkomst van de hoofdzaak, een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv te treffen en een contactregeling/omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] te bepalen, kosten rechtens.
3.3.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 5 september 2023 in de procedure tot het treffen van voorlopige voorzieningen de navolgende afspraken gemaakt:
“Met behulp van mr. Ramakers zal de moeder binnen 48 uur contact opnemen met [instantie 1] dan wel de gemeente teneinde te bewerkstelligen dat [instantie 1] ingeschakeld zal worden om op zeer korte termijn een begeleide omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] tot stand te brengen. Partijen zijn het erover eens dat de omgang dient plaats te vinden onder regie van [instantie 1] doch dat gestart wordt met minimaal tweemaal per week gedurende drie uur, waarbij het de bedoeling is dat de omgang zo snel mogelijk wordt uitgebreid.
In de bodemzaak zal op voorhand de raad voor de kinderbescherming benaderd worden teneinde onderzoek te doen naar en advies te geven over welke omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] in het belang is van [minderjarige] en of het mede belasten van de vader met het gezag over [minderjarige] in het belang is van [minderjarige] .
De vader trekt zijn verzoeken in. De kosten van deze procedure worden gecompenseerd.”
Genoemde afspraken zijn vastgelegd in een proces-verbaal.
3.4.
Bij (tussen)beschikking van 19 september 2023 heeft de rechtbank in de hoofdzaak:
de raad verzocht om een onderzoek te verrichten en te adviseren over – kort gezegd – het gezag over [minderjarige] en de contactregeling/omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] ;
iedere verdere beslissing omtrent genoemde onderwerpen aangehouden.
3.5.
De vader heeft – onder instandhouding van het oorspronkelijke verzoek voor het overige – zijn verzoek ten aanzien van de reguliere contactregeling/omgangsregeling gewijzigd, in die zin, dat hij verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tussen partijen:
I. primair: een opbouwregeling te bepalen, waarbij [minderjarige] en de vader:
- vanaf 1 februari 2024: tweemaal per week zes uur omgang hebben, waarvan een uur begeleid en vijf uur onbegeleid bij [instantie 1];
- vanaf 1 maart 2024: tweemaal per week acht uur omgang hebben, waarvan een uur begeleid en zeven uur onbegeleid bij de vader thuis, waarbij de moeder [minderjarige] brengt en de vader [minderjarige] naar de moeder terugbrengt;
- vanaf 1 april 2024: tweemaal per week onbegeleide omgang met één overnachting bij de vader thuis hebben, waarbij de moeder [minderjarige] om 10.00 uur naar de vader brengt en de vader [minderjarige] de tweede dag om 18.30 uur naar de moeder terugbrengt;
- vanaf 1 mei 2024: eenmaal per tien dagen onbegeleide omgang bij de vader thuis hebben, waarbij de moeder [minderjarige] om 10.00 uur naar de vader brengt, [minderjarige] aldaar twee overnachtingen (drie dagen) aaneengesloten verblijft en waarna de vader hem de derde dag om 18.30 uur naar de moeder terugbrengt;
- vanaf 1 juni 2024: eenmaal per tien dagen onbegeleide omgang bij de vader hebben, waarbij de moeder [minderjarige] om 10.00 uur naar de vader brengt, [minderjarige] aldaar drie overnachtingen (vier dagen) aaneengesloten verblijft, waarna de vader hem op de vierde dag om 18.30 uur naar de moeder terugbrengt;
II. subsidiair: een opbouwregeling te bepalen die de rechtbank juist acht en die recht doet aan de belangen van [minderjarige] en de vader.
Kosten rechtens.
3.6.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad – verklaarde beschikking heeft de rechtbank:
de vader gezamenlijk met de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast;
bepaald dat de actuele contactregeling tussen [minderjarige] en de vader bij [instantie 1] voorlopig, gedurende het hierna te bepalen BOR 2-traject doorloopt, zolang in dat kader nog geen andere begeleid contact door de jeugdhulpaanbieder wordt uitgevoerd;
bepaald dat de contacten tussen [minderjarige] en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zullen plaatsvinden in het kader van een BOR 2-traject onder volledige leiding en regie van de professionals voor de duur van acht maanden te rekenen vanaf de datum van de beschikking;
iedere verdere beslissing omtrent de definitieve contactregeling tussen de vader en [minderjarige] voor de duur van acht maanden, derhalve tot 27 oktober 2024, aangehouden.
Procesverloop
3.7.
De vader kan zich met de beslissing van de rechtbank dat de contacten tussen hem en [minderjarige] , voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, in het kader van een BOR 2-traject zullen plaatsvinden niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De ontwikkelingen na de bestreden beschikking
3.8.
Na de bestreden beschikking is een BOR 2-traject tussen de vader en [minderjarige] bij de [instantie 2] opgestart. Dit traject is inmiddels afgerond.
De raad heeft bij brief van 11 oktober 2024 de Rapportage Eindverslag Begeleide Omgangsregeling d.d. 10 september 2024 in het geding gebracht.
3.9.
De [instantie 2] heeft in genoemd rapport van 10 september 2024 geconcludeerd dat het binnen het BOR 2-traject gelukt is om tot omgang tussen de vader en [minderjarige] te komen. De omgangsmomenten verliepen op een prettige manier waarbij werd gezien dat de vader goed kan aansluiten bij de behoefte van [minderjarige] . In de gesprekken met ouders is zichtbaar geworden dat het hen niet lukt om tot een constructieve manier van communicatie te komen. De opgedane ervaringen in het verleden leiden bij zowel de moeder als de vader tot zorgen en wantrouwen. Het lukt ouders niet om naar de toekomst te kijken rekening houdend met de zorgen van de andere ouder. Daardoor lukt het ouders ook niet om te komen tot een concreet toekomstplan, waaronder voortzetting, uitbreiding en keuzes voor de nabije toekomst. Ouders benoemen zelf ook dat het hen niet lukt om tot een constructieve samenwerking te komen. Ze geven beiden, ook los van elkaar, aan dat de rechter keuzes namens de ouders zal moeten gaan maken, aangezien ze er onderling niet uitkomen.
3.10.
Op 17 september 2024 heeft de [instantie 2] de inhoud van het eindrapport met partijen besproken. Partijen zijn daarbij een voorlopige contactregeling tussen de vader en [minderjarige] overeengekomen. Deze tijdelijke regeling geldt, volgens partijen, totdat het hoger beroep heeft plaatsgevonden en er een andere regeling door de rechter is vastgesteld. De vader heeft ingevolge deze voorlopige regeling iedere zaterdag (onbegeleid) contact met [minderjarige] vanaf 10.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt en hem om 18.30 uur weer naar de moeder terugbrengt. De moeder heeft daarbij aangegeven dat zij naar een regeling wil toewerken waarbij [minderjarige] om het weekend bij de vader verblijft.
De standpunten in hoger beroep
3.11.
De vader voert in het beroepschrift en het gewijzigd beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat de contacten tussen de vader en [minderjarige] voorlopig zullen plaatsvinden in het kader van een BOR-2 onder leiding en regie van professionals. De rechtbank neemt het feit dat het juist heel goed gaat in de contacten tussen de vader en [minderjarige] op geen enkele wijze mee in haar beoordeling. De vader staat open voor hupverlening en conformeert zich hieraan. De rechtbank heeft verder ten onrechte overwogen dat het op dit moment bepalen van een opbouwregeling, zoals de vader verzoekt, niet haalbaar en niet in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank heeft dit onvoldoende gemotiveerd, mede in het licht van de positieve bevindingen van [instantie 1]. Op grond van artikel 1:253a juncto 1:337a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het recht op contact tussen de vader en [minderjarige] slechts op de daarin genoemde gronden worden ontzegd of beperkt; van die ontzeggingsgronden is geen sprake. Het is onterecht dat de vader op zijn alcohol- en drugsgebruik en justitiële documentatie in het verleden wordt afgerekend. Dat partijen een verstoorde relatie met elkaar hebben en dat sprake is van een diepgeworteld wantrouwen, vormt evenmin een criterium bij de vaststelling van een voorlopige contactregeling. Verder heeft [instantie 1] geconcludeerd dat er geen zorgen bestaan over de pedagogische vaardigheden van de vader of anderszins. Er is geen onveiligheid in het contact met [minderjarige] . Het contact tussen de vader en [minderjarige] kan volgens [instantie 1] voortaan onbegeleid plaatsvinden. Het BOR 1-traject is daarom niet verlengd. Ook het BOR 2-traject is inmiddels afgerond. Nadien zijn partijen een voorlopige regeling overeengekomen waarbij [minderjarige] elke zaterdag van 10.00 uur tot 18.30 uur bij de vader verblijft. Dit contact is beperkter dan vroeger. Na het uiteengaan van partijen had de vader eenmaal per tien dagen vier aaneengesloten dagen contact met [minderjarige] . De vader heeft daarom nog steeds een belang bij de onderhavige procedure. Hij heeft op grond van ‘family life’ recht op contact met [minderjarige] . De vader wil voor de omvang van dit contact niet meer afhankelijk van de moeder zijn. Hij verzoekt het hof daarom om een voorlopige opbouwende contactregeling vast te stellen om het contact tussen hem en [minderjarige] te waarborgen. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat de vader – vanwege de doorlooptijden bij de rechtbank – maar beperkt deel uitmaakt van het leven van [minderjarige] , zoals nu het geval is. [minderjarige] is juist gebaat bij frequent en uitgebreid contact met de vader om een gezonde (identiteits)ontwikkeling door te maken. Gelet op de bevindingen van [instantie 1] en de [instantie 2] dient er op korte termijn te worden toegewerkt naar een voorlopige onbegeleide reguliere contactregeling. De vader staat open voor hulpverlening en hij conformeert zich hieraan. Een ouderschapsreorganisatie-traject – teneinde de onderlinge verstandhouding en de communicatie tussen partijen te verbeteren – kan hieraan parallel lopen. De voortgang van een dergelijk traject mag niet bepalend zijn voor de uitbreiding van de voorlopige contactregeling.
3.12.
De moeder voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep – samengevat – het volgende aan.
De rechtbank heeft op een zorgvuldige wijze een beslissing over het contact tussen de vader en [minderjarige] genomen. Het BOR 2-traject is afgerond en de raad dient nu de rechtbank te adviseren over een definitieve contactregeling tussen de vader en [minderjarige] . Het zou vreemd zijn wanneer dit traject door het hof met een voorlopige contactregeling wordt doorkruist.
Het is in het belang van [minderjarige] dat het contact tussen de vader en [minderjarige] plaatsvindt op een veilige en onbelaste manier. Ondanks de hulpverlening van [instantie 1] en de [instantie 2] verschillen partijen nog steeds van mening over de duur, de frequentie en de vorm van het contact tussen de vader en [minderjarige] . Genoemde trajecten hebben niet voor de nodige rust voor [minderjarige] gezorgd. Ook zijn er beletselen aanwezig om tot een aanzienlijke uitbreiding c.q. opbouw van de contacten tussen de vader en [minderjarige] te komen. De vader wenst feitelijk een co-ouderschapsregeling. Aan de voorwaarden voor een co-ouderschapsregeling wordt echter niet voldaan. Hiervoor is onder meer vereist dat partijen met elkaar kunnen afstemmen over [minderjarige] . Daarvan is geen sprake. Partijen hebben geen goede ouderschapsrelatie en zij hebben over en weer geen vertrouwen in elkaar en diskwalificeren elkaar als ouders. Voor een co-ouderschapsregeling is verder vereist dat partijen bij elkaar in de buurt wonen, zeker wanneer [minderjarige] straks naar school gaat. Partijen wonen 75 kilometer uit elkaar. De oplossing die de vader daarvoor had bedacht, dat [minderjarige] halverwege beide woonplaatsen (in [plaats] ) naar school moet, getuigt niet van enige realiteitszin. Daarnaast heeft de moeder praktische bezwaren tegen een uitgebreide contactregeling. Bij de vader speelt alcohol- en drugsproblematiek. Ook heeft de vader een behoorlijke justitiële documentatie opgebouwd.
Motivering
3.14.
Het hof overweegt het volgende.
Ontvankelijkheid gewijzigd beroepschrift
3.14.1.
Het hof dient eerst te beoordelen of het gewijzigd beroepschrift, dat buiten de beroepstermijn is ingekomen, alsnog kan worden toegelaten.
Het hof is van oordeel dat het gewijzigd beroepschrift van de vader niet in strijd is met de twee-conclusie-regel en geen strijd met de goede procesorde oplevert. De vader heeft een beroep gedaan op nieuwe omstandigheden die na het indienen van het beroepschrift (op 27 mei 2024) zijn voorgevallen, te weten dat het BOR 2-traject waarnaar de rechtbank partijen in de bestreden beschikking verwezen had, inmiddels is afgerond. Ook de voorlopige contactregeling tussen de vader en [minderjarige] in het kader van een BOR 1-traject bij [instantie 1], dat gedurende het BOR 2-traject doorliep, is afgerond. Daarbij komt dat het gewijzigd verzoek in hoger beroep voldoende samenhang vertoont met het oorspronkelijke verzoek in hoger beroep. In beide gevallen verzoekt de vader namelijk om een voorlopige contactregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen; alleen de opbouw van het door de vader verzochte contact (in duur en frequentie) verschilt. Er bestaat eveneens voldoende samenhang tussen het gewijzigd verzoek in hoger beroep met het inleidend verzoek dat de vader bij de rechtbank heeft ingediend. Verder heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep tegen het gewijzigd verzoek in hoger beroep uitgebreid verweer kunnen voeren, zodat zij niet in haar procesbelang is geschaad. Het hof acht de vader ontvankelijk in zijn gewijzigd verzoek in hoger beroep en zal hierop inhoudelijk beslissen.
Beoordeling
3.14.2.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.
In het geval van een geschil over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.
De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
3.14.3.
Tussen partijen is de omvang van de voorlopige contactregeling tussen de vader en [minderjarige] in geschil.
3.14.4.
Het hof stelt voorop dat gebleken is dat zowel het BOR 2-traject bij de [instantie 2] als het BOR 1-traject bij [instantie 1] inmiddels succesvol zijn afgerond. De [instantie 2] heeft op 10 september 2024 een eindrapportage opgesteld, die door de vader is overgelegd. Hieruit volgt dat de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] op een prettige wijze zijn verlopen en dat de vader goed kan aansluiten bij de behoefte van [minderjarige] . In genoemde rapportage wordt echter ook geconstateerd dat het partijen nog steeds niet lukt om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. Wel zijn partijen bij de bespreking van genoemd eindrapport op 17 september 2024 in staat gebleken om een voorlopige (onbegeleide) contactregeling overeen te komen. De vader heeft ingevolge deze regeling iedere zaterdag onbegeleid contact met [minderjarige] vanaf 10.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt en [minderjarige] om 18.30 uur weer naar de moeder terugbrengt. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat genoemde regeling ook daadwerkelijk door partijen wordt uitgevoerd. Verder heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij open staat voor een verdere uitbreiding van het onbegeleid contact tussen de vader en [minderjarige] . Zo heeft zij concreet benoemd dat de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] rond de feestdagen (Sinterklaas en Kerst) met een overnachting kan worden uitgebreid. Verder vindt de moeder het belangrijk dat de vader en [minderjarige] tussendoor ook nog op een andere manier contact met elkaar hebben (bijvoorbeeld via beeldbellen). Dit maakt dat het hof in de onderhavige zaak dient te beoordelen of het op dit moment in het belang van [minderjarige] is om een andersluidende voorlopige contactregeling vast te stellen dan thans tussen partijen geldt.
3.14.5.
Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat de vader niet zodanige feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan het hof thans tot een andersluidende voorlopige contactregeling tussen hem en [minderjarige] kan komen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de raad voornemens is om op zeer korte termijn een onderzoek te starten naar de vraag welke definitieve contactregeling tussen de vader en [minderjarige] het meest in het belang van [minderjarige] is. De resultaten van dit raadsonderzoek zullen door de raad in de thans nog lopende procedure bij de rechtbank worden ingebracht, waarna de rechtbank het inleidend verzoek van de vader verder inhoudelijk zal behandelen. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht het hof het niet in het belang van [minderjarige] het door de rechtbank (en de raad) ingezette traject om op een zorgvuldige wijze tot een definitieve contactregeling tussen de vader en [minderjarige] te komen, te doorkruisen door een andersluidende voorlopige contactregeling tussen hen vast te stellen. De noodzaak daartoe ontbreekt ook, nu sprake is van een wekelijkse onbegeleide contactregeling tussen de vader en [minderjarige] en de moeder er niet onwelwillend tegenover staat om deze regeling in de nabije toekomst verder uit te breiden met een overnachting. Het hof zal het verzoek van de vader in hoger beroep daarom afwijzen.
De slotsom
3.15.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 februari 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, A.M. Bossink en M. Jonker en is op 5 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.