Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:3862
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,181 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.341.248/01
zaaknummer rechtbank : C/02/412543 FA RK 23-3677
beschikking van de meervoudige kamer van 5 december 2024
in de zaak in hoger beroep van:
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M. Krijger te Goes,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. D.R.M. de Vos te Goes.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 15 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De man is op 14 mei 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 15 februari 2024.
2.2.
De vrouw heeft op 16 juli 2024 een verweerschrift ingediend.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 17 oktober 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2.4.
Het hof heeft verder kennis genomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 11 januari 2024.
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen zijn op 24 mei 1995 te [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd.
3.3.
Partijen zijn gescheiden op 11 februari 2022, de datum waarop de beschikking van 31 januari 2022 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, waarin de echtscheiding is uitgesproken is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.4.
Partijen hebben in onderling overleg en met bijstand van hun advocaat een regeling getroffen die is opgenomen in een echtscheidingsconvenant. Dit echtscheidingsconvenant is aangehecht aan genoemde beschikking van 31 januari 2022 en maakt hiervan deel uit.
3.5.
In het echtscheidingsconvenant (hierna: convenant) zijn partijen overeengekomen, voor zover hier van belang:
“
artikel 1. PARTNERALIMENTATIE
1.1
De man is expat en is in [land] werkzaam (…) Zijn inkomen bedroeg in 2019 circa € 14.000,- netto per maand. De vrouw had ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoek geen eigen inkomsten uit arbeid of anderszins.
1.2
Op grond van de inkomensverhoudingen tijdens het huwelijk heeft de vrouw behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Partijen stellen de huwelijks gerelateerde behoefte van de vrouw op € 4.000,- netto per maand.
1.3
De man betaalde de vrouw aanvankelijk een in onderling overleg tot stand gekomen bijdrage in de kosten van de huishouding van € 2.000,- netto per maand. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat deze bijdrage met ingang van 1 mei 2020 wordt gesteld op € 2.500,- netto per maand en verschuldigd is tot de datum waarop de echtscheiding definitief wordt.
(…).
1.4
De in artikel 1.3 genoemde bijdrage in de kosten van de huishouding wordt door de man doorbetaald tot de datum waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het in artikel 1.3 genoemde verschil betreft derhalve € 500,- per maand, te rekenen vanaf 1 mei 2020 tot de datum waarop de echtscheiding definitief wordt. Vanaf dat moment zal de man met een bedrag groot € 3.625,- bruto per maand gaan bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.
1.5
Partijen zijn ervan op de hoogte dat de wettelijke alimentatie termijn 12 jaren bedraagt, te rekenen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. In dit kader zijn zij echter overeengekomen dat de wettelijke termijn wordt ingekort tot 1 mei 2032, hetgeen verband houdt met de in artikel 1.2 opgenomen afspraak ter zake de door de man tot de scheidingsdatum te betalen bijdrage in de kosten van de huishouding van de vrouw.
1.6
De vrouw heeft een alimentatie-/levensverzekering op het leven van de man afgesloten. De man heeft eraan meegewerkt dat er een gezondheidsverklaring werd afgegeven. (…)”.
3.6.
Op dit moment voldoet de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) van de vrouw aan haar een bedrag van € 3.748,25 per maand (inclusief de wettelijke indexering).
4De omvang van het geschil
4.1.
De man heeft in eerste aanleg de rechtbank verzocht om de door hem te betalen partneralimentatie te wijzigen en met ingang van 1 april 2023, dan wel een door de rechtbank te bepalen datum nader vast te stellen op nihil, dan wel op een lager bedrag dan de rechtbank juist acht.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.
4.2.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De rechtbank heeft deze beslissing - samengevat – als volgt gemotiveerd. Partijen zijn in hun convenant bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven door de behoefte van de vrouw lager vast te stellen dan op grond van de wettelijke uitgangspunten zou worden berekend en door een afwijking van de alimentatietermijn. Om die reden is een wijziging slechts mogelijk indien na het sluiten van het convenant een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de andere partij, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.
Daarnaast heeft de rechtbank het beroep van de man op een inspanningsverplichting van de vrouw om in haar eigen onderhoud te voorzien en een verbleekte behoefte verworpen en daarmee ook zijn beroep op een relevante wijziging van omstandigheden.
4.3.
De man kan zich met de motivering en beslissing van de rechtbank niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.
4.4.
De grieven één tot en met acht van de man zien – kort gezegd – op het oordeel van de rechtbank dat partijen bij het vaststellen van de behoefte van de vrouw en de duur van de alimentatietermijn bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven en het oordeel van de rechtbank dat het gedrag van de vrouw niet kan worden aangemerkt als een rechtens relevante wijziging van omstandigheden (artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Meer concreet zien de grieven één, zeven en acht op verbleekte behoefte, de grieven vier, vijf en zes op de verdiencapaciteit en inspanningsverplichting en de grieven twee en drie op de bewuste afwijking van de behoefte en de alimentatietermijn.
4.5.
De man verzoekt in hoger beroep, kort gezegd, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het geding inleidend verzoek van de man alsnog toe te wijzen.
4.6.
De vrouw verzoekt in hoger beroep de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn hoger beroep ongegrond te verklaren.
Motivering
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.1.
De man woont in [land] . Het internationale karakter van de zaak vraagt een ambtshalve beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Omdat de vrouw in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.
5.1.2.
Op dit verzoek is Nederlands recht van toepassing. Tegen dit oordeel van de rechtbank is geen grief gericht.
Grieven 2 en 3 bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven
5.2.
De man stelt in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het navolgende.
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat partijen in het convenant bij het bepalen van de behoefte van de vrouw bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, door een behoefte vast te stellen die veel lager is dan op grond van de wettelijke uitgangspunten zou zijn berekend. Het behoeftebegrip wordt in de wet niet nader uitgewerkt. De ‘hof-norm’ hoeft niet te worden gevolgd. De behoefte kan ook aan de hand van werkelijke inkomsten en uitgaven van de alimentatiegerechtigde worden vastgesteld. Zo ook in deze zaak. Partijen voerden geen gezamenlijke huishouding. De man woonde en werkte voorafgaand aan de echtscheiding in [land] en de vrouw woonde in Nederland. De man betaalde daarnaast de kosten van levensonderhoud en van de studie van de kinderen van partijen. In die periode maakte hij een bedrag van € 2.000,- per maand over aan de vrouw, waarvan zij moest rondkomen en spaarde. Partijen hebben de behoefte van de vrouw in het kader van de echtscheidingsprocedure niet vastgesteld, omdat zij het over de uitgangspunten daarvoor niet eens waren. Zij gaven de voorkeur aan een minnelijke oplossing en zijn een bedrag overeengekomen. Dat betekende echter niet dat zij bij het bepalen van de behoefte van de vrouw bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Daarvoor is noodzakelijk dat partijen is voorgerekend wat de behoefte volgens de wettelijke maatstaven zou moeten zijn en dat partijen zich bij het sluiten van de overeenkomst ervan bewust waren wat de behoefte van de vrouw volgens die wettelijke maatstaven was. Die situatie is nog steeds ongewijzigd, omdat ook de rechtbank in de bestreden beschikking heeft nagelaten vast te stellen wat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw is.
De rechtbank heeft ook ten onrechte geoordeeld dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke alimentatietermijn, zoals blijkt uit het proces-verbaal in eerste aanleg en artikel 1.5. van het convenant. Partijen gaan uit van de wettelijke termijn van twaalf jaren en een ingangsdatum van 1 mei 2020, zodat de alimentatieverplichting van de man eindigt op 1 mei 2032.
5.3.
De vrouw voert hiertegen – samengevat – het volgende verweer.
Uit hetgeen de man in het beroepschrift stelt blijkt juist dat partijen bewust de voorkeur hebben gegeven aan een minnelijke oplossing en daarom bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Het is overduidelijk dat de behoefte die partijen zijn overeengekomen ver beneden de wettelijke maatstaven ligt. In het echtscheidingsconvenant is opgenomen dat het inkomen van de man in 2019 circa € 14.000,- netto per maand bedroeg. Partijen hebben de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op € 4.000,- netto per maand vastgesteld. Gelet op dit inkomen lag de werkelijke behoefte van de vrouw vele malen hoger. Uitgaande van de ‘hofnorm’ had de behoefte van de vrouw op € 8.400,- netto per maand kunnen worden vastgesteld. De vrouw heeft daar nooit aanspraak op willen maken. De vrouw betwist verder dat partijen – in de periode dat de man werkzaam was in [land] – twee huishoudens en geen gemeenschappelijke huishouding voerden. De man was regelmatig in Nederland. De man maakte in die periode maandelijks een bedrag van € 2000,- over en voldeed daarnaast alle aan de gemeenschappelijke huishouding verbonden kosten. Ook in de periode dat de man € 2.500,-- betaalde, betaalde hij nog lasten van de vrouw. De man was zich ervan bewust dat de rechtbank de behoefte en draagkracht hoger zou vaststellen. Daarom stelt hij dat sprake is van een onder druk tot stand gekomen compromis.
Partijen hebben met de afgesproken alimentatietermijn beoogd aan te sluiten bij de datum waarop de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De wettelijke termijn voor de betaling van partneralimentatie gaat in als de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven. Artikel 1.3. van het echtscheidingsconvenant bevat een voorlopige partneralimentatie. Deze wordt normaal niet in mindering gebracht op de wettelijke termijn. Partijen hebben hiervoor bewust gekozen en zijn bewust afgeweken van de wettelijke termijn van twaalf jaar. Dit betekent dat voor een wijziging van de partneralimentatie moet worden voldaan aan het verzwaarde criterium van artikel 1:159 lid 3 BW.
5.4.1.
De eerste vraag die het hof bij de beoordeling van het wijzigingsverzoek van de man moet beantwoorden is of partijen in het convenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Daarvoor is het volgende (juridisch) kader van belang.
5.4.2.
Partijen hebben met het oog op de echtscheiding een regeling getroffen over
partneralimentatie (art. 1:158 BW). Bij het opstellen van zo’n regeling komt partijen een grote mate van vrijheid toe. Een eenmaal overeengekomen regeling kan op grond van art. 1:401 BW worden gewijzigd als de overeengekomen alimentatie ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen doordat de omstandigheden zijn gewijzigd (lid 1) of indien deze is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5). Voor toepassing van 1:401 lid 5 BW geldt de voorwaarde dat partijen zich hebben willen richten op de wettelijke maatstaven. Indien partijen zich niet hierop hebben willen richten en bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven geldt het volgende:
a. de verzwaarde maatstaf van art. 1:159 lid 3 BW inhoudende dat de rechter slechts tot wijziging van de alimentatieovereenkomst kan overgaan indien de verzoeker stelt en de rechter aannemelijk oordeelt dat na de totstandkoming van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de wederpartij, in het licht van alle omstandigheden op dat moment, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten; (HR 23 oktober 1987, NJ 1988/438)
b. de rechter moet zich voor de onderdelen waarvan partijen bewust zijn afgeweken terughoudend opstellen bij zijn oordeel of aan de voorwaarde onder a. is voldaan en bij de uitoefening van zijn bevoegdheid, omdat partijen een grote mate van vrijheid toekomt;
c. de rechter moet bij een eventuele wijziging zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond en daarbij letten op het verband tussen de alimentatieregeling en de eventuele regelingen van andere aard; (HR 12 september 2003, NJ 2004/6 en HR 1 februari 2008, LJN BC3211)
5.4.3.
Het hof overweegt als volgt. Al in de eigen stellingen van de man, inhoudende dat partijen het over de uitgangspunten voor het bepalen van de behoefte niet eens waren en de voorkeur eraan gaven in minnelijk overleg een bedrag overeen te komen, ligt besloten dat partijen zich niet hebben gericht op de wettelijke maatstaven. Dat partijen zich daar ook van bewust waren blijkt uit het navolgende.
Partijen hebben in aanloop naar hun echtscheiding van gedachten gewisseld over de financiële gevolgen daarvan voor de vrouw, die op dat moment geen inkomsten uit arbeid had. De man bleef onder meer de vaste (woon)lasten betalen alsmede een bijdrage aan de vrouw en liet in die aanloop schriftelijk weten aan de vrouw (zie prod.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 15 februari 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de man alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.M.J. Peters en M. Jonker en is op 5 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
1 van de vrouw in eerste aanleg):
‘Ik had al vaker gezegd dat je niet hoeft te gaan werken, want ik vind dat een slecht idee voor je.’; ‘Dan moeten we er alleen uitkomen wat je alimentatie is per maand. Ik had € 2.000,- voorgesteld, maar weet niet of dit correct is en of je het ermee eens bent en wat de advocaat hiervan zegt en ik had je al toegezegd dat ik het betaal tot aan je pensioen. Dan ga je AOW krijgen en de helft van mijn pensioen. Dus financiële zekerheid heb je en je hoeft niet te gaan werken.’; ‘We hoeven trouwens geen alimentatie berekening te laten doen als wij het eens kunnen worden over het bedrag dat jij per maand wilt ontvangen.’ .
Na een poging om via mediation tot een regeling te komen, hebben partijen ieder een eigen advocaat ingeschakeld en over en weer hun financiële gegevens uitgewisseld. Daarna heeft de advocaat van de man een concept-convenant opgesteld, dat na overleg heeft geresulteerd in het convenant met de hiervoor onder 3.5 weergegeven regeling voor de alimentatie. Partijen hebben met bijstand van hun advocaten onderhandeld en ervan afgezien de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man vast te stellen aan de hand van een eigen berekening op basis van de uitgewisselde gegevens dan wel een berekening door de rechter. Zij hebben vastgesteld dat het netto inkomen uit arbeid van de man in 2019 € 14.000,-- bedroeg, dat de vrouw geen eigen inkomsten uit arbeid had, dat de vrouw een huwelijksgerelateerde behoefte had van € 4.000,-- netto per maand en dat de man aan de vrouw een alimentatie zal voldoen van € 3.625,-- bruto per maand.
Op basis van de ‘hofnorm’ had de behoefte volgens de gebruikelijke rekenmethodiek kunnen worden vastgesteld op 60% van € 14.000,-- dus € 8.400,-- netto per maand). Dus aanzienlijk hoger dan de vastgestelde € 4.000,-- netto. Weliswaar heeft de man gesteld dat op het netto inkomen van de man ook de kosten van levensonderhoud en van de studie van de kinderen in mindering kwamen, maar hierover hebben partijen in het convenant geen regeling / overweging opgenomen en de man heeft nagelaten de hoogte daarvan te stellen en inzichtelijk te maken, zodat het hof niet kan vaststellen of en, zo ja, in hoeverre deze een rol hebben gespeeld bij het vaststellen van de behoefte en de alimentatie van de vrouw. Vervolgens hebben partijen de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie lager vastgesteld dan de behoefte van de vrouw.
Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat partijen zich niet hebben willen richten op de wettelijke maatstaven en hiervan bewust zijn afgeweken.
De stelling van de man dat alleen sprake kan zijn van een bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven indien de behoefte volgens de wettelijke maatstaven zou zijn voorgerekend, kan in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard. Daarbij komt dat niet vaststaat dat de man/partijen geen berekening hebben laten maken door zijn/hun advocaat. De vrouw heeft aangevoerd dat blijkens confraternele correspondentie wel een berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte is gemaakt, hetgeen de man niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.
Ook in de tekst onder 1.5 van het convenant ligt besloten dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven over de duur van de alimentatie. In 1.5 staat dat partijen op de hoogte zijn van de wettelijke termijn voor alimentatie en weten dat deze geldt vanaf de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand, maar dat zij overeengekomen zijn om deze termijn in te korten en dat dit samenhangt met een vóór de echtscheiding door de man aan de vrouw te betalen bijdrage. Voor een andersluidend oordeel heeft te man te weinig gesteld.
De maatstaf van artikel 1:159 lid 3 BW
5.5.1.
Het hof dient vervolgens te beoordelen of sprake is van gewijzigde omstandigheden die passen binnen de verzwaarde maatstaf van art. 1:159 lid 3 BW.
5.5.2.
De man beroept zich op de volgende gewijzigde omstandigheden:
de behoefte van de vrouw is verbleekt door tijdsverloop (grief 1, 7 en 8);
de verdiencapaciteit en inspanningsverplichting van de vrouw (grief 4, 5, en 6).
Hij stelt daartoe – kort gezegd – het volgende. De behoefte van de alimentatiegerechtigde kan wel degelijk verbleken door (louter) tijdsverloop en daarnaast ook door al dan niet grievend verwijtbaar gedrag. Dit gedrag kan bestaan uit een doen of nalaten, zoals blijkt uit twee uitspraken van respectievelijk het gerechtshof Den Haag van 19 januari 2022 (ECLI:NL:GHDHA:2022:51) en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 april 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:1460). De vrouw heeft nagelaten om sinds 2019 wezenlijk iets te ondernemen om in haar behoefte te voorzien. Daarmee heeft zij haar aanvullende behoefte prijsgegeven en is de huwelijksgerelateerde behoefte verbleekt. De uitspraken van de man in 2019 moeten worden gezien in de context dat partijen de echtscheiding in onderling overleg (met een mediator) wilden regelen. Toen de vrouw een hogere alimentatie verzocht, veranderde de man van standpunt over de verdiencapaciteit van de vrouw. De vrouw heeft zelf erkend een inspanningsverplichting te hebben en dat zij in de toekomst weer werkzaamheden wilde verrichten. Fysieke of psychische beperkingen van de vrouw staan hieraan niet in de weg. Partijen hebben ook niet een niet-wijzigingsbeding opgenomen. De vrouw heeft haar aanvullende behoefte ook prijsgegeven door genoegen te nemen met een lagere alimentatie.
5.5.3.
De vrouw voert hiertegen – samengevat – het volgende verweer.
Zowel de door de man aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Den Haag als de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch vertonen geen enkele gelijkenis met de onderhavige zaak. De vrouw betwist uitdrukkelijk dat sprake is van een verbleking van de behoefte. Uit de jurisprudentie blijkt dat enkel tijdsverloop onvoldoende is om ervan uit te gaan dat de behoefte is verbleekt. Ook is er geen sprake van gedrag op grond waarvan de behoefte van de vrouw is verbleekt. De vrouw erkent dat zij niets heeft ondernomen om geheel in haar eigen behoefte te voorzien, maar dit is niet verwijtbaar. Allereerst kampt de vrouw met medische beperkingen. Bovendien is het voor de vrouw ook – gelet op de hoogte van haar behoefte – onmogelijk om geheel in haar eigen behoefte te kunnen voorzien.
Van een verbleking van de behoefte door gedrag kan slechts sprake zijn door grievend gedrag van de alimentatiegerechtigde. De vrouw heeft zich niet dusdanig jegens de man gedragen dat sprake kan zijn van verbleking van de behoefte. Integendeel, de vrouw heeft genoegen genomen met een partneralimentatie die ver beneden haar huwelijksgerelateerde behoefte ligt. Zij is de man daarin juist in verregaande mate tegemoet gekomen. De vrouw kan met de alimentatie die zij ontvangt niet geheel in haar huwelijksgerelateerde behoefte voorzien. Door de vrouw te verrichten werk is nauwelijks van invloed op door de man te betalen alimentatie.
5.5.4.
Het hof beantwoordt de 5.2.1. geformuleerde vraag negatief. De door de man aangedragen wijzigingsgronden zijn - mede gelet op het verweer van de vrouw - niet zodanig dat deze in het licht van alle omstandigheden op dat moment meebrengen, dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.
Partijen zijn op 24 mei 1995 met elkaar gehuwd. Zij hebben in 2019 besloten uit elkaar te gaan. Hun huwelijk is op 11 februari 2022 ontbonden. De man werkte tijdens het huwelijk in [land] en partijen hebben afgesproken dat de vrouw niet zou werken. Alleen al in het licht van deze feiten en omstandigheden is van verbleking van de behoefte door tijdsverloop geen sprake.