Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2024:3861
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,238 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 5 december 2024
Zaaknummer: 200.340.826/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/298799 / FA RK 21-4434
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.C.H. Poelman,
tegen
[de moeder]
,
wonende in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.J.A. Roeleven.
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio [regio], locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort: deze procedure gaat over de vaststelling van de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 15 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift van 30 april 2024, met producties, ingekomen bij het hof op 1 mei 2024, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen een omgangsregeling in opbouw naar uiteindelijk een wekelijkse omgangsregeling begeleid door [instantie] ( [instantie] ) waarbij [instantie] [minderjarige] ophaalt bij de moeder, de omgang volledig één op één begeleidt en [minderjarige] weer terugbrengt naar de moeder, dan wel een zodanige regeling als [instantie] in het belang acht van [minderjarige] , subsidiair een dusdanige omgangsregeling als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
2.2.
Bij verweerschrift van 24 juni 2024, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de moeder verzocht om bij beschikking voor zover mogelijk wettelijk uitvoerbaar bij voorraad het beroep van de vader af te wijzen en de beschikking van de rechtbank in stand te laten.
2.3.
Het hof heeft verder kennis genomen van:
- het V6-formulier van 30 mei 2024 van de advocaat van de man, met bijlage, ingekomen bij het hof op 3 juni 2024.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Beoordeling
3.1.
Uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en de vader is geboren de hiervoor genoemde [minderjarige] .
3.2.
De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent het eenhoofdig gezag uit over [minderjarige] .
3.3.
[minderjarige] woont bij de moeder, samen met haar (half)broer [(half)broer] .
3.4.
De rechtbank heeft in de procedure in eerste aanleg de raad bij beschikking van
30 december 2021 verzocht een onderzoek te verrichten en te adviseren over, kort gezegd, de mogelijkheden van het vaststellen van een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader. De beslissing op de verzoeken is aangehouden.
3.5.
Bij beschikking van 21 december 2022 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om zich te wenden tot de vrijwillige hulpverlening (bijvoorbeeld [hulpverlener] ) om deel te nemen aan een ouderschapsreorganisatietraject om te komen tot solo parallel ouderschap. Daarnaast is de raad verzocht nader onderzoek te doen en advies uit te brengen over de mogelijkheden voor een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader, nadat het ouderschapsreorganisatietraject is afgerond, of als dat niet wordt gestart of voortijdig wordt afgebroken. De beslissing op de verzoeken is aangehouden.
3.6.
Bij beschikking van 17 maart 2023 heeft de rechtbank de raad verzocht nader onderzoek te doen met betrekking tot de vragen zoals opgenomen in de beschikking van 21 december 2022. De beslissing op de verzoeken is aangehouden.
3.7.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van de vader afgewezen om op straffe van verbeurte van een dwangsom een omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader.
3.8.
De vader kan zich met de beslissing ten aanzien van het vaststellen van een omgangsregeling niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.9.
De vader voert - samengevat - het volgende aan.
De vader wil weer contact met [minderjarige] . De vader en [minderjarige] hebben recht op contact met elkaar. [minderjarige] is geen slachtoffer geworden van het incident tussen de vader en de moeder. De vader heeft bovendien geen stukken ontvangen waaruit blijkt dat [minderjarige] begeleide omgang met de vader niet aan kan. Volgens de vader is het mogelijk dat de door de moeder gestelde verlatingsangst van [minderjarige] veroorzaakt is door het plotselinge stopzetten van het contact met de vader door de moeder. De vader heeft daarnaast geen rapportages gezien (zoals van de bekkenbodemtherapie van de moeder of de medicatie die de moeder gebruikt) waaruit blijkt hoe het nu met de moeder gaat. De vader gaat er daarom vanuit dat de moeder in staat is om de begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] te ondersteunen. Daar komt bij dat het raadsrapport inmiddels gedateerd is en de situatie op dit moment is gewijzigd, omdat de vader niet meer gedetineerd is. De vader erkent dat de gevolgen van het incident naar zijn voor de moeder maar hij heeft een andere lezing van het incident dan de moeder. Het is belangrijk om de positie van de vader in het leven van [minderjarige] in positieve zin te bevorderen. [minderjarige] raakt niet klem of verloren bij een traject voor begeleide omgang of ouderschapsreorganisatie. De vader wil daarom graag een stip op de horizon ten aanzien van de omgang waar naar toe kan worden gewerkt. Het is voor de vader onduidelijk wat van hem wordt verwacht om daar naar toe te werken.
3.10.
De moeder voert - samengevat - het volgende aan.
Zowel de moeder als [minderjarige] en [(half)broer] zijn slachtoffer geworden van het strafbare feit dat de vader ten aanzien van de moeder heeft gepleegd. De moeder heeft EMDR-therapie gevolgd voor de behandeling van haar trauma’s ten gevolge van dit delict en daarnaast krijgt het gezin op dit moment nog steeds intensieve hulpverlening in de thuissituatie. [minderjarige] heeft last van verlatingsangst en gaat op korte termijn beginnen met een weerbaarheidstraining. [(half)broer] krijgt nog steeds therapie vanwege het incident en vanwege het handelen van de vader gedurende de relatie van de moeder en de vader. Het is voor de moeder onbegrijpelijk en stuitend dat de vader vraagt om verslagen van haar therapieën, gelet op het trauma en het letsel dat haar door de vader is aangedaan en waarvan zij nog dagelijks de gevolgen draagt.
De moeder stelt daar tegenover dat zij van de kant van de vader geen verslagen heeft gezien waaruit blijkt dat de vader hulp heeft gekregen om zijn zienswijze bij te stellen dat het de schuld van de moeder is wat er is gebeurd en dat zij hier om gevraagd heeft. De vader blijft ontkennen wat hij heeft gedaan. [minderjarige] ziet nog dagelijks waar de moeder op dit moment nog mee worstelt en bovendien afgelopen jaren heeft doorgemaakt. Als zij contact moet gaan hebben met de vader komt [minderjarige] in een loyaliteitsconflict. De vader toont nog altijd geen berouw, erkent geen schuld en heeft geen therapie gekregen om beter inzicht te krijgen in zijn handelen. Er is geen enkel zicht op zijn opvoedvaardigheden in relatie tot [minderjarige] . Bovendien loopt er nog altijd een contact- en gebiedsverbod, waarbij de vader geen enkel contact mag hebben met de moeder en niet in haar woonomgeving mag komen.
De moeder is gelet op het heftige en gewelddadige handelen van de vader naar haar toe waar hij ook strafrechtelijk voor is veroordeeld, de gevolgen die ze daarvan nog dagelijks ondervindt en de rest van haar leven zal blijven ondervinden en de impact die dit alles heeft gehad binnen haar gezin niet in staat om [minderjarige] te ondersteunen in het hebben van contact met de vader. De stabiliteit van de moeder zal eronder lijden als er een omgangsregeling wordt opgelegd. De omgang met [minderjarige] moet de vader daarom worden ontzegd.
De moeder baart het tenslotte ernstige zorgen dat de vader aanwezig is in het huis van de opa en oma (vaderszijde) als [minderjarige] daar omgang heeft met de opa en oma. De rechtbank heeft in de beschikking waarin deze omgangsregeling is vastgelegd expliciet overwogen dat de vader op die momenten geen contact mag hebben met [minderjarige] .
3.11.
De raad adviseert het volgende.
De adviezen die de raad in de rapportages van 2022 en 2023 heeft gegeven zijn nog steeds actueel. De dynamiek tussen de ouders is ongewijzigd en dat maakt dat de raad, anders dan de vader betoogt, een nieuw onderzoek niet nodig acht. De moeder is op dit moment begrijpelijkerwijs niet in staat om een traject tot ouderschapsreorganisatie met de vader aan te gaan, terwijl de vader heeft aangegeven een dergelijk traject niet nodig te vinden. Een zodanige vorm van hulpverlening is volgens de raad echter wel de voorwaarde voordat er ooit sprake kan zijn van contact tussen de vader en [minderjarige] . Zonder een dergelijk traject loopt [minderjarige] de kans dat ze klem komt te zitten tussen de ouders. Daarnaast is er de zorg dat de moeder door het opleggen van een omgangsregeling dermate ontregelt dat de opvoedsituatie bij de moeder onder zware druk komt te staan, hetgeen niet in het belang is van [minderjarige] (en [(half)broer] ). Hoewel kinderen recht hebben op contact met hun beide ouders, hebben zij ook het recht op het veilig kunnen opgroeien in stabiliteit. Dat laatste moet in dit geval zwaarder wegen. Contact tussen de vader en [minderjarige] is daarom nu niet mogelijk. Wanneer dat wel zou kunnen is voor de raad niet te specificeren.
3.12.
Het hof overweegt als volgt.
3.12.1.
Net als de rechtbank is het hof van oordeel, na eigen onderzoek en waardering, dat het verzoek van de vader om een begeleide omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige] moet worden afgewezen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 15 maart 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, E.M.C. Dumoulin en E.M.D.M. van der Linden en is op 5 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Artikel 31 Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul).
Beoordeling
Het hof voegt daar het volgende aan toe.
3.12.2.
De Hoge Raad heeft bij (strafrechtelijk) arrest van 14 mei 2024 het beroep in cassatie van de vader tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 april 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de veroordeling van de vader tot een gevangenisstraf van vijf jaar en vier maanden voor verkrachting van de moeder, voor zware mishandeling en voor mishandeling van de moeder onherroepelijk is geworden. Dit geldt ook voor het door het gerechtshof aan de vader opgelegde contact- en locatieverbod voor de duur van vijf jaar. De detentie van de vader is in oktober 2023 geëindigd. Het contact- en locatieverbod loopt nog door. De eerste grief van de vader die zag op de situatie dat de veroordeling van de vader in cassatie nog niet vast was komen te staan, is door de vader tijdens de mondelinge behandeling bij het hof ingetrokken. Deze grief behoeft hierdoor geen bespreking meer.
Het hof overweegt vervolgens, net als de rechtbank, dat gelet op de aard van voornoemde delicten bij het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] aansluiting dient te worden gezocht bij het Verdrag van Istanbul teneinde de rechten en veiligheid van de moeder en [minderjarige] te waarborgen. Deze rechten en de veiligheid van de moeder en haar kinderen komen naar het oordeel van het hof in het geding als er een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] wordt vastgesteld. Anders dan de vader betoogt, is [minderjarige] naar het oordeel van het hof immers (indirect) slachtoffer geworden van de zeer ernstige geweldsdelicten die de vader ten opzichte van de moeder heeft gepleegd. Vast is komen te staan dat de moeder jaren na de gepleegde delicten nog dagelijks pijn en hinder ondervindt van hetgeen haar door de vader is aangedaan en dat zij deze pijn en hinder de rest van haar leven zal blijven ondervinden doordat haar lichamelijke klachten naar alle waarschijnlijkheid zullen toenemen naarmate ze ouder wordt. Dit werkt door in de opvoedsituatie van [minderjarige] .
Het hof betrekt bij de beoordeling dat de raad het hof heeft geadviseerd dat het recht van [minderjarige] op het veilig kunnen opgroeien in stabiliteit binnen het gezin van de moeder zwaarder dient te wegen dan het recht van [minderjarige] op het hebben van contact met haar beide ouders. De stabiliteit in het gezin van de moeder komt logischerwijs zeer zwaar onder druk te staan als de moeder uitvoering dient te geven aan een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] . De raad heeft, onder verwijzing naar voornoemd Verdrag van Istanbul, in het raadsonderzoek van 13 juli 2023 in dit verband bovendien beschreven dat de moeder hard aan zichzelf en haar gezin heeft gewerkt om weer in balans te komen en dat er zorgen zijn dat die balans verstoord wordt zodra de vader in het leven van [minderjarige] komt.
Het feit dat door de moeder geen rapportages zijn overgelegd maakt dit niet anders. Op grond van de overgelegde stukken, waaronder de stukken uit het strafproces, en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren gekomen is het voor het hof evident dat de gevolgen van voornoemde delicten voor de moeder, [minderjarige] en ook voor [(half)broer] , tot op de dag van vandaag zeer ingrijpend zijn. Nog los van de fysieke gevolgen voor de moeder hebben de moeder, [minderjarige] en [(half)broer] hulpverlening nodig (gehad) om de gevolgen van de door de vader gepleegde delicten te verwerken. Daarnaast komt er op dit moment nog steeds drie keer per week hulpverlening bij de moeder in huis. [(half)broer] krijgt bovendien hulp bij de verwerking van wat er is gebeurd tijdens de relatie tussen de moeder en de vader en [minderjarige] gaat binnenkort starten met een training om haar weerbaarheid te vergroten. Het ontbreekt de moeder, gelet op het voorgaande, aan draagkracht om de omgangsregeling te kunnen ondersteunen.
In dat kader heeft de moeder andermaal haar zorgen geuit over de situatie dat de vader geen hulpverlening heeft gekregen bij zijn zienswijze over de door hem gepleegde delicten, dat de vader nog altijd geen schuld erkent en dat de vader geen berouw toont richting de moeder. De moeder heeft daarbij verwezen naar de uitkomst van de Pro Justitia rapportage van de vader (zoals die wordt benoemd in het raadsrapport uit 2023) waaruit volgt dat er bij de vader ten aanzien van huiselijk geweld een verhoogd risico op recidive bestaat. Het hof stelt vast geen (recente) hulpverleningsrapportages van de vader te hebben ontvangen.
Gelet op al deze omstandigheden kan er geen omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] worden vastgesteld. Dit betekent dat het verzoek van de vader in hoger beroep zal worden afgewezen. Aangezien de moeder geen verzoek heeft ingediend om de vader de omgang met [minderjarige] te ontzeggen, zal het hof op de enkele stellingname van de moeder hierover op de mondelinge behandeling niet verder ingaan.
3.13.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en het verzoek van de vader afwijzen.