Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-11-26
ECLI:NL:GHSHE:2024:3792
Strafrecht
Hoger beroep
1,576 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000645-24
Uitspraak : 26 november 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 februari 2024, parketnummer 03-039369-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 03-148693-23, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
blijkens de Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 20 september 2024 geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek van voorarrest.
Daarnaast heeft de politierechter het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.
Tot slot heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de onder parketnummer
03-148693-23 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Door de raadsvrouw van de verdachte is vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de raadsvrouw in het verlengde van de door haar bepleite vrijspraak betoogd dat het Openbaar Ministerie daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging bepleit dat deze vordering dient te worden afgewezen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met aanvulling van de gronden waarop dit berust.
Bewijsmiddelen
De politierechter heeft in het vonnis waarvan beroep volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud daarvan weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, lid 3, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering en zal daarom – indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Aanvulling van de bewijsoverwegingen
Dictum
Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de politierechter op pagina’s 7 en 8 van het vonnis waarvan beroep (onder het kopje ‘De overwegingen van de politierechter ten aanzien van het bewijs’). Het hof neemt deze bewijsoverwegingen van de politierechter dan ook over en maakt die tot de zijne, met aanvulling van het hierna volgende.
Voor zover het hof zou vaststellen dat de verdachte de tenlastegelegde uitlating heeft gedaan en deze uitlating betrekking heeft op aangeefster is door de verdediging vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit omdat het opzet van de verdachte er niet op gericht zou zijn geweest dat aangeefster daadwerkelijk op de hoogte zou raken van de bedreiging. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de verdachte zijn uitlating heeft gedaan tijdens een gehoor door verbalisanten van de Afdeling Vreemdelingenpolitie Identificatie en Mensenhandel (hierna: AVIM) in de penitentiaire inrichting te Roermond en dat het, gelet op deze besloten setting, dan ook niet zijn bedoeling was dat deze uitlating aangeefster zou bereiken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat het opzet van de verdachte (al dan niet in voorwaardelijke vorm) erop gericht was dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte zou raken van de bedreiging.
De verdachte heeft de tenlastegelegde bewoordingen geuit tijdens een gehoor door verbalisanten van de AVIM. In het proces-verbaal van bevindingen relateren de verbalisanten dat de verdachte tijdens dit gehoor, dat bedoeld was om zijn zienswijze te vernemen op het voornemen om aan hem een “zwaar” inreisverbod op te leggen, het meerdere keren wilde hebben over de strafzaak waarin de verdachte is veroordeeld voor belaging en bedreiging van aangeefster tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.
Door onder deze omstandigheden de in de tenlastelegging genoemde woorden te uiten heeft de verdachte – minst genomen – bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze uitlating bij aangeefster terecht zou komen. Het is immers de taak van de politie om burgers te beschermen tegen het plegen van strafbare feiten en het informeren van aangeefster is daar een onderdeel van.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer. Ook hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. L. Feraaune, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 26 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.