Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-11-28
ECLI:NL:GHSHE:2024:3774
Civiel recht
Hoger beroep
6,157 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 28 november 2024
Zaaknummer : 200.343.797/01
Zaaknummer eerste aanleg : 11056812 \ OV VERZ 24-18
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. J. van Eck te Weert,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. E.A. Roest te Amsterdam.
Procesverloop
Het hof verwijst naar de beschikking van 1 mei 2024 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, waarbij het verzoek van [appellant] om een voorlopig getuigenverhoor is afgewezen.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties (1 tot en met 4), ingekomen ter griffie van dit hof op 15 juli 2024, heeft [appellant] het hof verzocht:
“om de beschikking van de rechtbank Limburg van 1 mei 2024 te vernietigen;
primair om zich te onthouden van een juridisch oordeel over het kwijtingsbeding, en te bepalen dat dat oordeel in een bodemprocedure gegeven dient te worden;
secundair om te bepalen dat [appellant] geen finale kwijting heeft verleend ten aanzien van aanspraken die zien op de gedragingen van [werknemer van verweerster] en de wijze waarop [verweerster] met die gedragingen is omgegaan;
om te bevelen dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden;
om [verweerster] te veroordelen in de kosten in eerste aanleg en in hoger beroep;
om de verzoeken, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.”
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van dit hof op 20 september 2024, heeft [verweerster] het hof – kort weergegeven – verzocht het beroep van [appellant] ongegrond te verklaren en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] , voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in beide instanties te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
[appellant] , bijgestaan door mr. Van Eck en
[HR-directeur] (HR-directeur) namens [verweerster] , bijgestaan door mr. Roest.
2.4.
Het hof heeft verder kennisgenomen van:
de namens appellant nagezonden productie 4 bij het verzoekschrift in eerste aanleg, ingekomen ter griffie van dit hof op 18 september 2024 en
de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Van Eck overgelegde en voorgelezen spreekaantekeningen.
Feiten
3.1.
Het gaat – kort weergegeven – om het volgende.
a. Op 1 september 2007 is [appellant] bij [verweerster] in dienst getreden. [appellant] was werkzaam in de functie van Quality Operator.
Op 5 juni 2021 is [appellant] arbeidsongeschikt geraakt ten gevolge van stress en psychische klachten, welke zijn ontstaan door spanningen tussen hem en [werknemer van verweerster] die bij [verweerster] werkzaam is in een functie hoger in rang dan [appellant] .
Op 11 oktober 2021 is [appellant] gestart met de re-integratiewerkzaamheden.
Vervolgens is [appellant] op 9 januari 2022 tijdens zijn werkzaamheden bij [verweerster] van een trap gevallen. Na de val van de trap werd de re-integratie van [appellant] beëindigd en is [appellant] niet meer werkzaam geweest.
Met ingang van 3 juni 2023 is aan [appellant] een WIA-uitkering toegekend.
Tussen [appellant] en [verweerster] is op 2 oktober 2023 een beëindigingsovereenkomst tot stand gekomen, waarbij partijen zijn overeengekomen het dienstverband te beëindigen. Onder artikel 10.1 van de beëindigingsovereenkomst is opgenomen dat deze overeenkomst een vaststellingsovereenkomst is in de zin van artikel 7:900 BW.
Verder zijn onder meer in de vaststellingsovereenkomst de volgende bepalingen opgenomen:
“10.6 Door ondertekening van de Overeenkomst verklaart Werknemer uitdrukkelijk dat (a) hij een goed en volledig begrip heeft van de inhoud en consequenties van de Overeenkomst, (b) hij instemt met de inhoud en consequenties van de Overeenkomst, (c) hij de gelegenheid heeft gehad zich te laten bijstaan c.q. adviseren door een juridisch adviseur en (d) geen feiten en/of omstandigheden heeft verzwegen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed hadden kunnen zijn op de inhoud van de Overeenkomst, in het bijzonder de hoogte van de vergoeding.
10.7
Met inachtneming van het vorenstaande verlenen Partijen elkaar over en weer algehele en finale kwijting ter zake van de arbeidsovereenkomst en/of het einde daarvan en alles wat daaruit direct of indirect kan voortvloeien. Deze finale kwijting ziet tevens uitdrukkelijk op, maar is niet beperkt tot, de tot de groep van de Werkgever behorende vennootschappen. Van deze finale kwijting is uitdrukkelijk uitgezonderd de aanspraken uit het op dit moment tussen Werkgever en Werknemer lopende geschil, alsmede eventueel toekomstige geschillen, met betrekking tot de ziekte c.q. letsel c.q. schade van Werknemer als gevolg van een bedrijfsongeval, waarvoor Werknemer Werkgever aansprakelijk houdt/zal houden en waarbij Werkgever enige aansprakelijkheid ontkent, ongeacht de grondslag waarop de aansprakelijkheid ten aanzien van het vermeende bedrijfsongeval wordt gebaseerd.
Van de finale kwijting is tevens uitgezonderd de zogenaamde CHUBB uitkering, bij Partijen genoegzaam bekend.”
Eerste aanleg
3.2.
[appellant] heeft de kantonrechter verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten naar het causaal verband tussen de psychische klachten en het handelen van [verweerster] .
3.2.1.
[verweerster] heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen gelet op de finale kwijting.
3.2.2.
De kantonrechter heeft bij beschikking van 1 mei 2024 het verzoek van [appellant] afgewezen bij gebrek aan belang. De kantonrechter heeft het volgende overwogen:
“5.4. (…) Op vragen van de kantonrechter wat de grondslag is waarop [appellant] zijn vordering zal baseren, heeft [appellant] concreet gemaakt voornemens te zijn een werkgeversaansprakelijkheidsprocedure tegen [verweerster] te starten omdat hij meent dat [verweerster] zich niet als goed werkgever heeft gedragen conform artikel 7:611 BW dan wel haar zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW heeft geschonden. Daarmee is sprake van vorderingen betreffende de arbeidsovereenkomst, zoals die tussen [appellant] en [verweerster] heeft bestaan en de invulling van het werkgeverschap door [verweerster] in dat kader en de beëindiging daarvan en dat is nu juist waar de kwijtingsbepaling van artikel 10.7 van de vaststellingsovereenkomst specifiek op ziet. [appellant] heeft ook geen andere feiten en omstandigheden aan zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor ten grondslag gelegd dan die welke reeds bij het tot stand komen van de beëindigingsovereenkomst bekend waren. Partijen hebben elkaar over en weer algehele en finale kwijting verleend ter zake van de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan en alles wat daaruit direct of indirect kan voorvloeien. Wel hebben partijen van de finale kwijting uitgesloten aanspraken met betrekking tot het bedrijfsongeval van 9 januari 2022. [verweerster] heeft in haar verweerschrift en ter zitting gewezen op de door [appellant] geparafeerde ‘bijlage vso’ bij de vaststellingsovereenkomst en betoogd dat het bedrijfsongeval specifiek ziet op de val van de trap op 9 januari 2022. [appellant] heeft dit niet bestreden zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. De vorderingen die [appellant] overweegt in te stellen, zien aldus op de afhandeling door [verweerster] van het conflict tussen hem en [werknemer van verweerster] waarvoor partijen elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend. De afhandeling ziet niet op het bedrijfsongeval dat uitgesloten is van de finale kwijting. De vorderingen die [appellant] overweegt in te stellen betreffen de uitoefening van het werkgeverschap door [verweerster] en het beëindigen van de arbeidsovereenkomst terwijl partijen elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend voor alle vorderingen die direct of indirect uit deze rechtsverhouding kunnen voortvloeien. Nu de door [appellant] voorgenomen vorderingen afstuiten op de overeengekomen finale kwijting en derhalve geen kans van slagen hebben, heeft [appellant] ook geen belang als bedoeld in artikel 3:303 BW bij het bevelen van een op deze vorderingen gebaseerd voorlopig getuigenverhoor, zodat de kantonrechter het verzoek zal afwijzen.”
Hoger beroep
3.3.
[appellant] heeft in zijn beroepschrift – kort weergegeven – de volgende grieven aangevoerd:
I. Door [appellant] is betoogd dat een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor niet de juiste procedure is voor de kantonrechter om zich uit te laten over het kwijtingsbeding. De kantonrechter heeft ten onrechte dat argument niet beoordeeld, en het kwijtingsbeding wel juridisch inhoudelijk behandeld;
II. De kantonrechter oordeelt ten onrechte dat [appellant] enkel wenst te onderzoeken of [verweerster] aansprakelijk is te houden ten aanzien van het handelen van [werknemer van verweerster] en de wijze waarop [verweerster] daar vervolgens mee is omgegaan;
III. Door [appellant] is betoogd dat er sprake is van samenhang tussen het handelen van [werknemer van verweerster] , de wijze waarop [verweerster] daarmee omging én de val van de trap tijdens de re-integratie. De kantonrechter heeft ten onrechte die argumenten niet meegenomen in de beschikking en de overwegingen.
IV. Het betoog van [appellant] dat er geen gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen kan zijn ontstaan bij [verweerster] dat [appellant] welbewust en weloverwogen heeft ingestemd om finale kwijting te verlenen ten aanzien van aanspraken die zien op het handelen van [werknemer van verweerster] en de wijze waarop [verweerster] daar nadien mee is omgegaan, is ten onrechte niet behandeld door de kantonrechter.
3.3.1.
[appellant] stelt dat hij materiële en immateriële schade heeft geleden als gevolg van de gedragingen van [werknemer van verweerster] en de wijze waarop [verweerster] met die gedragingen is omgegaan, en als gevolg van de val van de trap op 9 januari 2022.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van dit hoger beroep, en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van [verweerster] op € 798,= voor griffierecht en € 2.428,= voor salaris advocaat en
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. Smits, A.P. Zweers-van Vollenhoven en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2024.
Vgl. ECLI:NL:HR:2018:727 en ECLI:NL:HR:2020:2007 (hof: noot rechtbank).
ECLI:NL:GHAMS:2024:763 (hof: noot [appellant] )
Feiten
[appellant] wenst de mogelijkheid te onderzoeken of [verweerster] in rechte aansprakelijk is te houden voor de gevolgen van de voorvallen bij [verweerster] . Om zijn stellingen te onderbouwen en om aanvullend bewijs te vergaren verzoekt [appellant] het hof om de volgende getuigen op te roepen en te horen:
- zichzelf ( [appellant] );
o (verkort weergegeven:) [appellant] kan verklaren over de financiële afdrachten aan [werknemer van verweerster] , de (werk)verhouding met [werknemer van verweerster] en hoe het management van [verweerster] bekend raakte met de financiële afdrachten. Ook kan [appellant] verklaren over de wijze waarop het management van [verweerster] het voorval heeft opgepakt. [appellant] kan ook verklaren over zijn re-integratie, klachten, arbeidsongeschiktheid en de redenen waarom er geen andere mogelijkheid was dan dat partijen uit elkaar zouden gaan;
- [werknemer van verweerster] ;
o (verkort weergegeven:) Zij kan verklaren over de financiële afdrachten, de (werk)verhouding met [appellant] en hoe het management van [verweerster] bekend raakte met de financiële afdrachten. Ook kan [werknemer van verweerster] verklaren over de wijze waarop het management van [verweerster] het voorval heeft opgepakt, welke gesprekken zij met het management van [verweerster] daarover gevoerd heeft en welke bevindingen en conclusies het management van [verweerster] heeft medegedeeld aan [werknemer van verweerster] ;
- de heer [Getuige 1] ;
o Hij kan verklaren over de financiële afdrachten, de wijze waarop hij hiermee bekend raakte, hoe hij het voorval heeft opgepakt en wat zijn bevindingen en conclusies waren;
- de heer [Getuige 2] ;
o Hij kan verklaren over de financiële afdrachten, de wijze waarop hij hiermee bekend raakte, de wijze waarop het management van [verweerster] het voorval vervolgens heeft opgepakt en welke bevindingen en conclusies het management van [verweerster] aan hem heeft geuit;
- mevrouw [Getuige 3] ;
o Zij kan verklaren over de werknemer [appellant] , het re-integratieproces, de arbeidsongeschiktheid van [appellant] en waarom voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk was, en waarom de werkgever feitelijk geen andere mogelijkheid meer restte dan te streven naar beëindiging van het dienstverband;
- de heer [Getuige 4] ;
o Hij kan over hetzelfde verklaren als mevrouw [Getuige 3] ;
- de heer [Getuige 5] ;
o Hij was aanwezig bij het gesprek tussen [appellant] en [Getuige 1] op 25 mei 2021 en kan verklaren wat er tijdens dat gesprek besproken is en tot welke bevindingen en conclusies hijzelf kwam en welke bevindingen en conclusies aan [appellant] zijn geuit door hem en het management van [verweerster] .
3.3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] – kort weergegeven – hieraan toegevoegd dat met de term ‘het ongeval’ in het kwijtingsbeding de val van de trap op 9 januari 2022 wordt bedoeld. [appellant] meent dat hij geen finale kwijting heeft verleend aan [verweerster] ten aanzien van alles wat voorafging aan die val. En zelfs al zou [appellant] finale kwijting hebben verleend ten aanzien van de gedragingen van [werknemer van verweerster] en [verweerster] , dan nog moeten er getuigen worden gehoord ten aanzien van de val van de trap én de periode die daaraan voorafging. Voor de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag ten aanzien van de val van de trap, moeten volgens [appellant] ook de aanloop en omstandigheden immers goed in kaart worden gebracht. De getuigen kunnen verklaren over het re-integratieproces dat in het licht van de val van de trap moet worden gezien nu daar van alles aan vooraf is gegaan. Zo was [appellant] duizelig. Volgens [appellant] hebben de getuigen de val niet zien gebeuren, maar weten zij wel onder welke omstandigheden hij in de situatie is terechtgekomen. De getuigen kunnen volgens [appellant] verklaren over bepaalde keuzes die in het re-integratietraject zijn gemaakt, zoals waar hij moest werken.
3.4.
[verweerster] heeft zowel bij verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek van [appellant] . Voor zover nodig zal het hof bij de beoordeling daarop ingaan.
3.5.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijkheid Nederlands recht
3.5.1.
De zaak heeft internationale aspecten. [appellant] woont in België en [verweerster] is gevestigd te [vestigingsplaats] in Nederland. De bevoegdheidsvraag dient aan de hand van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) te worden beantwoord. Op grond van artikel 21 EEX-Vo dient de werkgever te worden opgeroepen voor het gerecht in de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft. [verweerster] is gevestigd te [vestigingsplaats] . Het hof is daarom bevoegd om de zaak te behandelen.
3.5.2.
Het toepasselijk recht is geregeld in Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I). Uitgangspunt is dat het recht van toepassing is dat partijen uitdrukkelijk hebben gekozen (artikel 3 Rome I). Partijen zijn in artikel 10.8 van de beëindigingsovereenkomst overeengekomen dat op deze overeenkomst en alle eventueel daaruit voortvloeiende of daarmee verband houdende geschillen Nederlands recht van toepassing is. De toepasselijkheid van Nederlands recht is tussen partijen (ook overigens) niet in geschil.
Afwijzing van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor
3.5.3.
Bij de beoordeling moet voorop worden gesteld dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, slechts kan worden afgewezen op de grond dat de verzoeker daarbij geen belang heeft (artikel 3:303 BW), dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (artikel 3:13 BW), dat het strijdig is met een goede procesorde, dan wel dat het moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (vergelijk HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105, r.o. 3.2 en HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1112, r.o. 3.2.2-3.2.4).
3.5.4.
Met inachtneming van voornoemde maatstaf is het hof van oordeel dat het verzoek van [appellant] tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor moet worden afgewezen. Het hof licht dit hierna toe.
3.5.5.
Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst hebben zij elkaar “algehele en finale kwijting [verleend] ter zake van de arbeidsovereenkomst en/of het einde daarvan en alles wat daaruit direct of indirect kan voortvloeien”. Van die kwijting zijn volgens de overeenkomst uitgezonderd “de aanspraken uit het op dit moment tussen Werkgever en Werknemer lopende geschil, alsmede eventueel toekomstige geschillen, met betrekking tot de ziekte c.q. letsel c.q. schade van Werknemer als gevolg van een bedrijfsongeval (…)”. Dat met “een bedrijfsongeval” de val van de trap (verder “de val”) op 9 januari 2022 wordt bedoeld is tussen partijen niet in geschil.
3.5.6.
[appellant] heeft met zijn eerste grief – samengevat – betoogd dat een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor niet de juiste procedure is (voor de rechtbank) om zich uit te laten over het kwijtingsbeding en dat de rechtbank het kwijtingsbeding ten onrechte juridisch inhoudelijk heeft behandeld.
Feiten
Deze grief treft geen doel.
3.5.7.
Dat een eindoordeel over het kwijtingsbeding aan de bodemrechter (indien en voor zover aan deze voorgelegd) is voorbehouden, is natuurlijk juist. Maar dat neemt niet weg dat – totdat een bodemrechter heeft geoordeeld – het een vaststaand feit is, dat het kwijtingsbeding onderdeel is van de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Ook in het kader van een verzoek als het onderhavige zal dat feit, mede, in de beoordeling moet worden betrokken. Het kwijtingsbeding kan, met andere woorden, niet zomaar weggedacht of buiten beschouwing gelaten worden.
3.5.8.
Met zijn vierde grief komt [appellant] op tegen de door de rechtbank vastgestelde uitleg van het kwijtingsbeding. Ook die grief treft geen doel. Volgens [appellant] zijn van de kwijting uitgesloten “ziekte” (ook zijn ziekte voorafgaand aan de val), “letsel (in het algemeen)” (naar het hof begrijpt dus ook ander letsel dan als gevolg van de val) en “schade van werknemer als gevolg van het ongeval” (beroepschrift randnummer 37). [appellant] onderbouwt dit met de verwijzing naar de in de kwijtingsbepaling veelgebruikte afkorting “c.q.” Het hof is voorshands van oordeel dat de door [appellant] aan de uitzondering op het kwijtingsbeding gegeven uitleg (veel) te ruim, en daarmee zijn uitleg van het kwijtingsbeding zelf te beperkt is en geen steun vindt in de tekst van de bepaling. Niet alleen schade van de werknemer moet het gevolg zijn de val om van de kwijting te zijn uitgesloten. Datzelfde geldt naar het oordeel van het hof ook voor ziekte van de werknemer en letsel van de werknemer. Dat in de tekst de afkorting “c.q.” meermalen is gebruikt, maakt dit niet anders, nu die afkorting in een tekstsamenstelling als deze in het normale spraakgebruik doorgaans wordt gelezen als “en/of”. Dat in dit geval een andere betekenis aan de afkorting (en daarmee de bepaling als geheel) toekomt is door [appellant] onvoldoende onderbouwd.
3.5.9.
Het voorgaande brengt met zich dat het hof er voorshands van uit moet gaan dat partijen hebben afgesproken dat alle ziekte en/of letsel en/of schade, die niet is of zijn veroorzaakt door de val, onder de in de vaststellingsovereenkomst verleende kwijting vallen.
3.5.10.
Voor zover [appellant] wil onderzoeken of [verweerster] aansprakelijk gehouden kan worden voor het handelen van [werknemer van verweerster] en de wijze waarop [verweerster] daar vervolgens mee is omgegaan geldt dat dit zich allemaal voorafgaand aan de val heeft afgespeeld. Hieruit voortvloeiende ziekte, letsel en/of schade kunnen reeds daarom geen gevolg zijn van de val. Eventuele daarop gegronde vorderingen vallen naar het voorshands oordeel van het hof onder de verleende finale kwijting. Hoewel, zoals hiervoor overwogen (r.o. 3.5.7.), een definitief oordeel over de reikwijdte van de kwijting aan de bodemrechter is voorbehouden, is naar het oordeel van het hof, bij de huidige stand van zaken, de kans dat vorderingen op deze grondslag in de bodemprocedure op de kwijting zullen afketsen dermate groot, dat het in strijd met de eisen van een goed procesorde is om daar nu al getuigen over te gaan horen.
3.5.11.
Gebeurtenissen van voor de val zouden wel onderwerp van voorlopig getuigenverhoren kunnen zijn indien en voor zover [appellant] daarmee zou willen aantonen dat er enig (belangrijk) oorzakelijk verband tussen die omstandigheden en zijn latere val bestaat (op grond waarvan dan mogelijk aansprakelijkheid van [verweerster] voor de val, en de gevolgen daarvan, zou kunnen worden vastgesteld). Dat zo’n oorzakelijk verband bestaat en waar dat dan in zou bestaan heeft [appellant] echter niet (voldoende) concreet en gemotiveerd gesteld. Ook zien de door [appellant] bij elke voorgestelde getuige beschreven mogelijke onderwerpen van vraagstelling niet op een dergelijke oorzakelijk verband. Ook in dat licht bezien zal het hof het verzoek afwijzen.
3.5.12.
Het hof zal het verzoek afwijzen en de beschikking van beroep dan ook bekrachtigen.
Proceskosten
3.6.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep conform het gebruikelijk gehanteerde liquidatietarief (tarief II). Het hof zal, zoals verzocht, de proceskostenveroordeling in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad verklaren.