Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-08-21
ECLI:NL:GHSHE:2024:3698
Strafrecht
Hoger beroep
2,116 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001952-23
Uitspraak : 21 augustus 2024
TEGENSPRAAK ex. artikel 279 Sv
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 juli 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-067321-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit en subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling van de gronden waarop dit berust, in die zin dat de bewijsoverweging wordt vervangen, en met verbetering van de kwalificatie en met aanvulling van de door de politierechter aangehaalde wetsartikelen.
Vervanging van de bewijsoverweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging verzocht om vrijspraak van het tenlastegelegde feit nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Daartoe is onder andere aangevoerd dat de in het voertuig aangetroffen verdovende middelen aan een ander dan de verdachte toebehoorden en hij evenmin bekend was met de aanwezigheid van die verdovende middelen. Volgens de verdediging had de verdachte het voertuig pas enkele dagen voor het tenlastegelegde bij een garage in Groningen gekocht, waardoor het goed mogelijk is dat de aangetroffen verdovende middelen van de vorige eigenaar van het voertuig zijn. Daarnaast heeft de verdachte het voertuig op de dag na aankoop aan een bekende van hem uitgeleend, doch is de verdachte ervan overtuigd dat de verdovende middelen van de vorige eigenaar van het voertuig moeten zijn en niet van die bekende van hem. Het dossier sluit het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario niet uit.
Het hof overweegt als volgt.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, onder C van de Opiumwet, op grond van bestendige jurisprudentie vereist is dat: a) de drugs zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevinden en, b) dat de verdachte op de hoogte is van de aanwezigheid van de drugs.
Voor wat betreft het eerste vereiste geldt dat om te kunnen aannemen dat verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden, uit feiten en omstandigheden – al dan niet in hun onderlinge samenhang beschouwd – dient te kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat de verdachte geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Daarbij is niet doorslaggevend aan wie die drugs toebehoren. Er hoeft daarnaast ook geen sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van die drugs.
Voor wat betreft het tweede vereiste geldt dat die wetenschap/het opzet ook kan worden ingevuld in de vorm van voorwaardelijk opzet, waarbij de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het aanwezig zijn van de drugs (vgl. o.a. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945).
Het hof stelt in dat verband verder dat een verdachte als eigenaar en gebruiker van een voertuig, behoudens contra-indicaties voor het tegendeel, geacht mag worden weet te hebben van en verantwoordelijk te zijn voor de aanwezigheid van de aldaar aangetroffen voorwerpen en stoffen.
Op 14 juli 2022 hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de verdachte met zijn voertuig staande gehouden teneinde hem te controleren op het hebben van een geldig rijbewijs. Met toestemming van de verdachte hebben de verbalisanten vervolgens zijn voertuig doorzocht. Tijdens deze doorzoeking werden er in een lade onder de bestuurdersstoel diverse zakjes met blauwe pillen met de opdruk van een doodshoofd alsmede een zakje met een samengeperste witte substantie aangetroffen. De verdachte verklaarde aan de verbalisanten dat hij het voertuig nog maar drie dagen op naam had staan. Op de vraag waar de verdovende middelen die in zijn auto onder de stoel lagen vandaan kwamen antwoordde de verdachte dat hij zijn auto had uitgeleend aan een bekende van hem. De verdachte wilde niet verklaren aan wie hij zijn voertuig had uitgeleend.
Ten aanzien van het eerste vereiste, inhoudende dat de drugs zich in de ‘machtssfeer’ van de verdachte bevinden, stelt het hof vast dat de verdovende middelen zich in een makkelijk toegankelijke lade onder de bestuurdersstoel van zijn voertuig bevonden. Hierdoor heeft de verdachte een zodanige macht kunnen uitoefenen over de verdovende middelen dat hij geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad.
Gelet op het tweede vereiste is het hof van oordeel dat de enkele ontkenning van de wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen door de verdachte onvoldoende gewicht in de schaal legt en dus een onvoldoende sterke contra-indicatie oplevert. Het hof acht het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat de verdachte het voornoemde voertuig pas enkele dagen voor het tenlastegelegde feit bij een garage in Groningen heeft gekocht en dat de door de verbalisanten aangetroffen verdovende middelen van de vorige eigenaar van het voertuig zijn, te algemeen van aard, speculatief en in het geheel niet onderbouwd en schuift deze dan ook als ongeloofwaardig terzijde. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, nog daargelaten dat de verdachte blijkens het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 januari 2023 (pag. 25 van het procesdossier) op de hoogte was van de aanwezigheid van de lade onder de bestuurdersstoel (waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen) en deze lade een toegankelijke plek voor de verdachte is, de verdachte de naam van de garage in Groningen noch de naam van de persoon aan wie hij het voertuig heeft uitgeleend heeft genoemd/ willen noemen. Daarbij acht het hof het niet aannemelijk dat de vorige eigenaar dan wel de man aan wie de verdachte zegt zijn voertuig te hebben uitgeleend, een dergelijke hoeveelheid verschillende soorten drugs (30 pillen bevattende MDMA, 5,2 gram cocaïne en 5,5 gram methamfetamine) in zijn voertuig achter zouden laten.
Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan de verdediging, van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – vast is komen te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A. Muller, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. Koop, griffier,
en op 21 augustus 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. N. Koop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.