Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-11-22
ECLI:NL:GHSHE:2024:3696
Strafrecht
Hoger beroep
2,102 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000870-24
Uitspraak : 22 november 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-330261-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter het tenlastegelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als ‘als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen’, de verdachte strafbaar verklaard en hem daarvoor veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete ter hoogte van € 600,-, subsidiair twaalf dagen hechtenis.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen, met aanvulling van de gronden.
Door en namens de verdachte is primair vrijspraak van het tenlastegelegde betoogd. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbeterde lezing van de tenlastelegging en het bewezenverklaarde, en met verbetering en aanvulling van de gronden.
Tenlastelegging en bewezenverklaring
Het hof merkt op dat in de tenlastelegging is opgenomen ‘hij in of omstreeks 7 december 2022 (..)’ en dat de kantonrechter bewezen heeft verklaard ‘op 7 december 2022 (..)’. Het hof merkt op dat voorgaande verbeterd dient te worden, in die zin dat de tenlastelegging komt te luiden ‘hij in of omstreeks de periode van 7 december 2022 (..)’ en de bewezenverklaring komt te luiden ‘in de periode van 7 december 2022 (..)’. Het hof zal de tenlastelegging en de bewezenverklaring dienovereenkomstig verbeteren en verbeterd lezen.
Deze verbetering houdt slechts in een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging en de bewezenverklaring en niet een ander oordeel omtrent hetgeen bewezen is. De verdachte is door de aangebrachte wijziging niet in zijn verdediging geschaad.
Bewijsvoering
Bewijsmiddelen
Naar het oordeel van het hof behoeven de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring berust verbetering. Anders dan de kantonrechter zal het hof de hierna opgenomen alinea niet tot het bewijs bezigen:
‘Vanwege eerder opgemaakte processen verbaal tegen de verdachte heb ik verbalisant
vervolgens ook online een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat de op de website van het
bedrijf van de verdachte en de facebook pagina van het bedrijf van de verdachte
dagelijks/wekelijks foto's gepost werden tot 9 december 2022 over de projecten waar het
bedrijf van de verdachte mee bezig was. Opvallend hierin is dat er van 10 december
2022 tot en met 12 januari 2023 geen foto's of updates zijn geplaatst geweest. Op 13 januari
2023 was het eerstvolgende bericht op de Facebook pagina [bedrijf] (Zie
hiervoor bijlage 6).’
Bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw vrijspraak van het tenlastegelegde betoogd. Daartoe is -op gronden zoals verwoord in de pleitnota- aangevoerd dat het ziekteverzuimbeleid dat de school hanteert is gepasseerd door de leerplichtconsulenten. Er moet namelijk bij langdurige ziektemelding een jeugdarts ingeschakeld worden en vervolgens moeten er gesprekken plaatsvinden. In strijd met het beleid van de school heeft niets daarvan in onderhavig geval plaatsgevonden. Verder is aangevoerd dat de moeder van [betrokkene] slecht Nederlands spreekt en matig begreep wat de bedoeling was van de leerplichtconsulenten. Er zijn bovendien contra-indicaties dat [betrokkene] in het buitenland was in de tenlastegelegde periode. Aldus is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat er sprake is geweest van overtreding van artikel twee, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969. De verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof sluit zich volledig aan bij de overwegingen van de kantonrechter, neemt deze over en voegt daaraan het volgende toe.
Het hof stelt eerst vast dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor het standpunt van de verdediging dat de moeder van [betrokkene] niet begreep wat de bedoeling was toen de leerplichtconsulenten op 23 december 2022 op huisbezoek kwamen. Zij heeft immers zelf gecommuniceerd aan de leerplichtconsulenten dat [betrokkene] ziek was en boven lag te slapen en zij heeft gereageerd op de daaropvolgende vragen van de leerplichtconsulenten. Het hof verwerpt in zoverre dan ook het verweer van de verdediging.
Daarnaast overweegt het hof dat het ziekteverzuimbeleid dat door de school wordt gehanteerd niet relevant is voor de bewijsbeslissing of enige andere door het hof te nemen beslissing, waarbij het hof in het bijzonder overweegt dat - anders dan de verdediging kennelijk meent - de leerplichtconsulenten niet op enige wijze gebonden zijn aan dit beleid. Daarnaast doet dit beleid niet af aan de waarnemingen van de leerplichtconsulenten zoals deze zijn neergelegd in het dossier en redengevend zijn voor het bewijs van het tenlastegelegde.
De verklaring van de ter terechtzitting in eerste aanleg gehoorde getuige wordt niet voor het bewijs gebruikt, zodat reeds hierom de door de verdediging in hoger beroep gestelde schending van het bepaalde in artikel 260, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering de verdediging niet kan baten.
Het hof vermag voorts niet in te zien dat de overwegingen over het bewijs van de kantonrechter in het bestreden vonnis, voor zover die in hoger beroep nog aan de bewijsbeslissing ten grondslag liggen, in strijd zijn met enige rechtsregel. Het hof wijst in dit verband in het bijzonder nog op de redactie van het overtreden wettelijk voorschrift, waarbij de hoofdregel is dat, kortgezegd, schoolverzuim verboden is, behoudens de toepasselijkheid van een van de vrijstellingen als genoemd in artikel 11 van de Leerplichtwet 1969. Nu de toepasselijkheid van een dergelijke vrijstelling aldus een uitzondering is op de hoofdregel, mag van de verdachte worden verlangd dat hij feiten en omstandigheden aandraagt ter staving van de toepasselijkheid van een gestelde vrijstelling, zoals ook in de onderhavige zaak aan de verdachte is verzocht.
Ten slotte merkt het hof nog op dat ook in hoger beroep de verdediging geen stukken heeft overgelegd of anderszins een nadere toelichting heeft verschaft voor de stelling van de verdachte dat [betrokkene] in de tenlastegelegde periode ziek was.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. S.C. van Duijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.B. Mobach, griffier,
en op 22 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.