Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-11-21
ECLI:NL:GHSHE:2024:3672
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,199 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 21 november 2024
Zaaknummer : 200.341.865/01
Zaaknummer eerste aanleg : 10852142 OV VERZ 23-6243
in de zaak in hoger beroep van:
[rechthebbende]
,
wonende op een voor het hof bekend adres,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. F.J. Koningsveld,
tegen
Stichting Jeugdbescherming West,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI.
Als belanghebbende merkt het hof aan:
[bewindvoerder]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 mei 2024, heeft de rechthebbende verzocht uitvoerbaar bij voorraad
- primair: voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI af te wijzen
- subsidiair: een voorziening te treffen die het hof in goede justitie als gepast zal voorkomen.
Kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juli 2024, heeft de GI verzocht – na verbetering tijdens de mondelinge behandeling – de bestreden beschikking te bekrachtigen het verzoek in hoger beroep strekkende tot vernietiging van de beschikking af te wijzen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de rechthebbende, bijgestaan door mr. Koningsveld;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
2.3.1.
De bewindvoerder was, met bericht van verhindering, niet aanwezig bij de mondelinge behandeling.
Feiten
3.1.
De rechthebbende is op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , geboren.
3.2.
De moeder van de rechthebbende, [moeder van rechthebbende] , is op [overlijdensdatum] 2016 in [overlijdensplaats] , overleden. De rechthebbende heeft van zijn moeder een vermogen geërfd dat vrij is gekomen op het moment dat rechthebbende achttien jaar is worden.
3.3.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2019 is het ouderlijk gezag van de vader van de rechthebbende, [vader van rechthebbende] , beëindigd en is de GI tot voogdes benoemd.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kantonrechter, voor zover van belang, met ingang van [datum] 2024, zijnde de datum van meerderjarigheid van de rechthebbende, een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de rechthebbende en daarbij de bewindvoerder benoemd.
4.2.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Beoordeling
5.1.
De rechthebbende voert – samengevat – het volgende aan. Er is geen sprake van een grond op basis waarvan een bewind kan worden ingesteld. De rechthebbende heeft geen lichamelijke beperking en er is niet aangetoond dat de geestelijke toestand van de rechthebbende maakt dat hij niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Bovendien is er geen sprake van een situatie waarbij (er een risico is dat) er misbruik van de rechthebbende wordt gemaakt. De rechthebbende is in staat zijn vermogensrechtelijke belangen naar behoren te behartigen zodat een onderbewindstelling niet nodig is. De rechthebbende is omringd door vrijwillige hulpverlening en begeleiding.
Bovendien is er geen sprake van schulden, de rechthebbende heeft een groot vermogen geërfd uit de nalatenschap van zijn moeder. De uitgaven die de rechthebbende heeft gedaan aan het begin van het bewind, toen zijn rekeningen per ongeluk nog niet waren bevroren, zijn niet aan te merken als verkwisting. Hij heeft toen grote uitgaven gedaan maar in verhouding met de hoogte van het vermogen is dit niet buitenproportioneel.
De rechthebbende wil over zijn vermogen kunnen beschikken. De rechthebbende woont op dit moment op een vakantiepark. De rechthebbende wilde een chalet kopen. De bezichtiging hiervan was in het weekend. De bewindvoerder was toen niet beschikbaar. Daarom is de koop van het chalet niet doorgegaan. De rechthebbende wil nu een appartement huren. De rechthebbende is pas net – één dag voor de mondelinge behandeling – begonnen met een nieuwe baan en beschikt nog niet over loonstroken. Het huren van een appartement is daarom nog niet gelukt.
De kantonrechter heeft overwogen dat er sprake is van een tijdelijke situatie nu de rechthebbende (nog) niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Deze redenering brengt mee dat de duur van de onderbewindstelling sowieso beperkt had moeten worden tot maximaal één jaar zodat het niet aan de rechthebbende is om opheffing te vragen, maar aan de bewindvoerder om gemotiveerd te bepleiten waarom een eventuele verlenging van de maatregel aan de orde zou zijn.
De rechthebbende heeft bevestigd dat het reclasseringstoezicht naar aanleiding van een strafrechtelijke veroordeling op dit moment nog steeds loopt en dat hij is verwezen naar [zorgverlener 1] . Het traject bij [zorgverlener 1] moet nog starten.
5.2.
De GI voert – samengevat – het volgende aan. De aanleiding voor het verzoek tot onderbewindstelling was het grote geldbedrag dat de rechthebbende zou erven op zijn achttiende verjaardag van zijn overleden moeder. De GI was en is van mening dat een onderbewindstelling de rechthebbende zou helpen in het omgaan met dit grote geldbedrag. De GI was bang dat de rechthebbende dit bedrag in één keer er doorheen zou jagen. De rechthebbende heeft namelijk in het verleden veel geld uitgegeven aan drugs en dure spullen.
Bij een onderbewindstelling kan rechthebbende sparren met een deskundige over bijvoorbeeld het beleggen van dit bedrag en hulp krijgen bij belastingzaken zoals het aanvragen van toeslagen en studiefinanciering. De rechthebbende heeft onvoldoende ondersteuning vanuit zijn netwerk om hem bij deze zaken te helpen.
De GI heeft sinds de meerderjarigheid van de rechthebbende geen rol meer in de uitvoering van de voogdij. Echter, kort na de achttiende verjaardag van de rechthebbende werd de GI benaderd door [zorgverlener 2] met zorgen over de uitgaven van de rechthebbende. Het geld van de erfenis bleek op de lopende bankrekening van de rechthebbende te staan. De bewindvoerder had nagelaten het beheer over te zetten of de rekeningen te laten bevriezen. In de week van 31 maart 2024 tot en met 7 april 2024 is een bedrag van totaal € 8.965,65 afgeschreven; het is uitgegeven aan hotels, games, drinken en gebruiken. Nadat de rekening uiteindelijk wel is bevroren is er een tijd lang geen beschikbare rekening en pinpas geweest voor de rechthebbende en heeft hij daardoor een tijd geen leefgeld gehad. De GI is ontevreden over de uitvoering van het bewind door de huidige bewindvoerder.
Een onderbewindstelling is in het belang van de rechthebbende. De rechthebbende is een intelligente jongen die af en toe op de loop kan gaan met wilde ideeën over investeringen en die geneigd is om op verschillende vlakken over grenzen te gaan. Een deskundige op het gebied van financiën zou hem kunnen helpen in het maken van verstandige keuzes ten aanzien van zijn geld en hem wegwijs kunnen maken in de verantwoordelijkheden die inkomsten en uitgaven met zich meebrengen. De GI gunt de rechthebbende dat hij lang profijt kan hebben van zijn vermogen en dat hij kan profiteren van de kennis die een onderbewindstelling met zich meebrengt. De GI heeft desgevraagd geantwoord dat het niet de verwachting is dat de rechthebbende binnen één jaar het vermogen zelfstandig kan beheren.
5.3.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
5.3.1.
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
5.3.2.
Ingevolge artikel 1:431 lid 2 BW kan het bewind reeds voor de meerderjarigheid worden ingesteld indien te verwachten is dat een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, in de in het vorige lid bedoelde toestand zal verkeren.
5.3.3.
Op grond van het vorenstaande dient het hof allereerst te beoordelen of bij de rechthebbende sprake is van een geestelijke of lichamelijke toestand die een bewind rechtvaardigt. Indien dat niet het geval is dient te worden beoordeeld of sprake is van verkwisting of het hebben van problematische schulden die een onderbewindstelling rechtvaardigt.
5.3.4.
Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een geestelijke of lichamelijke toestand van de rechthebbende die een bewind rechtvaardigt. Hoewel de rechthebbende veel heeft meegemaakt in zijn leven, is niet gebleken dat de rechthebbende zijn vermogensrechtelijke belangen als gevolg hiervan niet voldoende kan behartigen. Het hof ziet bovendien niet dat er misbruik zou worden gemaakt van de kwetsbaarheid van de rechthebbende zodat een onderbewindstelling om die reden op zijn plaats zou zijn.
5.3.4.
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof van oordeel dat er wel sprake is van verkwisting die een onderbewindstelling rechtvaardigt.
Vast staat dat de rechthebbende op zijn achttiende verjaardag een groot geldbedrag heeft geërfd: een bedrag van ruim € 132.000,-. De GI had door ervaringen uit het verleden zorgen over het mogelijk snel en volledig uitgeven van dit geld door de rechthebbende. Deze zorgen zijn bevestigd. In de week na zijn achttiende verjaardag heeft rechthebbende gedurende één week over dit vermogen kunnen beschikken. In deze ene week is een bedrag van bijna € 9.000,- uitgegeven bij onder andere hotels, de Mediamarkt, een juwelier, Ici Paris, en een sportwinkel.
Dictum
Het hof:
vernietigt met ingang van 21 november 2024 de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 maart 2024 voor zover dit betrekking heeft op de instelling van het bewind;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
stelt, met ingang van [datum] 2024, zijnde de datum van meerderjarigheid, wegens verkwisting een beperkt bewind in voor de duur van drie jaar, dus eindigend op [datum] 2027, over de goederen die (zullen) toebehoren aan [rechthebbende], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , die zijn ontvangen uit de nalatenschap van zijn moeder [moeder van rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] 1975, overleden op [overlijdensdatum] 2016;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.D.M. van der Linden, J.C.E. Ackermans-Wijn en G.M. Goes en is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.