Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-11-13
ECLI:NL:GHSHE:2024:3593
Strafrecht
Hoger beroep
2,255 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002711-22
Uitspraak : 13 november 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 november 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-203823-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende te [adres 1] ,
postadres: [adres 2] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het reclasseringsadvies d.d. 4 november 2022.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In dat verband zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Aanvulling van de bewijsoverwegingen
Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de politierechter op pagina’s 5 en 6 van het vonnis waarvan beroep (onder het kopje ‘De bewijsoverwegingen’). Het hof neemt deze bewijsoverwegingen van de politierechter dan ook over en maakt die tot de zijne.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde, omdat volgens de raadsman niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de persoon is die het tenlastegelegde feit heeft gepleegd.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Tijdens het verhoor door de raadsheer-commissaris heeft aangeefster verklaard dat op de camerabeelden van [supermarkt] die de politie haar heeft getoond, meerdere mensen te zien waren die voorbij de [supermarkt] liepen. Het is dus niet zo – waar de verdediging (kennelijk) vanuit gaat – dat aan aangeefster beelden zijn getoond waarop slechts één persoon te zien is die aan het door aangeefster opgegeven signalement voldoet. Aangeefster heeft de verdachte op de getoonde camerabeelden waarop meerdere mensen te zien waren, voor 100% herkend.
Het feit dat aangeefster in het door haar opgegeven signalement van de verdachte in de aangifte niet de specifieke persoonskenmerken “moedervlek op rechter voorhoofd” en “litteken onder rechter oog” heeft genoemd, die door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in hun proces-verbaal van bevindingen betreffende het signalement van de verdachte op pagina 29 van het politiedossier zijn aangegeven, maakt, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, haar herkenning van de verdachte niet minder betrouwbaar. Volgens de aangifte zat aangeefster op een bankje in het park te bellen toen een voor haar onbekende man haar een aansteker vroeg en naast haar kwam zitten. De man gaf aan een seksuele relatie met haar te willen en dat ze met hem mee naar huis moest gaan. Toen ze zei dat ze dat niet wilde, gaf hij haar van achteren een duw, gevolgd door een vuistslag in haar gezicht. Aangeefster verklaart dat de man vervolgens haar telefoon uit haar handen heeft gegrist en is weggelopen. Het hof acht het volstrekt begrijpelijk dat in een dergelijk kort contact tussen slachtoffer en dader niet alle specifieke persoonskenmerken van de dader door het slachtoffer worden opgeslagen. Daarbij dient tevens in aanmerking te worden genomen dat sprake is geweest van impactvolle gebeurtenissen die elkaar (kennelijk) in snel tempo hebben opgevolgd, waardoor het slachtoffer overrompeld kan zijn geweest.
Volgens het proces-verbaal van bevindingen op pagina 8 van het politiedossier, heeft de verbalisant die aanwezig was bij de herkenning van de verdachte door aangeefster op de camerabeelden van [supermarkt] , een foto gemaakt van het camerabeeld waarop de verdachte volgens aangeefster voor 100% te zien was en heeft hij deze foto getoond aan de bewoners van de woningen aan [adres 3] tot en met [adres 4] , waar de gestolen telefoon van aangeefster in de buurt uitstraalde. De bewoner van [adres 4] herkende de persoon op de getoonde foto direct als de verdachte. Dat uit het politiedossier niet naar voren komt waarop deze herkenning is gebaseerd, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt deze herkenning niet minder betrouwbaar, nu de verdachte en deze bewoner destijds in hetzelfde pand woonden – de verbalisanten troffen de verdachte, nadat zij deze medebewoner hadden gesproken, aan in kamer 3 van hetzelfde pand – zodat aangenomen mag worden dat deze bewoner de verdachte eerder zal hebben gezien.
Het hof beziet het voorgaande tegen de achtergrond van, en in samenhang met, de omstandigheid dat de omschrijving die aangeefster in haar aangifte en blijkens het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] geeft van de straat waar de verdachte die haar aanviel in was gegaan en de locatie die de verdachte haar had genoemd als zijn woonadres overeenkomt met de locatie van het toenmalige woonadres waar de verdachte is aangetroffen.
Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij – destijds 21 jaar – zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld van een iPhone 11. Dit vond plaats in de vroege ochtend van zondag 14 augustus 2022 in een park in Tilburg. De verdachte heeft het slachtoffer, dat op een bankje in het park zat te bellen, benaderd met de vraag of zij een aansteker voor hem had en is naast haar komen zitten. Vervolgens gaf hij aan een seksuele relatie met haar te willen en dat ze met hem mee naar huis moest gaan. Toen het slachtoffer dit weigerde, heeft de verdachte haar van achteren een duw gegeven, gevolgd door een vuistslag in haar gezicht, waarna hij de telefoon uit haar handen heeft gegrist en is weggelopen. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte het eigendomsrecht van het slachtoffer geschonden, alsmede inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Dergelijk gedrag brengt gevoelens van onveiligheid teweeg, niet enkel bij het slachtoffer maar ook in de maatschappij.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 13 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.