Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-10-17
ECLI:NL:GHSHE:2024:3436
Strafrecht
Hoger beroep
3,676 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000281-24
Uitspraak : 17 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 31 januari 2024, parketnummer 96-019592-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen, onder parketnummers 96-313402-20,
10-172305-20 en 22-002585-20, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
4 weken. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde (bijkomende) straffen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 week (96-313402-20), een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand (10-172305-20) en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 maanden (22-002585-20).
Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging zal gelasten van de eerder voorwaardelijk opgelegde (bijkomende) straffen onder de parketnummers 96-313402-20, 10-172305-20 en 22-002585-20.
De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging verweer gevoerd op de vorderingen tot tenuitvoerlegging.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 14 juni 2022 te Heerlen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A2, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 14 juni 2022 te Heerlen, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Feiten
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een taakstraf.
Het hof komt tot een andere strafoplegging dan is gevorderd door de advocaat-generaal en dan is verzocht door de verdediging en overweegt daartoe als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf allereerst acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor het besturen van een motorrijtuig terwijl het rijbewijs ongeldig is verklaard een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.
Voorts heeft het hof bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 augustus 2024 betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Blijkens dit uittreksel is de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde bij herhaling onherroepelijk veroordeeld ter zake van overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Deze eerdere overtredingen hebben de verdachte kennelijk niet het laakbare van zijn handelen doen inzien en hebben hem er evenmin van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een soortgelijk feit. Zelfs de dreiging van de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen van respectievelijk 1 week en 1 maand en de eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 maanden hebben de verdachte er niet van kunnen weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.
Tot slot heeft het hof bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft hierbij oog gehad voor de nadelige gevolgen die de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de verdachte, diens gezin en diens bedrijf zou hebben, doch het hof is van oordeel dat deze nadelige gevolgen niet opwegen tegen de navolgende strafverzwarende omstandigheden. Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet, ontbreekt het bij de verdachte kennelijk aan inzicht in het laakbare van zijn handelen en is zelfs de dreiging van de tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen onvoldoende geweest om hem ervan te weerhouden zich wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast is het hof – gelet op de uitlatingen van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep – gebleken dat de verdachte weinig tot geen actie onderneemt om er voor te zorgen dat hij weer in het bezit komt van een geldig rijbewijs. Tot slot heeft het hof in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte er welbewust voor heeft gekozen om een personenauto te besturen zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs, waardoor hij niet verzekerd was voor eventuele schade bij derden die hij tijdens het rijden zou kunnen veroorzaken. Een eventueel slachtoffer van het door de verdachte veroorzaakte ongeval zou niet alleen te lijden hebben onder het ongeval zelf, maar ook zeer veel hinder ondervinden om de schade vergoed te krijgen, nu de schade slechts op de verdachte zelf en niet op een verzekeringsmaatschappij zou kunnen worden verhaald.
Gelet op al het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof acht de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van
4 weken passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is gegaan. Het hof komt hiermee tot een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke van langere duur is dan door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf, nu het van oordeel is dat de gevangenisstraf zoals gevorderd door de advocaat-generaal, alle voornoemde strafverzwarende omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking brengt.
Vordering tenuitvoerlegging parketnummer 10-172305-20
De officier van justitie van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie heeft bij vordering van 25 oktober 2023, de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam onder parketnummer 10-172305-20 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De politierechter heeft bij vonnis waarvan beroep de tenuitvoerlegging van deze eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gelast.
De advocaat-generaal heeft zich achter deze beslissing geschaard.
De verdediging heeft bepleit dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen dan wel de proeftijd als vermeld in voornoemd vonnis zal verlengen met een termijn van een jaar. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw allereerst aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte een mededeling voorwaardelijke veroordeling heeft ontvangen, zodat de proeftijd nog niet is ingegaan. Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat het hof de vordering dient af te wijzen nu de voorwaardelijke straf is opgelegd voor een geheel ander soort feit dan thans aan de orde is.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat een rechter met de oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf enerzijds beoogt de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Immers, als algemene voorwaarde bij een voorwaardelijke straf is gesteld dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit. De veroordeelde, in casu de verdachte, heeft derhalve te gelden als een gewaarschuwd man en dient zich ervan bewust te zijn dat, indien hij zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit, de opgelegde voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd. Hierbij merkt het hof nog op dat het hierbij niet relevant is of het een gelijksoortig of een geheel andersoortig feit betreft.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 29 september 2020, parketnummer
10-172305-20, te weten van een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie van 25 oktober 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2021, parketnummer 96-313402-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie van 25 oktober 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 15 maart 2021, parketnummer 22-002585-20, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,
en op 17 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.