Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-11-14
ECLI:NL:GHSHE:2024:3414
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
878 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 november 2024
Zaaknummer: 200.346.017/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/333805/FT RK 24/384
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] h.o.d.n. [naam]
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. R.A.J. van der Leeuw,
tegen
Stichting [stichting] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de stichting,
advocaat: mr. S.K. Tuithof te Haarlem.
Belanghebbende:
mr. M.M.H.J. Rompelberg,
hierna te noemen: de curator,
kantoorhoudende te Voerendaal.
Overwegingen
Het hof heeft tussen partijen een arrest gewezen op 31 oktober 2024. Bij dit arrest heeft het hof het tussen partijen gewezen vonnis van 10 september 2024 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, en daarmee het daarbij uitgesproken faillissement van appellant, vernietigd.
Het hof heeft vastgesteld dat in het dictum van voornoemd arrest sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Deze fout houdt in dat het hof in het dictum heeft bepaald dat de griffier van het hof onverwijld kennisgeeft van de uitspraak aan de rechtbank Zeeland-West-Brabant, terwijl van de uitspraak onverwijld kennis moet worden gegeven aan de rechtbank Limburg. Het hof heeft partijen bij e-mailbericht van 5 november 2024 medegedeeld deze fout op grond van artikel 31 Rv te willen verbeteren.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich daarover schriftelijk uit te laten.
De advocaat van de stichting heeft bij brief van 5 november 2024 de grosse van het arrest aan het hof gestuurd, waaruit het hof afleidt dat de stichting geen bezwaar heeft tegen verbetering van voormelde fout.
De advocaat van appellant heeft bij brief van akte van 5 oktober 2024 namens appellant laten weten geen bezwaar te hebben tegen verbetering van voormelde fout en hij heeft het door het hof verstrekte afschrift van het arrest van 31 oktober 2024 teruggezonden.
Gelet op het voorgaande zal het tussen partijen gewezen arrest van 31 oktober 2024 op de volgende wijze worden verbeterd.
Dictum
Het hof:
bepaalt dat het dictum van het gewezen arrest van 31 oktober 2024, voor zover daarin is bepaald dat de griffier van dit hof onverwijld kennisgeeft van die uitspraak aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, met het verzoek zorg te dragen voor kennisgeving van deze uitspraak aan de administratie van de postvervoerbedrijven als bedoeld in
artikel 15 Fw, moet worden verbeterd en gewijzigd in:
“bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld kennisgeeft van deze uitspraak aan de griffier van de rechtbank Limburg met het verzoek zorg te dragen voor kennisgeving van deze uitspraak aan de administratie van de postvervoerbedrijven als bedoeld in artikel 15 Fw”;
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 14 november 2024 wordt vermeld op de minuut van het arrest van 31 oktober 2024 en dat de griffier van de verbeterde minuut aan partijen een grosse/afschrift verstrekt.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, J.B. Smits en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024.