Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-10-11
ECLI:NL:GHSHE:2024:3381
Strafrecht
Hoger beroep
2,481 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001231-24
Uitspraak : 11 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 23 april 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-212526-23 en 03-209636-23, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
wonende te [adres verdachte] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde met parketnummer 03-209636-23, het overige tenlastegelegde bewezen verklaard en dat gekwalificeerd als:
‘poging tot doodslag’ (feit 1 primair 03-212526-23),
‘handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1 parketnummer 03-209636-23),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, waarvan 148 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Blijkens de akte rechtsmiddel d.d. 7 mei 2024 is het hoger beroep namens verdachte onbeperkt ingesteld.
De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde met parketnummer 03-209636-23. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep, voor zover dit hiertegen is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf, in die zin dat het hof aan de verdachte jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, waarvan 148 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren zal opleggen alsmede een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie.
Door en namens de verdachte is vrijspraak van het primair tenlastegelegde onder parketnummer 03-212526-23 betoogd. De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde met parketnummer 03-212526-23 en ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde met parketnummer 03-209636-23. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- met het beroepen vonnis, behalve voor wat betreft de opgelegde straf.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog vrijspraak van het primair tenlastegelegde met parketnummer 03-212526-23 betoogd. Daartoe is -op gronden zoals verwoord in de pleitnota- aangevoerd dat er geen (voorwaardelijk) opzet op het overlijden van aangever is geweest. Het schoppen op het hoofd levert niet direct een aanmerkelijke kans op de dood op. Onduidelijk is of en waar het hoofd van aangever is geraakt. Ook zijn niet alle schoppen met kracht gegeven. Het vastgestelde letsel is daarnaast een contra-indicatie voor het bestaan van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood. De verdachte droeg bovendien sneakers. Gelet op voorgaande was er geen aanmerkelijke kans dat aangever zou komen te overlijden door de geweldshandelingen, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde. Daarnaast is er geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak van het tenlastegelegde medeplegen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De rechtbank heeft onder het kopje 3.3.2 op pagina’s 3 tot en met 5 van het vonnis overwogen waarom er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van medeplegen en waarom de rechtbank tot een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag komt. Het hof heeft - net als de advocaat-generaal - geen reden om anders te overwegen dan de rechtbank heeft gedaan, neemt die overwegingen over en maakt deze tot de zijne. Het hof is dan ook met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag en verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging.
Resumerend acht het hof, op grond van de door de rechtbank gebezigde en door het hof bevestigde bewijsmiddelen -in onderling verband en samenhang bezien- dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring in het vonnis is vermeld.
Op te leggen sanctie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte. De verdachte heeft verder zijn excuses aangeboden aan het slachtoffer en zijn verantwoordelijkheid genomen. Hij is druk bezig met het uitvoeren van een stage en in de weekenden verblijft hij vaak bij zijn moeder in [land] . De raadsvrouw verzoekt om te volstaan met oplegging van de in eerste aanleg opgelegde straf.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van het slachtoffer [slachtoffer] . Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte het slachtoffer aan het opwachten is voor de ingang van de Albert Heijn. Hij kijkt immers meerdere keren naar binnen en staat gedurende enkele minuten in zijn eentje voor de ingang. Vrijwel direct als het slachtoffer de Albert Heijn verlaat valt de verdachte hem aan en slaat en schopt hij meermalen met forse kracht tegen zijn lichaam en hoofd. Op de camerabeelden is voorts te zien dat de verdachte opgeladen en agressief is op het moment van de gewelddadige handelingen. Wanneer een omstander hem probeert te bedaren maakt hij ook richting hem een afschrikwekkende en agressieve beweging. De verklaring van de verdachte dat hij bang was voor het slachtoffer blijkt dan ook op geen enkele wijze uit de manier waarop hij hem zonder enige aanleiding heeft aangevallen noch uit de agressieve houding van de verdachte tijdens deze aanval.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-209636-23 onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 148 (honderdachtenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen jeugddetentie;
bevestigt het vonnis waarvan beroep -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. S.C. van Duijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.B. Mobach, griffier,
en op 11 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.