Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-10-24
ECLI:NL:GHSHE:2024:3328
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,546 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.336.801/01
zaaknummer rechtbank : C/03/318173 / FA RK 23-1898
beschikking van de meervoudige kamer van 24 oktober 2024
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R. Engwegen te Echt,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. N. Soro te Heerlen.
In het kort:
Deze zaak gaat over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017 (hierna: [minderjarige] ).
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 18 oktober 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
De man is op 18 januari 2024 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 oktober 2023.
2.2.
De vrouw heeft op 18 maart 2024 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- V6-formulier van de advocaat van de man d.d. 16 augustus 2024 met als bijlagen producties 10 tot en met 12;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 4 oktober 2023;
- V6-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 3 september 2024 met als bijlage productie 13.
2.3.1.
Ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw de bij het verweerschrift ontbrekende productie 12 overgelegd.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 17 september 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Feiten
3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen hebben tot 2020 een relatie met elkaar gehad en zij zijn de ouders van [minderjarige] . Zij oefenen samen het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] . Partijen hebben een coouderschapsregeling waarbij [minderjarige] de helft van de tijd bij elk van haar ouders verblijft (week om week). [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vrouw.
3.3.
De ouders hebben een ouderschapsplan ondertekend op 18 juni 2020 waarin zij afspraken hebben gemaakt over de invulling van het ouderschap. Onderdeel daarvan is een afspraak over het aanhouden van een kindrekening, waarop ieder van partijen maandelijks een bedrag stort, en van welke rekening uitgaven voor [minderjarige] (verblijfsoverstijgende kosten) worden betaald. Het door de man op die rekening te betalen bedrag bedroeg € 120,- per maand en het door de vrouw op die rekening te betalen bedrag bedroeg € 50,- per maand.
Tussen partijen zijn discussies ontstaan over de uitgaven van de kindrekening. Vervolgens heeft de vrouw een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend tot vaststellen van de kinderalimentatie.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van 26 mei 2023 een bedrag van € 251,- per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie).
4.2.
De man heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze als ongegrond en onbewezen af te wijzen.
Op de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoek aangevuld. Hij is bereid om € 60,= per maand aan kinderalimentatie te betalen.
4.3.
De vrouw heeft in hoger beroep verweer gevoerd en verzocht de grieven van de man ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4.
Het hof heeft voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
Motivering
5.1.
De grieven van de man zien op de ingangsdatum van de alimentatieverplichting, de draagkracht van de vrouw en de zorgkorting. Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.
Ingangsdatum/terugwerkende kracht
5.2.
Als ingangsdatum van de vaststelling van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg. De man wil dat de alimentatieverplichting eerst ingaat per datum bestreden beschikking.
De vrouw is het wel eens met de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum.
5.3.
Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De rechtbank is uitgegaan van de (verkeerde) datum van het inleidend verzoekschrift. Omdat de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum slechts drie dagen afwijkt van de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg kunnen partijen instemmen met het aanhouden van de door de rechtbank bepaalde datum, mocht het hof de rechtbank hierin volgen.
Het hof ziet geen noodzaak om af te wijken van de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum. De man kon vanaf dat moment in ieder geval rekening houden met een aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] , zoals door haar verzocht. Dat de man in de periode van mei tot oktober 2023 onverplicht extra kosten voor [minderjarige] heeft voldaan kan niet tot een ander oordeel leiden.
Behoefte [minderjarige]
5.4.
Het hof stelt vast dat de man geen grief heeft gericht tegen de behoefte van [minderjarige] , zodat het hof uitgaat van de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van € 464,- per maand in 2023.
Draagkracht man
5.5.
Er is eveneens geen grief gericht tegen de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde draagkracht van de man (€ 873,- per maand), zodat ook het hof hiervan uitgaat.
Draagkracht vrouw
5.6.
Tussen partijen is de draagkracht van de vrouw in geschil. De rechtbank heeft de draagkracht van de vrouw berekend aan de hand van de door haar overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2022 en heeft gerekend met een belastbaar jaarloon van de vrouw van € 16.228,-. Het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de vrouw is door de rechtbank vastgesteld op € 1.811,- per maand en haar draagkracht op € 97,- per maand. De rechtbank heeft het niet redelijk geacht om aan de zijde van de vrouw uit te gaan van een hogere verdiencapaciteit.
5.7.
De man is van mening dat het NBI van de vrouw hoger is dan waar de rechtbank van uitgegaan is. De man stelt dat de vrouw méér uren kan werken (34 uur per week in plaats van de huidige 20 uur per week). Bij het einde van het huwelijk heeft de vrouw aangegeven dat zij voornemens was om meer uren, namelijk 26 uren per week, te gaan werken en dit staat ook opgenomen in het ouderschapsplan. De vrouw moet daarom in staat worden geacht om (rekening houdend met de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget) een NBI te genereren van € 2.730,- per maand. Hiervan uitgaande zou de draagkracht van de vrouw volgens de man € 515,- per maand bedragen.
5.8.
De vrouw verweert zich. Zij voert aan dat dat zij 20 uur per week werkt, verdeeld over vijf dagen en daarnaast de zorg voor [minderjarige] heeft. Dit was gedurende de relatie van partijen ook het geval. De vrouw heeft enkel werkervaring als huishoudelijke hulp in de thuiszorg en dat sluit ook aan bij het opleidingsniveau van de vrouw. De vrouw heeft een beperkt vangnet voor wat betreft de opvang van [minderjarige] . De vrouw acht het overigens ook niet in het belang van de 7jarige [minderjarige] om twee fulltime werkende ouders te hebben. De vrouw meent dat er in redelijkheid niet van haar kan worden verlangd dat zij meer gaat werken dan zij thans feitelijk doet.
5.9.
Het hof overweegt als volgt. Bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw wordt niet alleen in aanmerking genomen het inkomen dat zij feitelijk verdient maar ook wat zij redelijkerwijs zou kunnen verdienen. Het hof is op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep van oordeel dat aan de vrouw een hogere verdiencapaciteit kan worden toegerekend dan het inkomen dat zij thans genereert op basis van haar parttime dienstverband in de thuiszorg van 20 uur per week. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de vrouw er ondanks dat de situatie is gewijzigd door het uiteengaan van partijen bewust voor kiest alleen te werken tijdens de schooluren van [minderjarige] . Gelet ook op het bestaan van een co-ouderschapsregeling (week om week) waarbij de man fulltime werkt en het feit dat het in de huidige samenleving gebruikelijk is om werk en ouderschap te combineren, kan naar het oordeel van het hof van de vrouw verwacht worden dat zij haar arbeidsuren verder uitbreidt naar – in redelijkheid – ten minste 26 uur per week, al dan niet onder schooltijd van [minderjarige] of in de week dat zij niet de zorg voor [minderjarige] heeft.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd naar voren gebracht dat zij haar uren bij haar huidige werkgever zou kunnen uitbreiden. Overigens kan van de vrouw ook worden verwacht dat, indien uitbreiding bij haar huidige werkgever onverhoopt toch niet mogelijk zou zijn, zij elders solliciteert. Verder heeft het hof in zijn oordeel betrokken dat gesteld noch gebleken is dat gezondheidsproblemen of andere belemmeringen er aan in de weg staan dat de vrouw meer uren kan gaan werken dan ze thans doet.
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid verwacht kan en mag worden dat zij (ten minste) 26 uur per week gaat werken.
5.10.
Het hof zal voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw het huidige inkomen van de vrouw extrapoleren naar een 26-urige werkweek.
Overeenkomstig de door de vrouw overgelegde berekening (productie 12 bij het verweerschrift) begroot het hof het belastbaar jaarloon van de vrouw bij een 26-urige werkweek op € 16.228,- : 20 x 26 = € 21.096,-.
Het hof houdt bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw verder rekening met het kindgebonden budget. De vrouw is alleenstaand. Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw houdt het hof verder rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Omdat er sprake is van co-ouderschap kan de vrouw tevens aanspraak maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting; het hof zal derhalve ook met deze heffingskorting rekening houden. Het hof stelt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op grond van het voorgaande vast op een bedrag van € 2.216,- per maand.
5.11.
De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.175,‑)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.930,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de vrouw het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 1.175,- aan overige lasten en dat van het bedrag dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
Volgens deze methode heeft de vrouw een draagkracht van € 263,- per maand.
Verdeling kosten
5.12.
De man en de vrouw hebben samen een draagkracht van € 1.136,- per maand.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 18 oktober 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man voortaan aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017 zal betalen:
- met ingang van 26 mei 2023 een bedrag van € 195,- per maand;
- vanaf 1 januari 2024 een bedrag van € 207,- per maand,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat, voor zover de man aan de vrouw over de periode vanaf 26 mei 2023 tot heden op grond van de bestreden beschikking meer aan kinderalimentatie heeft betaald en/of voor zover uit dien hoofde meer op hem is verhaald, de vrouw het meerdere moet terugbetalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, E.M.D.M. van der Linden en G.M. Goes en is op 24 oktober 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.