Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-10-17
ECLI:NL:GHSHE:2024:3286
Strafrecht
Hoger beroep
4,143 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002136-23
Uitspraak : 17 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 18 juli 2023, in de strafzaak met parketnummer 82-151046-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte integraal vrijgesproken van het ten laste gelegde. Aan verdachte zijn – kort gezegd en zakelijk weergegeven – de navolgende feiten ten laste gelegd:
-feit 1: niet-ambtelijke omkoping (primair als feitelijk leidinggever en subsidiair als pleger dan wel medepleger);
-feit 2: een geschrift valselijk opmaken (primair als feitelijk leidinggever en subsidiair als pleger dan wel medepleger);
-feit 3: gebruik maken van een vervalst geschrift (primair als feitelijk leidinggever en subsidiair als pleger dan wel medepleger).
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, de verdachte zal vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde en ter zake het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde zal veroordelen. De advocaat-generaal heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 10.000,- subsidiair 85 dagen hechtenis.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank bevestigd dient te worden.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust met uitzondering van de gronden die door de rechtbank ten grondslag zijn gelegd aan de vrijspraak ter zake het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.
Standpunten advocaat-generaal
Feit 1 primair en subsidiair
Vooraleer het standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair te bespreken geeft het hof hierna eerst, voor de leesbaarheid van het arrest, de feiten weer zoals die door de rechtbank (pagina 4 van het vonnis) zijn vastgesteld, welke vaststelling door het hof wordt overgenomen.
“de feiten.
Op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 4 juli 2023 stelt de rechtbank vast dat de heer [verdachte] (hof: de verdachte) namens verdachte (hof: de medeverdachte), het bedrijf [bedrijf 1] , heeft bemiddeld bij de aankoop van de olietanker [scheepsnaam] door het Nigeriaanse bedrijf [bedrijf 2] In het aankoopproces van deze olietanker hebben ook de heren [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] (hierna gezamenlijk te noemen [bedrijf 3] ) een rol gespeeld. Deze vier personen waren destijds allen in loondienst werkzaam bij [bedrijf 2] of bij bedrijven die onderdeel van de [bedrijf 2] groep uitmaakten.
Op 23 juni 2017 is de koop gesloten en heeft [bedrijf 2] de olietanker gekocht voor een bedrag van $ 21.000.000,00. Nadat deze transactie succesvol was afgerond, heeft [bedrijf 1] op 31 augustus 2017 als vergoeding voor haar inspanningen de in de branche gebruikelijke provisie van 1% van de koopsom [$ 210.000,00] van de broker (verkoopmakelaar) [bedrijf 4] ontvangen.
De heer dr. [medeverdachte 5] , CEO van [bedrijf 2] en hoofd van de [bedrijf 2] groep (hierna te noemen: [medeverdachte 5] ) , heeft [verdachte] geïnstrueerd om [bedrijf 3] ieder een deel van de provisie van $ 10.000,00 te betalen, omdat zij ook veel (over)werk in het project hadden gestopt. Op 19 maart 2018 heeft [bedrijf 1] telkens $ 10.000,00 overgemaakt aan [bedrijf 3]
Om de betalingen in de administratie te kunnen verantwoorden, heeft [verdachte] een viertal facturen in de administratie van [bedrijf 1] op laten nemen. De facturen die betrekking hadden op de betalingen aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft [bedrijf 1] ontvangen van [medeverdachte 2] , associate director bij [bedrijf 2] . De factuur van [medeverdachte 4] heeft [verdachte] op basis van die ontvangen facturen zelf opgemaakt. ln de facturen is telkens vermeld dat de betaling wordt gedaan als vergoeding voor: "professional services rendered in connection with the provision of Transaction Support Services", oftewel - vertaald in het Nederlands - voor "professionele diensten verleend in verband met het verlenen van transactie ondersteunende dienstverlening".
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat [bedrijf 1] zich – kort gezegd – heeft schuldig gemaakt aan niet-ambtelijke omkoping en dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven (primair) danwel dat verdachte dit feit heeft gepleegd of medegepleegd (subsidiair).
Daartoe is aangevoerd dat verdachte op verzoek van de CEO van [bedrijf 2] een deel van de commissie heeft afgestaan aan [bedrijf 3] terwijl daarvoor geen grond aanwezig was en [bedrijf 3] tot het aannemen ervan niet gerechtigd waren. Het corrumperende zou er volgens de advocaat-generaal in zijn gelegen dat verdachte desalniettemin tot betaling is overgegaan om de CEO van [bedrijf 2] te vriend te houden. [bedrijf 2] was een belangrijke opdrachtgever van verdachte.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Artikel 328ter Wetboek van Strafrecht – waarin de niet-ambtelijke omkoping is neergelegd – heeft als beschermd belang de zuiverheid van de dienstbetrekking, het vertrouwen tussen werknemer en werkgever dat door het handelen in strijd met de plicht wordt beschaamd.
In lid 1 van genoemd wetsartikel gaat het vooral om het handelen of nalaten in strijd met de dienstbetrekking. Daaronder valt in ieder geval (lid 3) het in strijd met de goeder trouw tegenover de werkgever verzwijgen van het aannemen dan wel vragen van een gift, belofte of dienst. Het doet bij die verzwijging niet ter zake of de potentieel omgekochte weet heeft van de beweegredenen van de persoon die de gift of belofte doet. Het gaat louter om de objectieve verplichting tot het inlichten van de betrokken superieur.
Verder is in het kader van artikel 328ter Wetboek van Strafrecht van belang dat de prestatie de oorzaak moet zijn geweest van de gift of belofte. De steekpenningen moeten zijn gegeven omdat men iets van de ander gedaan heeft gekregen dan wel gedaan hoopt te krijgen.
In het verband van het laatste zijn de navolgende delen uit de verklaring van [medeverdachte 1] relevant:
(p. 86)
“Ergens eind februari (hof: 2018), ik weet niet precies wanneer, ontving ik een telefoontje van [verdachte] (hof: de verdachte). Hij vertelde mij dat hij zijn aanbreng fee heeft gekregen en dat hij zijn dankbaarheid naar mij wilde uiten voor mijn bijdrage tijdens de onderhandelingen. Dat was een verrassing voor mij.”
en
(p. 87)
“V: Hoe moeten we de betaling van $10.000 van [bedrijf 1] aan u zien? Waarvoor dient deze betaling?
A: Zoals ik zei, [verdachte] wilde zijn dankbaarheid uiten.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. F. van Es, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 17 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Hij zei dat hij was betaald en dat hij zijn
dankbaarheid wilde uiten. In mijn rol als managing director bij [bedrijf 5] had ik geen zakelijk contact met [verdachte] . Dus terugkomend op mijn eerdere verklaring dat ik geen steekpenning heb aangenomen, er was geen wederzijds belang tussen [verdachte] en mijzelf. lk hoefde niet beinvloed te worden en ik hoefde ook [verdachte] niets te laten doen.
V: Er stond geen tegenprestatie tegenover?
A: Nee, ik heb er niets voor gedaan en ook niet terug gedaan. Mijn rol in Noorwegen was ten behoeve van de voorzitter, ik werkte voor zijn bedrijf.”
en
(p. 87)
“0: [verdachte] verklaarde over die $10.000 dat het gezien moest worden als een bonus.
V: Wat kunt u daarover verklaren?
A: Een bonus zou een beloning zijn voor iets wat ik gedaan heb. Voor de overdracht heeft er geen gesprek plaats gevonden met [verdachte] met betrekking tot enige bonus. lk heb daar niet om gevraagd, ik heb daar geen contact met [verdachte] over gehad, zowel mondeling als schriftelijk niet.”
Verder wordt in een mail van 16 maart 2017 van de verdachte aan de CEO van [bedrijf 2] (dos.pg. 482) nog het volgende vermeld:
“We zijn heel dichtbij het tekenen van de deal, maar ik wordt nu geconfronteerd met dat ik mijn commissie intern met de belangrijkste beslissingsbevoegden moet delen.”
Het hof leidt uit het samenstel van de verklaring van [medeverdachte 1] en de mail van de hand van [verdachte] af dat het verstrekken van de opdracht door [bedrijf 2] aan verdachte om tot aankoop van een olietanker over te gaan niet de oorzaak (het gevolg) is geweest van een door verdachte gedane gift of belofte als vereist in artikel 328ter Strafrecht.
Eerst nadat de opdracht tot aankoop aan verdachte was verstrekt en verdachte naar aanleiding daarvan een olietanker had aangekocht werd [medeverdachte 1] blijkens zijn verklaring verrast door de betaling die hij van verdachte ontving. Uit niets blijkt dat [medeverdachte 1] voorafgaand aan het verstrekken van de opdracht door [bedrijf 2] aan verdachte enige betaling door verdachte in het vooruitzicht is gesteld of enige betaling van verdachte heeft ontvangen. Ook [verdachte] was blijkens de inhoud van zijn hiervoor weergegeven mail verrast dat hij een deel van zijn commissie moest afstaan
Voor zover de advocaat-generaal heeft bedoeld te stellen dat verdachte door de CEO van [bedrijf 2] is gedwongen om een deel van zijn commissie aan [medeverdachte 1] cs af te staan en daaraan gehoor heeft gegeven om de relatie met deze goed te houden en zich daardoor aan niet-ambtelijke corruptie heeft schuldig gemaakt, overweegt het hof dat de steller van de tenlastelegging op deze door de advocaat-generaal geschetste feitenconstellatie blijkens de tekst van de tenlastelegging niet het oog heeft gehad.
Zoals hiervoor aangegeven is in het kader van artikel 328ter Wetboek van Strafrecht eveneens van belang of [bedrijf 3] iets hebben nagelaten in strijd met de plicht van de dienstbetrekking, in die zin dat zij tegenover hun werkgever [bedrijf 2] hebben gezwegen over het aannemen van een deel van de commissie van verdachte.
In dat verband is van belang de navolgende verklaring van [medeverdachte 1] (dos. pg. 86):
“Ergens eind februari, ik weet niet precies wanneer, ontving ik een telefoontje van [verdachte] . Hij vertelde mij dat hij zijn aanbreng fee heeft gekregen en dat hij zijn dankbaarheid naar mij wilde uiten voor mijn bijdrage tijdens de onderhandelingen. Dat was een verrassing voor mij. Vanuit de werkcultuur die ik gewend ben vanuit Shell was dat niet iets wat ik kon aannemen. lk heb hem verteld dat ik dat niet nodig vond en dat ik daar over na wilde denken. In de werkcultuur die ik ken heb je iets als belangenverstrengeling. Giften moeten worden gemeld en vanaf een bepaalde waarde moet je het helemaal afwijzen. Dus toen ben ik naar de voorzitter gegaan, [medeverdachte 5] . Toen heb ik hem verteld dat ik gebeld was door [verdachte] en dat hij mij wat aanbood. De voorzitter zei dat [verdachte] vast blij was dat hij betaald was en dat het OK was. Enige tijd later, ik weet niet meer precies wanneer, heb ik [verdachte] ook ontmoet want hij was in het gebouw. Toen heb ik hem verteld dat het OK was en toen heb ik hem mijn bankgegevens gegeven.”
Uit deze verklaring leidt het hof af dat [medeverdachte 1] over de commissie die hem door verdachte werd aangeboden open kaart met zijn werkgever heeft gespeeld en dat dus in dat kader niet kan worden gesteld dat hij iets heeft nagelaten in strijd met de plicht van de dienstbetrekking in die zin dat hij de aangeboden commissie heeft verzwegen jegens zijn werkgever [bedrijf 2]
Een laatste aspect wat van belang is in het kader van de toetsing aan artikel 328ter Wetboek van Strafrecht is dat uit de hiervoor weergegeven verklaring van [medeverdachte 1] tevens volgt dat bij verdachte – als gestelde omkoper – niet het redelijke vermoeden kon ontstaan dat [medeverdachte 1] in strijd met zijn plicht zou handelen als bedoeld in het tweede lid van artikel 328ter Wetboek van Strafrecht. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt immers dat hij aan verdachte kenbaar heeft gemaakt dat hij eerst met zijn werkgever moest overleggen of hij de commissie wel kon aannemen. Verder volgt uit de hiervoor opgenomen mail van de hand van [verdachte] aan de CEO van [bedrijf 2] van 16 maart 2017 dat hem door de werkgever van [medeverdachte 1] min of meer werd opgedragen om een deel van zijn commissie af te staan, uit welke mededeling naar het oordeel van het hof de verdachte kon en mocht afleiden dat de werkgever van [medeverdachte 1] op de hoogte was van de betalingen die verdachte aan [medeverdachte 1] deed.
Weliswaar is hiervoor telkens de verklaring van [medeverdachte 1] aangehaald maar uit niets blijkt dat het ten aanzien van de overige in de tenlastelegging genoemde werknemers van [bedrijf 2] anders is geweest. Zo vindt de verklaring van [medeverdachte 1] ondermeer steun in een door de verdediging in het hoger beroep ingebrachte schriftelijke verklaring van 23 september 2024 van de werknemer [medeverdachte 2] .
Samenvattend is het hof met de rechtbank van oordeel dat verdachte zich noch als feitelijk leidinggever noch als pleger of als medepleger schuldig heeft gemaakt aan niet-ambtelijke omkoping als onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegd en daarvan vrijgesproken dient te worden. Het hof bevestigt daarmee deze beslissing van de rechtbank maar op andere gronden dan de rechtbank aan deze beslissing ten grondslag heeft gelegd.
Feit 3 primair en subsidiair
De advocaat-generaal heeft gevorderd feit 3 bewezen te verklaren. Volgens de advocaat-generaal heeft verdachte als feitelijk leidinggever (primair) dan wel als pleger of medepleger (subsidiair) gebruik gemaakt van valse facturen door deze aan de Rabobank te zenden terwijl hij wist dat de inhoud ervan vals was. De valsheid zou er dan uit bestaan dat in de facturen werkzaamheden worden gedeclareerd die [medeverdachte 1] c.s niet voor verdachte hebben verricht.
Het hof verwerpt dit standpunt op dezelfde gronden als de rechtbank (pagina 6 van het vonnis). Kort gezegd komt het oordeel van de rechtbank erop neer dat de betreffende facturen niet vals zijn omdat [bedrijf 3] daadwerkelijk werkzaamheden in verband met de transactie waarbij verdachte betrokken was hebben verricht.
Ook ten aanzien van de feiten 3 primair en subsidiair bevestigt het hof het vonnis van de rechtbank.