Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-06-07
ECLI:NL:GHSHE:2024:2994
Strafrecht
Hoger beroep
7,000 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002446-23
Uitspraak : 7 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 september 2023 in de strafzaak met parketnummer 02-064415-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
‘overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1, primair);
‘overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 2);
‘overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 3);
‘overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 4) en
‘overtreding van artikel 32, aanhef en onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 5, primair),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem ter zake van de feiten 1 en 2 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, ter zake van feit 3 veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00 subsidiair tien dagen hechtenis welke geldboete mag worden betaald in tien maandelijkse termijnen van elk € 50,00, ter zake van feit 4 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week en ter zake van feit 5 veroordeeld tot een geldboete van € 400,00 subsidiair acht dagen hechtenis welke geldboete mag worden betaald in tien maandelijkse termijnen van elk € 40,00. Voorts heeft de politierechter ter zake van de feiten 1 en 2 de verdachte voorwaardelijk de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van tien maanden met een proeftijd van 2 jaar.
Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal toegewezen voor een bedrag van € 3.021,18 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Ten behoeve van het slachtoffer is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 zal veroordelen tot en gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, alsmede hem voorwaardelijk de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen zal ontzeggen voor de duur van 10 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte ten aanzien van feit 3 zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, de verdachte ten aanzien van feit 4 zal veroordelen tot hechtenis voor de duur van één week en de verdachte ten aanzien van feit 5 zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 400,00. De inbeslaggenomen crossmotor dient volgens de advocaat-generaal te worden onttrokken aan het verkeer. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat de vordering integraal kan worden toegewezen.
De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] is primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk is en subsidiair is bepleit dat de vordering gematigd dient te worden. Ten slotte heeft de raadsman bepleit dat de inbeslaggenomen crossmotor dient te worden teruggegeven aan de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder feit 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder feit 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder feit 5 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van artikel 32, aanhef en onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straffen
De raadsman van de verdachte heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf of hechtenis op te leggen, dan wel aan de verdachte een gevangenisstraf of hechtenis voor de duur van één dag op te leggen met daarnaast een voorwaardelijke straf.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een vijftal overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte heeft door aldus te handelen de veiligheid van andere weggebruikers in gevaar gebracht. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 maart 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 is veroordeeld. Die veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat artikel 22b en 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat hij fulltime werkt via een uitzendbureau, dat hij een dochter heeft en dat zijn vrouw zwanger is.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd, de justitiële documentatie van de verdachte en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht, ziet het hof – mede gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en het strafblad van de verdachte – geen aanleiding om aan de verdachte slechts één dag gevangenisstraf of hechtenis op te leggen met daarnaast een voorwaardelijke straf.
Alles afwegende acht het hof ter zake van het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week, alsmede een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, passend en geboden.
Voorts acht het hof – mede ter bescherming van de verkeersveiligheid – het aangewezen ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde aan de verdachte telkens een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 5 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren op te leggen.
Tevens acht het hof ten aanzien van het onder feit 3 bewezenverklaarde de oplegging van een geldboete ter hoogte van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van deze geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Het hof zal bepalen dat de verdachte de geldboete mag voldoen in tien maandelijkse termijnen van € 50,00.
Ten aanzien van het onder feit 4 bewezenverklaarde acht het hof de oplegging van een taakstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis passend en geboden.
Ten slotte acht het hof ten aanzien van het onder feit 5 bewezenverklaarde de oplegging van een geldboete ter hoogte van € 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van deze geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Het hof zal bepalen dat de verdachte de geldboete mag voldoen in acht maandelijkse termijnen van € 50,00.
Beslag
De crossmotor van de verdachte (registratienummer: [registratienummer] ) is in beslag genomen op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering. De advocaat-generaal vordert dat de crossmotor zal worden onttrokken aan het verkeer. De verdediging verzoekt de teruggave van de crossmotor.
De crossmotor behoort toe aan de verdachte. Het hof zal de crossmotor als voorwerp met behulp waarvan de feiten 2 en 3 zijn begaan verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.021,18, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:
€ 2.915,00 aan schade aan auto;
€ 106,18 aan expertisekosten.
De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal toegewezen voor een bedrag van € 3.021,18 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen voor het bedrag van € 3.021,18 bestaande uit materiële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2022, zijnde de datum van het delict, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 3.021,18. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-064415-23 onder feit 1 primair en onder feit 2 bewezenverklaarde:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis;
ontzegt de verdachte ter zake van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
ontzegt de verdachte ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
ten aanzien van het onder feit 3 bewezenverklaarde:
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis;
bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 10 (tien) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 50,00 (vijftig euro);
ten aanzien van het onder feit 4 bewezenverklaarde:
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis;
ten aanzien van het onder feit 5 primair bewezenverklaarde:
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis;
bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 8 (acht) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 50,00 (vijftig euro);
ten aanzien van het beslag:
verklaart verbeurd het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een crossmotor (merk/type Ktm, kleur wit, registratienummer: [registratienummer] , goednummer PL2000-2022094918-2450470);
ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.021,18 (drieduizend eenentwintig euro en achttien cent) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2022 tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.021,18 (drieduizend eenentwintig euro en achttien cent) aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2022 tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 40 (veertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. N.J.L.M. Tuijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier,
en op 7 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. C. Schenker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Respectievelijk p. 6, p. 17 en p. 9 van het procesdossier (zaakregistratienummer: PL2000-2022095063).
Inleiding
hij op of omstreeks 14 april 2022 te Breda, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een (cross)motor te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 april 2022 te Breda, als bestuurder van een voertuig ((cross)motor), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof(fen), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
2.hij op of omstreeks 14 april 2022 te Breda, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Prinsenkade, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht;
3.hij op of omstreeks 14 april 2022 te Breda, als bestuurder van een voertuig (cross)motor (merk KTM en niet voorzien van enig/een kenteken), daarmee rijdende op de weg(en), de Prinsenkade en/of de Konijnenberg (kruising met de Crogtdijk en Backer en Ruebweg), onder invloed van alcohol en/of stof(fen)
- als eigenaar of houder van (een) motorrijtuig(en), daarmee over die weg(en) heeft gereden, althans heeft laten rijden, zonder dat aan de eigenaar of houder door de Dienst Wegverkeer voor dat/die motorrijtuig(en) een kenteken was opgegeven, en/of
- niet, althans niet bij voortduring, zijn, verdachte’s aandacht gericht gehouden op het vóór hem en/of naast hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg en/of
- met een gelet op de verkeerssituatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid/snelheden, en/of
- meerdere malen, althans éénmaal, met dat voertuig zodanig heeft gemanoeuvreerd, dat dat voertuig slechts met het achterwiel contact had met het wegdek, en/of
- een voor hem op die weg (de Prinsenkade) rijdend voertuig, personenauto (merk Renault) links heeft ingehaald, althans is gaan inhalen, op het moment dat deze linksaf sloeg – om een aldaar gelegen parkeerterrein op of in te rijden – het punt waar hij, verdachte, inhaalde, althans ging inhalen, reeds had bereikt, althans op korte afstand was genaderd en in botsing, althans in aanrijding is gekomen met dat vlak voor hem bevindende en/of rijdende – linksaf slaande personenauto,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
4.hij op of omstreeks 14 april 2022 te Breda, als bestuurder van een motorrijtuig ((cross)motor), daarmede rijdende over een voor het openbaar verkeer openstaande weg(en), Prinsenkade en/of de Konijnenberg (kruising met de Crogtdijk en Backer en Ruebweg), zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
5. hij op of omstreeks 14 april 2022 te Breda, op de weg(en), de Prinsenkade en/of de Konijnenberg (kruising met de Crogtdijk en Backer en Ruebweg), een motorrijtuig als bedoeld in artikel 20b, eerste lid, heeft gebruikt of laten staan, te weten een (cross)motor, terwijl dat motorrijtuig niet was aangewezen voor toelating tot het verkeer;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 april 2022 te Breda, op de weg(en) de Prinsenkade en/of de Konijnenberg (kruising met de Crogtdijk en Backer en Ruebweg), een voertuig heeft gebruikt, te weten een (cross)motor, dat ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 diende te zijn goedgekeurd, terwijl dat voertuig niet was goedgekeurd.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1. hij op 14 april 2022 te Breda, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een (cross)motor te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
2.hij op 14 april 2022 te Breda, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval veroorzaakt op de Prinsenkade, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer] ) schade was toegebracht;
3.hij op 14 april 2022 te Breda, als bestuurder van een voertuig (cross)motor (merk KTM en niet voorzien van een kenteken), daarmee rijdende op de weg(en), de Prinsenkade en/of de Konijnenberg (kruising met de Crogtdijk en Backer en Ruebweg)
- als eigenaar of houder van (een) motorrijtuig, daarmee over die weg(en) heeft gereden, zonder dat aan de eigenaar of houder door de Dienst Wegverkeer voor dat motorrijtuig een kenteken was opgegeven, en
- niet, althans niet bij voortduring, zijn aandacht gericht gehouden op het vóór hem en/of naast hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg en
- met (een) gelet op de verkeerssituatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid/snelheden, en
- meerdere malen, althans éénmaal, met dat voertuig zodanig heeft gemanoeuvreerd, dat dat voertuig slechts met het achterwiel contact had met het wegdek, en
- een voor hem op die weg (de Prinsenkade) rijdend voertuig, personenauto (merk Renault) links heeft ingehaald, op het moment dat deze linksaf sloeg – om een aldaar gelegen parkeerterrein op of in te rijden – het punt waar hij, verdachte, inhaalde, althans ging inhalen, reeds had bereikt, althans op korte afstand was genaderd en in aanrijding is gekomen met die zich vlak voor hem bevindende en/of rijdende – linksaf slaande personenauto,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
4.hij op 14 april 2022 te Breda, als bestuurder van een motorrijtuig ((cross)motor), daarmede rijdende over een voor het openbaar verkeer openstaande wegen, Prinsenkade en/of de Konijnenberg (kruising met de Crogtdijk en Backer en Ruebweg), zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
5.