Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-06-26
ECLI:NL:GHSHE:2024:2909
Strafrecht
Hoger beroep
2,381 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002252-23
Uitspraak : 26 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 juli 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-058610-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde feit en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met uitzondering van de opgelegde straf - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat de bewijsmiddelen worden vervangen door de bewijsmiddelen zoals deze in geval van cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Daarnaast zal het hof reageren op de in hoger beroep aangedragen bewijsverweren.
Verweren in hoger beroep
De verdediging heeft in hoger beroep alternatieve scenario’s aangedragen voor de oorzaak van het ongeluk. De verdachte heeft verklaard dat hij werd verblind door de zon en dat er mogelijk een gebrek was aan de auto, waardoor deze een afwijking naar links had. In aanvulling daarop heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat vermoeidheid een rol heeft gespeeld bij het veroorzaken van het ongeluk en evenmin dat de auto geen gebrek had.
Het hof passeert de suggestie dat het ongeluk zou zijn veroorzaakt doordat de verdachte verblind werd door de zon en/of doordat de auto mogelijk een gebrek had in de vorm van een afwijking naar links, omdat deze suggesties op geen enkele wijze aannemelijk zijn geworden. De verdachte heeft ten tijde van zijn verhoor tegenover de politie verklaard dat hij in slaap was gevallen. Dat de verdachte destijds aldus heeft verklaard om zijn werkgever – van wie de auto was – te ontzien, is evenmin aannemelijk geworden, nu dit niet met concrete gegevens is onderbouwd en ook geen concrete bevestiging vindt in de resultaten van het opsporingsonderzoek. Daarnaast heeft de raadsman van de verdachte bij de terechtzitting in eerste aanleg een verklaring namens de verdachte overgelegd, waarin de verdachte eveneens heeft verklaard dat hij moe was en op een gegeven moment heel kort in slaap is gevallen. Nu er ook overigens geen enkel aanknopingspunt is voor een ander scenario ziet het hof geen reden aan die eerdere verklaring van de verdachte te twijfelen. Het hof gaat om die reden uit van zijn verklaring zoals hij deze ten tijde van zijn verhoor tegenover de politie en in eerste aanleg heeft afgelegd, inhoudende dat hij achter het stuur in slaap was gevallen.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de bepleite vrijspraak verder naar voren is gebracht brengt het hof niet tot andere overwegingen dan de rechtbank, zodat het hof dit feit overeenkomstig de gronden in het vonnis bewezen acht.
Op te leggen straf en maatregel
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de gevolgen van het ongeluk voor hemzelf verzocht te volstaan met een geldboete. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een lagere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Daarbij heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de proceshouding van de verdachte: de verdachte heeft veel moeite gedaan om vandaag bij de zitting aanwezig te zijn en hij heeft meermaals aangegeven zijn verantwoordelijkheid voor hetgeen hij heeft veroorzaakt te willen nemen. Ook wijst de raadsman op het feit dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke misdrijven onherroepelijk is veroordeeld.
De verdachte is door onvoldoende uitgerust een personenauto te besturen en vervolgens in slaap te vallen, op het weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer geraakt. De verdachte heeft daardoor een aanrijding veroorzaakt met een tegemoetkomende personenauto. De twee inzittenden van dit voertuig hebben als gevolg van dit ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit het namens de slachtoffers ter terechtzitting in eerste aanleg uitgeoefende spreekrecht blijkt dat de gevolgen voor de slachtoffers tot op de dag van vandaag nog altijd groot zijn. Hun letsel en beperkingen zijn blijvend. Hobby's zoals fietsen en klussen zijn niet meer mogelijk. Zij zijn zoals zij zelf verwoorden in één klap van fitte ouderen die nog midden in het leven stonden verworden tot hulpbehoevende bejaarden.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2024, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld tot enig strafbaar feit.
Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte ten tijde van het ongeval in Nederland woonde en werkzaam was als aspergesteker. Inmiddels is hij gepensioneerd en woont hij weer in Polen. De verdachte kan net rondkomen van zijn pensioen. Daarnaast kampt de verdachte met gezondheidsproblemen: hij heeft een operatie aan zijn hart ondergaan en er staat een nieuwe operatie gepland.
Het hof heeft voorts gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Voor het met aanmerkelijke schuld veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg geldt een oriëntatiepunt van 120 uren taakstraf en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 6 maanden.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden;
bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het voorgaande.
Dit arrest is gewezen door:
mr. S.H.C. Merkx, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 26 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. S.H.C. Merkx is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.