Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-09-12
ECLI:NL:GHSHE:2024:2886
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,183 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 12 september 2024
Zaaknummer: 200.338.943/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/394986 / FA RK 23/2908
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.S. Gerritsen,
tegen
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. L.G.F.M. Dusée-Gloudemans.
Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Als informant wordt aangemerkt:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats]
hierna te noemen: de GI (de gecertificeerde instelling).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats]
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
Deze zaak gaat over het gezag van de vader over [minderjarige] .
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 december 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 maart 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover deze ziet op het gezamenlijk gezag met betrekking tot [minderjarige] en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de moeder om het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] te wijzigen op grond van artikel 1:251a en te bepalen dat de moeder voortaan met het eenhoofdig ouderlijk gezag wordt belast, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht. Kosten rechtens.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juli 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Gerritsen;
-mr. L.G.F.M. Dusée-Gloudemans namens de vader;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2.2.1.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 29 november 2023;
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 4 juli 2024.
2.4.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft de moeder verklaard dat [minderjarige] het hof een brief heeft gestuurd. Het hof heeft de aanwezigen tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat het hof geen brief van [minderjarige] heeft ontvangen. Dit heeft het hof na de mondelinge behandeling nog eens gecontroleerd maar daarbij werd geen brief van [minderjarige] aangetroffen. De griffier van het hof heeft daarop contact opgenomen met de advocaat van de moeder, maar deze kon niet bevestigen dat [minderjarige] een brief heeft gestuurd. Daarop heeft het hof geconcludeerd dat [minderjarige] geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om haar mening kenbaar te maken.
Beoordeling
3.1.
Uit de affectieve relatie van partijen is, voor zover in hoger beroep van belang, [minderjarige] geboren.
3.2.
De vader heeft [minderjarige] erkend. Partijen oefenen vanaf 6 november 2009 gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit, na een daartoe conform de wet gemaakte aantekening in het gezagsregister.
3.3.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 27 augustus 2012 te [plaats] .
3.4.
Bij beschikking van 14 juni 2016 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 18 augustus 2016 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.5.
De vader en [minderjarige] hebben sinds maart 2022 geen of nauwelijks contact meer gehad.
3.6.
[minderjarige] verbleef sinds 16 november 2023 bij haar oma (moederszijde).
3.7.
Bij beschikking van 29 november 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van zes maanden. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 29 november 2024.
3.8.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van de moeder om het ouderlijk gezag over [minderjarige] te wijzigen en te bepalen dat de moeder voortaan alleen het gezag over [minderjarige] uitoefent, afgewezen.
3.9.
Bij beschikking van 1 mei 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij oma (moederszijde) en in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ( [instantie] ) verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, aldus tot 29 november 2024.
3.10.
De moeder kan zich met de beslissing ten aanzien van het gezag niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.11.
De moeder voert in haar beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling - samengevat - het volgende aan. [minderjarige] is uit huis geplaatst en gaat op 7 augustus 2024 een traject starten bij [instantie] . Beide ouders worden in dit traject betrokken. Dat de vader ook in het traject wordt betrokken is belangrijk omdat een deel van de zorgen rondom [minderjarige] betrekking heeft op hun relatie en het ontbreken van contact tussen hen.
De moeder heeft het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag gedaan omdat dit de wens van [minderjarige] is. De moeder wilde niet dat [minderjarige] haar zou verwijten dat ze het verzoek niet voor haar had gedaan. Als volwassene denkt de moeder dat het beter is als het gezag van de vader in stand blijft. [minderjarige] staat aan de start van een zwaar traject. Het is nu de kans voor de vader om zijn verantwoordelijkheid als vader te nemen en er voor zijn dochter te zijn. Gebleken is dat de vader zich bewust is van het feit dat hij het niet altijd goed heeft gedaan in het verleden. Het is nu de kans om deze fouten te herstellen en zijn rol als gezaghebbende ouder te vervullen. [minderjarige] duwt haar vader weg, maar eigenlijk schreeuwt zij om haar vader. De moeder vindt het belangrijk dat er nu, vooral gezien het traject waar [minderjarige] mee gaat starten, een beslissing komt over het gezag van de vader.
3.12.
De advocaat van de vader voert namens hem - kort samengevat - het volgende aan. De vader is niet aanwezig bij de mondelinge behandeling vanwege verplichtingen in verband met zijn werk. De advocaat van de vader vermoedt dat hierbij ook meespeelt dat de vader de vorige zitting als confronterend heeft ervaren en dat hij moeite heeft met het verzoek dat voorligt. De vader is zich er van bewust feit dat hij in het verleden fouten heeft gemaakt. Niet duidelijk is of hij zich bewust is van de invloed die deze fouten op [minderjarige] hebben gehad en nog hebben. Hij heeft ervoor gekozen om geen verweer te voeren en daarmee de wens van [minderjarige] te respecteren. Wellicht is het beter, gelet op de positieve reactie van de moeder, als de vader zich niet langer terugtrekt maar juist een stap naar voren doet.
3.13.
De GI verklaart tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – als volgt. De huidige jeugdbeschermer is pas net betrokken bij het gezin. [minderjarige] is een meisje dat beschadigd is en een verstoorde relatie met haar vader heeft. Zij voelt zich door hem niet gehoord of gezien en is als gevolg daarvan gekwetst. Daarnaast wordt een vader gezien die dingen verkeerd heeft gedaan, maar niet weet hoe hij daarmee om moet gaan. De vader denkt dat zich terugtrekken de juiste keuze is. Een onderdeel van de behandeling bij [instantie] is de verstoorde relatie tussen [minderjarige] en haar vader. [minderjarige] heeft toestemming gegeven dat de vader bij het traject wordt betrokken. Dat rijmt niet met het standpunt dat zij niet wil dat haar vader nog het gezag over haar uitoefent. Als [minderjarige] zich na het traject nog steeds op hetzelfde standpunt stelt kan de zaak anders liggen. Het is nu vooral in het belang van [minderjarige] dat haar relatie met haar vader verbetert. Beide ouders werken in het kader van de ondertoezichtstelling goed mee.
3.14.
De raad adviseert om de zaak aan te houden, dan wel het gezag van de vader in stand te houden. Sinds 2022 vraagt [minderjarige] erkenning van de vader voor de gebeurtenis tussen haar en haar stiefbroer. Zij heeft moeite met de keuzes die de vader heeft gemaakt en duwt hem weg. Het is mogelijk dat zij door middel van deze procedure de vader juist een kans wil geven om te laten zien dat zij belangrijk voor hem is en dat hij er wel degelijk voor haar is. Het is lastig dat de timing van de mondelinge behandeling net voor de start van het traject bij [instantie] plaatsvindt. Dat traject kan een hoop veranderingen teweegbrengen. Het is nu misschien te vroeg om een beslissing te nemen. De raad hoopt dat bij [instantie] heling en verbinding ontstaat. De vraag is of het daarbij helpend is als er een definitieve beslissing van het hof ligt.
3.15.
Het hof overweegt het volgende.
3.15.1.
Het hof stelt vast dat de ouders sinds de echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] zijn blijven uitoefenen.
3.15.2.
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.15.3.
Het is niet in geschil dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, zodat het hof aan een inhoudelijke beoordeling toekomt.
3.15.4.
Op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is onvoldoende gebleken dat sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders. De samenwerking tussen de ouders, zowel ten aanzien van [minderjarige] als ten aanzien van haar broertje en zusje, is volgens de moeder nog altijd groeiende.
3.15.5.
Evenmin is gebleken dat een wijziging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het hof vindt het juist in het belang van [minderjarige] dat de vader het gezag over haar blijft uitoefenen.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 december 2023 voor zover het daarin het gezag van de ouders over [minderjarige] betreft;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, A.M. Bossink en K.A. Boshouwers en is op 12 september 2024 uitgesproken door mr. A.M. Bossink in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.