Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-08-14
ECLI:NL:GHSHE:2024:2877
Strafrecht
Hoger beroep
4,088 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000675-23
Uitspraak : 14 augustus 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 28 februari 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-190867-22 tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezen verklaard en dat gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht’, de verdachte strafbaar verklaard en hem daarvoor veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
Door en namens de verdachte is vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering en aanvulling van de gronden ten aanzien van de bewijsvoering en vervanging van de bewijsoverweging en de strafmotivering.
Bewijsmiddelen
Naar het oordeel van het hof behoeven de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring van de rechtbank berust aanvulling en verbetering.
De rechtbank heeft als bewijsmiddel 1 het volgende opgenomen:
1Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersdelict (pag. 7 t/m 23), onder
meer inhoudende:
Uit het onderzoek naar de VerkeersRegelinstallatie (VRI) blijkt dat er een roodlichtnegatie plaatsvond op het tijdstip van 09:21:25 op de rijrichting van de auto. Hieruit bleek tevens dat het verkeerslicht bestemd voor fietsers op de Karel de Grotelaan groen licht uitstraalde.
Uit de analyse van het faselog, bleek dat de bestuurder van de Toyota, op dinsdag 22 februari 2022, omstreeks 09:21:25.1 uur, de stopstreep was gepasseerd, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten minimaal 13 seconden rood licht uitstraalden.
De bestuurder van de fiets, was op dinsdag 22 februari 2022, omstreeks 09:21:22.9 uur, de stopstreep gepasseerd, terwijl de voor [haar] geldende verkeerslichten minimaal 5 seconden groen licht uitstraalden.
Er waren geen aanwijzingen dat de verkeersregelinstallatie niet naar behoren had gewerkt ten tijde van het ongeval. Alle lampen van de relevante verkeerslantaarns hadden naar behoren gewerkt en waren goed zichtbaar geweest voor de bij het ongeval betrokken bestuurders.
De rechtbank heeft de hierboven schuingedrukte tweede en derde alinea opgenomen onder bewijsmiddel 1, dat verwijst naar pagina’s 7 t/m 23, terwijl deze passages volgen uit het verkort proces-verbaal analyse VRI data op pagina’s 24 t/m 30 van het politiedossier. Het hof verbetert en vult dit aan als volgt.
1Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersdelict (pag. 7 t/m 23), onder
meer inhoudende:
Uit het onderzoek naar de VerkeersRegelinstallatie (VRI) blijkt dat er een roodlichtnegatie plaatsvond op het tijdstip van 09:21:25 op de rijrichting van de auto. Hieruit bleek tevens dat het verkeerslicht bestemd voor fietsers op de Karel de Grotelaan groen licht uitstraalde.
Er waren geen aanwijzingen dat de verkeersregelinstallatie niet naar behoren had gewerkt ten tijde van het ongeval. Alle lampen van de relevante verkeerslantaarns hadden naar behoren gewerkt en waren goed zichtbaar geweest voor de bij het ongeval betrokken bestuurders.
(pag. 21)
Toedracht:
De bestuurder van de auto reed over de Tinelstraat en reed genoemde kruising op. Hierbij negeerde de bestuurder van de auto het voor hem geldende rode verkeerslicht en verleende geen voorrang aan de van links komende fietsster die op het fietspad reed en genoemde kruising overstak. De auto botste met de voorzijde tegen de rechterzijde van de fietsster. Uit de gegevens van de VRI bleek dat het verkeerslicht bestemd voor de bestuurder van de auto minimaal 13 seconden rood licht uitstraalde.
(pag. 22)
Na het openen van de kast zagen wij dat de VRI van het merk Swarco afkomstig was. Vervolgens keken wij naar de loggegevens van de storingsgegevens en zagen wij dat er géén fouten waren geregistreerd. Tevens keken wij in het regelschema van de VRI waarop wij zagen dat de VRI actief aan het regelen was op het tijdstip van de eerste melding van het ongeval.
5. Het verkort proces-verbaal analyse VRI data ‘analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie’ (pag. 24 t/m 30), onder meer inhoudende:
(pag. 29)
Uit de analyse van het faselog, bleek dat de bestuurder van de Toyota, op dinsdag 22 februari 2022, omstreeks 09:21:25.1 uur, de stopstreep was gepasseerd, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten minimaal 13 seconden rood licht uitstraalden.
De bestuurder van de fiets, was op dinsdag 22 februari 2022, omstreeks 09:21:22.9 uur, de stopstreep gepasseerd, terwijl de voor [haar] geldende verkeerslichten minimaal 5 seconden groen licht uitstraalden.
Daarnaast zal het hof, anders dan de rechtbank, niet tot het bewijs bezigen:
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte op 7 maart 2022 (pag. 46 t/m 52), onder meer inhoudende:
‘Ik ben na het verkeerslicht niet opnieuw gestopt voor de haaientanden voor het fietspad’.
Bewijsoverwegingen
In hoger beroep is van de zijde van de verdediging vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard dat het stoplicht voor hem groen licht uitstraalde. Er is onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden om te kunnen vaststellen dat de verdachte door een stoplicht dat rood licht uitstraalde is gereden. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid bij de verdachte. De verdachte reed niet met een verwijtbaar hoge snelheid. Hij heeft voorzichtig gereden want hij kende de situatie en was bovendien helder van geest en in goede gezondheid. De verdachte heeft oplettend gereden en er had niet meer van hem verwacht kunnen worden. Aldus is er geen sprake van een verwijt in de zin van artikel 6 van de WVW1994 en dient de verdachte te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem primair ten laste is gelegd.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,
mr. A. Muller en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.B. Mobach, griffier,
en op 14 augustus 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bij de beoordeling of verdachte van het ongeval een verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 6 WVW1994 (of er minst genomen sprake is een aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid), het aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding(en) en de omstandigheden waaronder die overtreding(en) is/zijn begaan. Daarbij kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier stelt het hof het volgende vast.
De verdachte, zijnde een taxichauffeur, reed op 22 februari 2022 als bestuurder van een personenauto (Toyota Aygo) op de Tinelstraat te Eindhoven richting het kruispunt bij de Karel de Grotelaan. Op dat moment waren de weersomstandigheden goed en het was helder. De verdachte is op het kruispunt in aanrijding gekomen met een fietser, die vanuit de Meerveldhovense weg het kruispunt overstak in de richting van de Karel de Grotelaan. Er is een forensisch onderzoek uitgevoerd naar de verkeersregelinstallatie (verkeerslichten) die geldend was op dat moment voor de partijen. Daaruit is het volgende gebleken. Het voor aangeefster geldende verkeerslicht straalde minimaal vijf seconden groen licht uit toen zij de stopstreep passeerde om 09:21:22 uur. Het voor de verdachte geldende verkeerslicht straalde minimaal 13 seconden rood licht uit toen hij de stopstreep passeerde om 09:21:25 uur. De afstand vanaf de stopstreep bij het voor verdachte geldende verkeerslicht tot de aanrijding met aangeefster op het kruispunt betrof 25 meter (pagina 23 politiedossier). Aangeefster heeft door de aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen te weten een gebroken kaak, een gebroken linker pols met een blijvende beperking van de pols, een hersenschudding en kapotte knieën.
De verdachte heeft verklaard dat hij bekend was met de situatie ter plaatse en de plaats van het verkeerslicht. Hij heeft voorts verklaard dat het verkeerslicht voor hem groen licht had voor hij doorreed in de richting van het kruispunt en dat hij daarbij aangeefster niet heeft gezien.
De verklaring van de verdachte dat het verkeerslicht groen licht uitstraalde staat haaks op de bevindingen uit het forensische onderzoek en is op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting ook niet aannemelijk geworden. Uit de analyse van de faselog volgt dat de verdachte de stopstreep is gepasseerd terwijl de voor hem geldende verkeerslichten minimaal 13 seconden rood licht uitstraalden en uit het onderzoek naar de verkeersregelinstallatie blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat deze niet naar behoren heeft gewerkt ten tijde van het ongeval. Immers uit de loggegevens van de storingsgegevens werd gezien dat er géén fouten waren geregistreerd en in het regelschema van de VRI werd gezien dat de VRI actief aan het regelen was op het tijdstip van de eerste melding van het ongeval. Alle lampen van de relevante verkeerslantaarns hadden naar behoren gewerkt en waren goed zichtbaar geweest. Het hof schuift de verklaring van de verdachte dat hij groen licht had dan ook als ongeloofwaardig ter zijde.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte niet is gestopt voor het voor hem geldende - en reeds 13 seconden - rood licht uitstralende verkeerslicht, maar in plaats daarvan is doorgereden. Dit is op zichzelf al aan te merken als een ernstige verkeersfout. Vervolgens heeft hij niet gezien dat aangeefster (die op dat moment een groen verkeerslicht had) het kruispunt over fietste. De verdachte was bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Gelet op de situatie ter plaatse moest hij nog een afstand van 25 meter afleggen vanaf de stopstreep tot het fietspad. Uit het dossier blijkt voorts dat de verdachte vrij zicht had op het fietspad en op de linkerkant van de weg waar aangeefster vandaan kwam. Aangeefster had bovendien de leeftijd van 86 jaren en heeft verklaard dat ze op haar gemakje rijdt en iets langzamer fietst (pag. 34 en 35 dossier). Zij stak het kruispunt over op haar fiets zonder elektrische ondersteuning (pag. 4 dossier). Het is gelet op deze omstandigheden aannemelijk dat zij met een lage snelheid overstak. De verdachte had dan ook, gelet op al het voorgaande, bij een voldoende oplettendheid, gelegenheid om te stoppen voor aangeefster. Bovendien woont hij vlakbij deze verkeerssituatie, die hij dagelijks passeert, en had van hem verwacht mogen worden dat hij hier extra voorzichtigheid zou betrachten bij het kruisen van het fietspad met zijn auto. Hij heeft dat echter niet gedaan waardoor er een aanrijding is ontstaan.
Het hof is van oordeel dat gelet op het hiervoor overwogene sprake is geweest van meer dan één moment van onoplettendheid, ten gevolge waarvan de aanrijding met aangeefster heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft zich dan ook aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen. Hoewel het passeren van het rood licht op zichzelf al een zware verkeersovertreding is, vindt het hof dat de overtreding in de gegeven omstandigheden -de overzichtelijkheid van het kruispunt, de bekendheid van de verdachte met de verkeerssituatie ter plaatse en het niet opmerken van aangeefster die het kruispunt overstak- dermate ernstig is, dat het hiervoor beschreven verkeersongeval aan de te verwijten schuld van de verdachte te wijten is geweest. Het hof stelt vast dat van verontschuldigbare omstandigheden geen sprake is geweest.
Aangeefster heeft als gevolg van het verkeersongeval blijvend letsel opgelopen. Zij is twee dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest. Gelet op de verwondingen, de noodzakelijke behandeling en het uitblijven van volledig herstel door de blijvende beperking van haar pols wordt het letsel gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om bij een bewezenverklaring te volstaan met het opleggen van de door de rechtbank opgelegde straf. Strafmatigende omstandigheden zijn immers dat de verdachte kostwinner is van zijn gezin met twee jonge kinderen. Verder is de verdachte niet eerder voor een verkeersdelict veroordeeld.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto aanmerkelijk onvoorzichtig en
onoplettend gereden, waardoor een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden. Hij heeft allereerst een verkeerslicht dat op rood stond genegeerd, terwijl
dat al langere tijd rood licht uitstraalde.