Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-09-03
ECLI:NL:GHSHE:2024:2797
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
13,680 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.315.891/01
arrest van 3 september 2024
in de zaak van
[de V.O.F.]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante],
advocaat: mr. G.S. de Haas, gemeente Geertruidenberg,
tegen
[de B.V.],
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.M.M. Kroon te Veenendaal,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 april 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/278940 / HA ZA 20-308 gewezen vonnis van 20 april 2022.
8Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 30 april 2024;
de aktes na tussenarrest van [appellante] en [geïntimeerde] van 28 mei 2024;
het H2-formulier van 12 juni 2024 waarbij mr. Leliveld zich onttrekt als advocaat van [appellante];
het H2-formulier van 13 juni 2024 waarbij mr. De Haas zich stelt als advocaat van [appellante].
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
Beoordeling
9.1
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof beslist dat het hof voornemens is een deskundige te benoemen.
De te benoemen deskundige
9.2.
Partijen zijn het eens over de persoon van de deskundige en stellen voor Hans Jacobs van [bedrijf], een dochteronderneming van ABAB Accountants en Adviseurs, te benoemen. Deze deskundige heeft zich bereid verklaard de benoeming te aanvaarden. Het hof zal hem dan ook als deskundige benoemen.
De te stellen vragen aan de deskundige
9.3.
[appellante] is het eens met de te stellen vragen aan de deskundige. [geïntimeerde] stelt voor dat nog drie aanvullende vragen aan de deskundige worden gesteld. [appellante] maakt hiertegen bezwaar.
9.4.
[geïntimeerde] stelt als eerste voor de volgende vraag toe te voegen: “Welke informatie heeft [appellante], al dan niet op verzoek van [geïntimeerde], aangeleverd?”. [geïntimeerde] voert daartoe aan dat de ondernemer niet achterover mag leunen en dat informatie die door [appellante] is aangeleverd niet door [geïntimeerde] op hoeft te worden gevraagd. Daarbij is van belang dat mogelijk is dat [geïntimeerde] wel informatie heeft opgevraagd, maar dat [appellante] deze niet heeft aangeleverd.
9.5.
Het hof zal deze vraag niet overnemen. Wat ter beoordeling voorligt is of [geïntimeerde] op grond van de overeenkomst van opdracht haar werkzaamheden heeft verricht met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend agrarisch bedrijfsadviseur in gelijke omstandigheden mag worden verwacht (rov. 6.7-6.8 in het tussenarrest van 30 april 2024). De deskundige dient de vragen te beantwoorden tegen de door het hof in het tussenarrest van 30 april 2024 vastgestelde feiten (rov. 6.1.1-6.1.19 in het tussenarrest van 30 april 2024), terwijl in vraag a) al is vermeld dat het gaat om de beschikbare informatie. Dat [geïntimeerde] informatie heeft opgevraagd maar dat [appellante] verzuimd heeft die aan te leveren, is een nieuwe stelling die [geïntimeerde] niet eerder heeft ingenomen. Die nieuwe stelling is tardief en vormt daarom geen argument om deze vraag toe te voegen.
9.6.
[geïntimeerde] stelt vervolgens dat aan vraag c) de volgende vraag moet worden toegevoegd: “Hoe verhoudt zich de beoordeling van de afzonderlijke selectiecriteria door gedeputeerde staten tussen de aanvraag van [appellante] en de overige subsidieaanvragers, die tijdens dezelfde openstellingsperiode POP3-subsidie hebben aangevraagd over Fysieke investeringen duurzame innovaties (2018)?”. [geïntimeerde] voert aan dat indien zou blijken dat [geïntimeerde] tekort zou zijn geschoten de deskundige ook alle andere subsidieaanvragen uit dezelfde openstellingsronde moet beoordelen om te bezien of de andere aanvragen wel volledig waren.
9.7.
Het hof ziet geen aanleiding om deze vraag over te nemen. [geïntimeerde] laat na uit te leggen hoe de deskundige dit onderzoek zou kunnen verrichten, terwijl informatie over de andere aanvragen in het dossier ontbreekt. Los daarvan is het hof van oordeel dat beantwoording van deze vraag niet relevant is voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] tekort is geschoten als opdrachtnemer (vgl. rov. 6.7-6.8 in het tussenarrest van 30 april 2024).
9.8.
Ten slotte voert [geïntimeerde] aan dat de deskundige ook de volgende vraag zou moeten beantwoorden: “Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, op welk bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?”. [geïntimeerde] voert aan dat de schade niet per se bestaat uit de niet-verleende subsidie omdat die uitgaat van offertes en stelposten. De schade bestaat volgens [geïntimeerde] uit het bedrag waarop de subsidie zou zijn vastgesteld.
9.10.
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] heeft aangevoerd (conclusie van antwoord nr. 3.21) dat, zo al schade is geleden, het om de feitelijk misgelopen subsidie moet gaan. In zoverre is het bezwaar van [appellante] dat dit niet eerder als verweer door [geïntimeerde] is gevoerd ongegrond. [appellante] heeft de subsidiabele kosten voor de realisatie van het project beregening begroot op in totaal € 490.362,74 (rov. 6.1.6 in het tussenarrest 30 april 2024). [appellante] heeft voorts gesteld dat [appellante] het project heeft gerealiseerd conform haar subsidieaanvraag. De hoogte van de schade ter zake van gemiste subsidie ten aanzien van het project Beregening bedraagt
€ 196.145,09, aldus [appellante] (rov. 6.12 in het tussenarrest van 30 april 2024). Het hof begrijpt dat [appellante] zich hierbij baseert op hetgeen volgt uit het advies van de Provinciale Adviescommissie (productie B6 bij memorie van grieven) en uit de rangschikkingslijst (productie B12 bij memorie van grieven). Uit deze stukken blijkt dat de aangevraagde subsidie € 196.145,09 bedraagt. Het hof ziet daarom aanleiding de vraag te herformuleren als volgt: “Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, zou deze zijn vastgesteld op het bedrag van € 196.145,99? Zo nee, op welk ander bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?”.
9.11.
Het voorgaande leidt er toe dat aan de deskundige de volgende vragen worden gesteld:
Heeft [geïntimeerde], in de persoon van [persoon 1], ten aanzien van de subsidieaanvraag 2018 de beschikbare informatie op een juiste en deskundige wijze verwoord in de subsidieaanvraag 2018 en het bijbehorende projectplan? Is gebruikelijk en/of noodzakelijk dat voorafgaand aan het indienen van de subsidieaanvraag door een opdrachtnemer aan het POP3-handboek wordt getoetst?
Heeft [geïntimeerde], in de persoon van [persoon 1], voldoende relevante informatie opgevraagd en/of aangeleverd bij en uitgewerkt in de subsidieaanvraag 2018 en het projectplan? Bij de beantwoording van de vraag dient ook hetgeen GS hebben overwogen in de beslissing op bezwaar (zie rov. 6.1.11 in het tussenarrest van 30 april 2024) met betrekking tot de tendersystematiek en de bezwaargrond ‘Effectiviteit van de activiteit’ te worden betrokken.
Indien het antwoord op vraag a) en/of b) ontkennend is, kunt u toelichten of het op juiste, deskundige en volledige wijze verwoorden van de subsidieaanvraag 2018 en het projectplan en/of de vermelding van meer/andere informatie had geleid tot een hoger aantal punten dan 20? Wat zou naar uw oordeel in dat geval het aantal punten zijn dat was toegekend?
Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, zou deze zijn vastgesteld op het bedrag van € 196.145,99? Zo nee, op welk ander bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?
Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
9.12.
Aanleiding wordt gezien te bepalen dat [appellante] wordt belast met betaling van het voorschot op de deskundigenkosten. Dat voorschot bedraagt € 6.957,50 inclusief btw in totaal. Partijen dienen zorg te dragen voor verzending van het dossier naar de deskundige.
9.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
10De uitspraak
Het hof:
10.1.
bepaalt dat door
de heer H.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.315.891/01
arrest van 3 september 2024
in de zaak van
[de V.O.F.]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante],
advocaat: mr. G.S. de Haas, gemeente Geertruidenberg,
tegen
[de B.V.],
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.M.M. Kroon te Veenendaal,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 april 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/278940 / HA ZA 20-308 gewezen vonnis van 20 april 2022.
8Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 30 april 2024;
de aktes na tussenarrest van [appellante] en [geïntimeerde] van 28 mei 2024;
het H2-formulier van 12 juni 2024 waarbij mr. Leliveld zich onttrekt als advocaat van [appellante];
het H2-formulier van 13 juni 2024 waarbij mr. De Haas zich stelt als advocaat van [appellante].
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
Beoordeling
9.1
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof beslist dat het hof voornemens is een deskundige te benoemen.
De te benoemen deskundige
9.2.
Partijen zijn het eens over de persoon van de deskundige en stellen voor Hans Jacobs van [bedrijf], een dochteronderneming van ABAB Accountants en Adviseurs, te benoemen. Deze deskundige heeft zich bereid verklaard de benoeming te aanvaarden. Het hof zal hem dan ook als deskundige benoemen.
De te stellen vragen aan de deskundige
9.3.
[appellante] is het eens met de te stellen vragen aan de deskundige. [geïntimeerde] stelt voor dat nog drie aanvullende vragen aan de deskundige worden gesteld. [appellante] maakt hiertegen bezwaar.
9.4.
[geïntimeerde] stelt als eerste voor de volgende vraag toe te voegen: “Welke informatie heeft [appellante], al dan niet op verzoek van [geïntimeerde], aangeleverd?”. [geïntimeerde] voert daartoe aan dat de ondernemer niet achterover mag leunen en dat informatie die door [appellante] is aangeleverd niet door [geïntimeerde] op hoeft te worden gevraagd. Daarbij is van belang dat mogelijk is dat [geïntimeerde] wel informatie heeft opgevraagd, maar dat [appellante] deze niet heeft aangeleverd.
9.5.
Het hof zal deze vraag niet overnemen. Wat ter beoordeling voorligt is of [geïntimeerde] op grond van de overeenkomst van opdracht haar werkzaamheden heeft verricht met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend agrarisch bedrijfsadviseur in gelijke omstandigheden mag worden verwacht (rov. 6.7-6.8 in het tussenarrest van 30 april 2024). De deskundige dient de vragen te beantwoorden tegen de door het hof in het tussenarrest van 30 april 2024 vastgestelde feiten (rov. 6.1.1-6.1.19 in het tussenarrest van 30 april 2024), terwijl in vraag a) al is vermeld dat het gaat om de beschikbare informatie. Dat [geïntimeerde] informatie heeft opgevraagd maar dat [appellante] verzuimd heeft die aan te leveren, is een nieuwe stelling die [geïntimeerde] niet eerder heeft ingenomen. Die nieuwe stelling is tardief en vormt daarom geen argument om deze vraag toe te voegen.
9.6.
[geïntimeerde] stelt vervolgens dat aan vraag c) de volgende vraag moet worden toegevoegd: “Hoe verhoudt zich de beoordeling van de afzonderlijke selectiecriteria door gedeputeerde staten tussen de aanvraag van [appellante] en de overige subsidieaanvragers, die tijdens dezelfde openstellingsperiode POP3-subsidie hebben aangevraagd over Fysieke investeringen duurzame innovaties (2018)?”. [geïntimeerde] voert aan dat indien zou blijken dat [geïntimeerde] tekort zou zijn geschoten de deskundige ook alle andere subsidieaanvragen uit dezelfde openstellingsronde moet beoordelen om te bezien of de andere aanvragen wel volledig waren.
9.7.
Het hof ziet geen aanleiding om deze vraag over te nemen. [geïntimeerde] laat na uit te leggen hoe de deskundige dit onderzoek zou kunnen verrichten, terwijl informatie over de andere aanvragen in het dossier ontbreekt. Los daarvan is het hof van oordeel dat beantwoording van deze vraag niet relevant is voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] tekort is geschoten als opdrachtnemer (vgl. rov. 6.7-6.8 in het tussenarrest van 30 april 2024).
9.8.
Ten slotte voert [geïntimeerde] aan dat de deskundige ook de volgende vraag zou moeten beantwoorden: “Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, op welk bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?”. [geïntimeerde] voert aan dat de schade niet per se bestaat uit de niet-verleende subsidie omdat die uitgaat van offertes en stelposten. De schade bestaat volgens [geïntimeerde] uit het bedrag waarop de subsidie zou zijn vastgesteld.
9.10.
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] heeft aangevoerd (conclusie van antwoord nr. 3.21) dat, zo al schade is geleden, het om de feitelijk misgelopen subsidie moet gaan. In zoverre is het bezwaar van [appellante] dat dit niet eerder als verweer door [geïntimeerde] is gevoerd ongegrond. [appellante] heeft de subsidiabele kosten voor de realisatie van het project beregening begroot op in totaal € 490.362,74 (rov. 6.1.6 in het tussenarrest 30 april 2024). [appellante] heeft voorts gesteld dat [appellante] het project heeft gerealiseerd conform haar subsidieaanvraag. De hoogte van de schade ter zake van gemiste subsidie ten aanzien van het project Beregening bedraagt
€ 196.145,09, aldus [appellante] (rov. 6.12 in het tussenarrest van 30 april 2024). Het hof begrijpt dat [appellante] zich hierbij baseert op hetgeen volgt uit het advies van de Provinciale Adviescommissie (productie B6 bij memorie van grieven) en uit de rangschikkingslijst (productie B12 bij memorie van grieven). Uit deze stukken blijkt dat de aangevraagde subsidie € 196.145,09 bedraagt. Het hof ziet daarom aanleiding de vraag te herformuleren als volgt: “Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, zou deze zijn vastgesteld op het bedrag van € 196.145,99? Zo nee, op welk ander bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?”.
9.11.
Het voorgaande leidt er toe dat aan de deskundige de volgende vragen worden gesteld:
Heeft [geïntimeerde], in de persoon van [persoon 1], ten aanzien van de subsidieaanvraag 2018 de beschikbare informatie op een juiste en deskundige wijze verwoord in de subsidieaanvraag 2018 en het bijbehorende projectplan? Is gebruikelijk en/of noodzakelijk dat voorafgaand aan het indienen van de subsidieaanvraag door een opdrachtnemer aan het POP3-handboek wordt getoetst?
Heeft [geïntimeerde], in de persoon van [persoon 1], voldoende relevante informatie opgevraagd en/of aangeleverd bij en uitgewerkt in de subsidieaanvraag 2018 en het projectplan? Bij de beantwoording van de vraag dient ook hetgeen GS hebben overwogen in de beslissing op bezwaar (zie rov. 6.1.11 in het tussenarrest van 30 april 2024) met betrekking tot de tendersystematiek en de bezwaargrond ‘Effectiviteit van de activiteit’ te worden betrokken.
Indien het antwoord op vraag a) en/of b) ontkennend is, kunt u toelichten of het op juiste, deskundige en volledige wijze verwoorden van de subsidieaanvraag 2018 en het projectplan en/of de vermelding van meer/andere informatie had geleid tot een hoger aantal punten dan 20? Wat zou naar uw oordeel in dat geval het aantal punten zijn dat was toegekend?
Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, zou deze zijn vastgesteld op het bedrag van € 196.145,99? Zo nee, op welk ander bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?
Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
9.12.
Aanleiding wordt gezien te bepalen dat [appellante] wordt belast met betaling van het voorschot op de deskundigenkosten. Dat voorschot bedraagt € 6.957,50 inclusief btw in totaal. Partijen dienen zorg te dragen voor verzending van het dossier naar de deskundige.
9.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
10De uitspraak
Het hof:
10.1.
bepaalt dat door
de heer H.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.315.891/01
arrest van 3 september 2024
in de zaak van
[de V.O.F.]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante],
advocaat: mr. G.S. de Haas, gemeente Geertruidenberg,
tegen
[de B.V.],
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.M.M. Kroon te Veenendaal,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 april 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/278940 / HA ZA 20-308 gewezen vonnis van 20 april 2022.
8Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 30 april 2024;
de aktes na tussenarrest van [appellante] en [geïntimeerde] van 28 mei 2024;
het H2-formulier van 12 juni 2024 waarbij mr. Leliveld zich onttrekt als advocaat van [appellante];
het H2-formulier van 13 juni 2024 waarbij mr. De Haas zich stelt als advocaat van [appellante].
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
Beoordeling
9.1
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof beslist dat het hof voornemens is een deskundige te benoemen.
De te benoemen deskundige
9.2.
Partijen zijn het eens over de persoon van de deskundige en stellen voor Hans Jacobs van [bedrijf], een dochteronderneming van ABAB Accountants en Adviseurs, te benoemen. Deze deskundige heeft zich bereid verklaard de benoeming te aanvaarden. Het hof zal hem dan ook als deskundige benoemen.
De te stellen vragen aan de deskundige
9.3.
[appellante] is het eens met de te stellen vragen aan de deskundige. [geïntimeerde] stelt voor dat nog drie aanvullende vragen aan de deskundige worden gesteld. [appellante] maakt hiertegen bezwaar.
9.4.
[geïntimeerde] stelt als eerste voor de volgende vraag toe te voegen: “Welke informatie heeft [appellante], al dan niet op verzoek van [geïntimeerde], aangeleverd?”. [geïntimeerde] voert daartoe aan dat de ondernemer niet achterover mag leunen en dat informatie die door [appellante] is aangeleverd niet door [geïntimeerde] op hoeft te worden gevraagd. Daarbij is van belang dat mogelijk is dat [geïntimeerde] wel informatie heeft opgevraagd, maar dat [appellante] deze niet heeft aangeleverd.
9.5.
Het hof zal deze vraag niet overnemen. Wat ter beoordeling voorligt is of [geïntimeerde] op grond van de overeenkomst van opdracht haar werkzaamheden heeft verricht met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend agrarisch bedrijfsadviseur in gelijke omstandigheden mag worden verwacht (rov. 6.7-6.8 in het tussenarrest van 30 april 2024). De deskundige dient de vragen te beantwoorden tegen de door het hof in het tussenarrest van 30 april 2024 vastgestelde feiten (rov. 6.1.1-6.1.19 in het tussenarrest van 30 april 2024), terwijl in vraag a) al is vermeld dat het gaat om de beschikbare informatie. Dat [geïntimeerde] informatie heeft opgevraagd maar dat [appellante] verzuimd heeft die aan te leveren, is een nieuwe stelling die [geïntimeerde] niet eerder heeft ingenomen. Die nieuwe stelling is tardief en vormt daarom geen argument om deze vraag toe te voegen.
9.6.
[geïntimeerde] stelt vervolgens dat aan vraag c) de volgende vraag moet worden toegevoegd: “Hoe verhoudt zich de beoordeling van de afzonderlijke selectiecriteria door gedeputeerde staten tussen de aanvraag van [appellante] en de overige subsidieaanvragers, die tijdens dezelfde openstellingsperiode POP3-subsidie hebben aangevraagd over Fysieke investeringen duurzame innovaties (2018)?”. [geïntimeerde] voert aan dat indien zou blijken dat [geïntimeerde] tekort zou zijn geschoten de deskundige ook alle andere subsidieaanvragen uit dezelfde openstellingsronde moet beoordelen om te bezien of de andere aanvragen wel volledig waren.
9.7.
Het hof ziet geen aanleiding om deze vraag over te nemen. [geïntimeerde] laat na uit te leggen hoe de deskundige dit onderzoek zou kunnen verrichten, terwijl informatie over de andere aanvragen in het dossier ontbreekt. Los daarvan is het hof van oordeel dat beantwoording van deze vraag niet relevant is voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] tekort is geschoten als opdrachtnemer (vgl. rov. 6.7-6.8 in het tussenarrest van 30 april 2024).
9.8.
Ten slotte voert [geïntimeerde] aan dat de deskundige ook de volgende vraag zou moeten beantwoorden: “Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, op welk bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?”. [geïntimeerde] voert aan dat de schade niet per se bestaat uit de niet-verleende subsidie omdat die uitgaat van offertes en stelposten. De schade bestaat volgens [geïntimeerde] uit het bedrag waarop de subsidie zou zijn vastgesteld.
9.10.
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] heeft aangevoerd (conclusie van antwoord nr. 3.21) dat, zo al schade is geleden, het om de feitelijk misgelopen subsidie moet gaan. In zoverre is het bezwaar van [appellante] dat dit niet eerder als verweer door [geïntimeerde] is gevoerd ongegrond. [appellante] heeft de subsidiabele kosten voor de realisatie van het project beregening begroot op in totaal € 490.362,74 (rov. 6.1.6 in het tussenarrest 30 april 2024). [appellante] heeft voorts gesteld dat [appellante] het project heeft gerealiseerd conform haar subsidieaanvraag. De hoogte van de schade ter zake van gemiste subsidie ten aanzien van het project Beregening bedraagt
€ 196.145,09, aldus [appellante] (rov. 6.12 in het tussenarrest van 30 april 2024). Het hof begrijpt dat [appellante] zich hierbij baseert op hetgeen volgt uit het advies van de Provinciale Adviescommissie (productie B6 bij memorie van grieven) en uit de rangschikkingslijst (productie B12 bij memorie van grieven). Uit deze stukken blijkt dat de aangevraagde subsidie € 196.145,09 bedraagt. Het hof ziet daarom aanleiding de vraag te herformuleren als volgt: “Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, zou deze zijn vastgesteld op het bedrag van € 196.145,99? Zo nee, op welk ander bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?”.
9.11.
Het voorgaande leidt er toe dat aan de deskundige de volgende vragen worden gesteld:
Heeft [geïntimeerde], in de persoon van [persoon 1], ten aanzien van de subsidieaanvraag 2018 de beschikbare informatie op een juiste en deskundige wijze verwoord in de subsidieaanvraag 2018 en het bijbehorende projectplan? Is gebruikelijk en/of noodzakelijk dat voorafgaand aan het indienen van de subsidieaanvraag door een opdrachtnemer aan het POP3-handboek wordt getoetst?
Heeft [geïntimeerde], in de persoon van [persoon 1], voldoende relevante informatie opgevraagd en/of aangeleverd bij en uitgewerkt in de subsidieaanvraag 2018 en het projectplan? Bij de beantwoording van de vraag dient ook hetgeen GS hebben overwogen in de beslissing op bezwaar (zie rov. 6.1.11 in het tussenarrest van 30 april 2024) met betrekking tot de tendersystematiek en de bezwaargrond ‘Effectiviteit van de activiteit’ te worden betrokken.
Indien het antwoord op vraag a) en/of b) ontkennend is, kunt u toelichten of het op juiste, deskundige en volledige wijze verwoorden van de subsidieaanvraag 2018 en het projectplan en/of de vermelding van meer/andere informatie had geleid tot een hoger aantal punten dan 20? Wat zou naar uw oordeel in dat geval het aantal punten zijn dat was toegekend?
Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, zou deze zijn vastgesteld op het bedrag van € 196.145,99? Zo nee, op welk ander bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?
Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
9.12.
Aanleiding wordt gezien te bepalen dat [appellante] wordt belast met betaling van het voorschot op de deskundigenkosten. Dat voorschot bedraagt € 6.957,50 inclusief btw in totaal. Partijen dienen zorg te dragen voor verzending van het dossier naar de deskundige.
9.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
10De uitspraak
Het hof:
10.1.
bepaalt dat door
de heer H.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.315.891/01
arrest van 3 september 2024
in de zaak van
[de V.O.F.]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante],
advocaat: mr. G.S. de Haas, gemeente Geertruidenberg,
tegen
[de B.V.],
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.M.M. Kroon te Veenendaal,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 april 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/278940 / HA ZA 20-308 gewezen vonnis van 20 april 2022.
8Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 30 april 2024;
de aktes na tussenarrest van [appellante] en [geïntimeerde] van 28 mei 2024;
het H2-formulier van 12 juni 2024 waarbij mr. Leliveld zich onttrekt als advocaat van [appellante];
het H2-formulier van 13 juni 2024 waarbij mr. De Haas zich stelt als advocaat van [appellante].
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
Beoordeling
9.1
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof beslist dat het hof voornemens is een deskundige te benoemen.
De te benoemen deskundige
9.2.
Partijen zijn het eens over de persoon van de deskundige en stellen voor Hans Jacobs van [bedrijf], een dochteronderneming van ABAB Accountants en Adviseurs, te benoemen. Deze deskundige heeft zich bereid verklaard de benoeming te aanvaarden. Het hof zal hem dan ook als deskundige benoemen.
De te stellen vragen aan de deskundige
9.3.
[appellante] is het eens met de te stellen vragen aan de deskundige. [geïntimeerde] stelt voor dat nog drie aanvullende vragen aan de deskundige worden gesteld. [appellante] maakt hiertegen bezwaar.
9.4.
[geïntimeerde] stelt als eerste voor de volgende vraag toe te voegen: “Welke informatie heeft [appellante], al dan niet op verzoek van [geïntimeerde], aangeleverd?”. [geïntimeerde] voert daartoe aan dat de ondernemer niet achterover mag leunen en dat informatie die door [appellante] is aangeleverd niet door [geïntimeerde] op hoeft te worden gevraagd. Daarbij is van belang dat mogelijk is dat [geïntimeerde] wel informatie heeft opgevraagd, maar dat [appellante] deze niet heeft aangeleverd.
9.5.
Het hof zal deze vraag niet overnemen. Wat ter beoordeling voorligt is of [geïntimeerde] op grond van de overeenkomst van opdracht haar werkzaamheden heeft verricht met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend agrarisch bedrijfsadviseur in gelijke omstandigheden mag worden verwacht (rov. 6.7-6.8 in het tussenarrest van 30 april 2024). De deskundige dient de vragen te beantwoorden tegen de door het hof in het tussenarrest van 30 april 2024 vastgestelde feiten (rov. 6.1.1-6.1.19 in het tussenarrest van 30 april 2024), terwijl in vraag a) al is vermeld dat het gaat om de beschikbare informatie. Dat [geïntimeerde] informatie heeft opgevraagd maar dat [appellante] verzuimd heeft die aan te leveren, is een nieuwe stelling die [geïntimeerde] niet eerder heeft ingenomen. Die nieuwe stelling is tardief en vormt daarom geen argument om deze vraag toe te voegen.
9.6.
[geïntimeerde] stelt vervolgens dat aan vraag c) de volgende vraag moet worden toegevoegd: “Hoe verhoudt zich de beoordeling van de afzonderlijke selectiecriteria door gedeputeerde staten tussen de aanvraag van [appellante] en de overige subsidieaanvragers, die tijdens dezelfde openstellingsperiode POP3-subsidie hebben aangevraagd over Fysieke investeringen duurzame innovaties (2018)?”. [geïntimeerde] voert aan dat indien zou blijken dat [geïntimeerde] tekort zou zijn geschoten de deskundige ook alle andere subsidieaanvragen uit dezelfde openstellingsronde moet beoordelen om te bezien of de andere aanvragen wel volledig waren.
9.7.
Het hof ziet geen aanleiding om deze vraag over te nemen. [geïntimeerde] laat na uit te leggen hoe de deskundige dit onderzoek zou kunnen verrichten, terwijl informatie over de andere aanvragen in het dossier ontbreekt. Los daarvan is het hof van oordeel dat beantwoording van deze vraag niet relevant is voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] tekort is geschoten als opdrachtnemer (vgl. rov. 6.7-6.8 in het tussenarrest van 30 april 2024).
9.8.
Ten slotte voert [geïntimeerde] aan dat de deskundige ook de volgende vraag zou moeten beantwoorden: “Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, op welk bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?”. [geïntimeerde] voert aan dat de schade niet per se bestaat uit de niet-verleende subsidie omdat die uitgaat van offertes en stelposten. De schade bestaat volgens [geïntimeerde] uit het bedrag waarop de subsidie zou zijn vastgesteld.
9.10.
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] heeft aangevoerd (conclusie van antwoord nr. 3.21) dat, zo al schade is geleden, het om de feitelijk misgelopen subsidie moet gaan. In zoverre is het bezwaar van [appellante] dat dit niet eerder als verweer door [geïntimeerde] is gevoerd ongegrond. [appellante] heeft de subsidiabele kosten voor de realisatie van het project beregening begroot op in totaal € 490.362,74 (rov. 6.1.6 in het tussenarrest 30 april 2024). [appellante] heeft voorts gesteld dat [appellante] het project heeft gerealiseerd conform haar subsidieaanvraag. De hoogte van de schade ter zake van gemiste subsidie ten aanzien van het project Beregening bedraagt
€ 196.145,09, aldus [appellante] (rov. 6.12 in het tussenarrest van 30 april 2024). Het hof begrijpt dat [appellante] zich hierbij baseert op hetgeen volgt uit het advies van de Provinciale Adviescommissie (productie B6 bij memorie van grieven) en uit de rangschikkingslijst (productie B12 bij memorie van grieven). Uit deze stukken blijkt dat de aangevraagde subsidie € 196.145,09 bedraagt. Het hof ziet daarom aanleiding de vraag te herformuleren als volgt: “Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, zou deze zijn vastgesteld op het bedrag van € 196.145,99? Zo nee, op welk ander bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?”.
9.11.
Het voorgaande leidt er toe dat aan de deskundige de volgende vragen worden gesteld:
Heeft [geïntimeerde], in de persoon van [persoon 1], ten aanzien van de subsidieaanvraag 2018 de beschikbare informatie op een juiste en deskundige wijze verwoord in de subsidieaanvraag 2018 en het bijbehorende projectplan? Is gebruikelijk en/of noodzakelijk dat voorafgaand aan het indienen van de subsidieaanvraag door een opdrachtnemer aan het POP3-handboek wordt getoetst?
Heeft [geïntimeerde], in de persoon van [persoon 1], voldoende relevante informatie opgevraagd en/of aangeleverd bij en uitgewerkt in de subsidieaanvraag 2018 en het projectplan? Bij de beantwoording van de vraag dient ook hetgeen GS hebben overwogen in de beslissing op bezwaar (zie rov. 6.1.11 in het tussenarrest van 30 april 2024) met betrekking tot de tendersystematiek en de bezwaargrond ‘Effectiviteit van de activiteit’ te worden betrokken.
Indien het antwoord op vraag a) en/of b) ontkennend is, kunt u toelichten of het op juiste, deskundige en volledige wijze verwoorden van de subsidieaanvraag 2018 en het projectplan en/of de vermelding van meer/andere informatie had geleid tot een hoger aantal punten dan 20? Wat zou naar uw oordeel in dat geval het aantal punten zijn dat was toegekend?
Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, zou deze zijn vastgesteld op het bedrag van € 196.145,99? Zo nee, op welk ander bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?
Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
9.12.
Aanleiding wordt gezien te bepalen dat [appellante] wordt belast met betaling van het voorschot op de deskundigenkosten. Dat voorschot bedraagt € 6.957,50 inclusief btw in totaal. Partijen dienen zorg te dragen voor verzending van het dossier naar de deskundige.
9.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
10De uitspraak
Het hof:
10.1.
bepaalt dat door
de heer H.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.315.891/01
arrest van 3 september 2024
in de zaak van
[de V.O.F.]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante],
advocaat: mr. G.S. de Haas, gemeente Geertruidenberg,
tegen
[de B.V.],
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.M.M. Kroon te Veenendaal,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 april 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/278940 / HA ZA 20-308 gewezen vonnis van 20 april 2022.
8Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 30 april 2024;
de aktes na tussenarrest van [appellante] en [geïntimeerde] van 28 mei 2024;
het H2-formulier van 12 juni 2024 waarbij mr. Leliveld zich onttrekt als advocaat van [appellante];
het H2-formulier van 13 juni 2024 waarbij mr. De Haas zich stelt als advocaat van [appellante].
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
Beoordeling
9.1
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof beslist dat het hof voornemens is een deskundige te benoemen.
De te benoemen deskundige
9.2.
Partijen zijn het eens over de persoon van de deskundige en stellen voor Hans Jacobs van [bedrijf], een dochteronderneming van ABAB Accountants en Adviseurs, te benoemen. Deze deskundige heeft zich bereid verklaard de benoeming te aanvaarden. Het hof zal hem dan ook als deskundige benoemen.
De te stellen vragen aan de deskundige
9.3.
[appellante] is het eens met de te stellen vragen aan de deskundige. [geïntimeerde] stelt voor dat nog drie aanvullende vragen aan de deskundige worden gesteld. [appellante] maakt hiertegen bezwaar.
9.4.
[geïntimeerde] stelt als eerste voor de volgende vraag toe te voegen: “Welke informatie heeft [appellante], al dan niet op verzoek van [geïntimeerde], aangeleverd?”. [geïntimeerde] voert daartoe aan dat de ondernemer niet achterover mag leunen en dat informatie die door [appellante] is aangeleverd niet door [geïntimeerde] op hoeft te worden gevraagd. Daarbij is van belang dat mogelijk is dat [geïntimeerde] wel informatie heeft opgevraagd, maar dat [appellante] deze niet heeft aangeleverd.
9.5.
Het hof zal deze vraag niet overnemen. Wat ter beoordeling voorligt is of [geïntimeerde] op grond van de overeenkomst van opdracht haar werkzaamheden heeft verricht met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend agrarisch bedrijfsadviseur in gelijke omstandigheden mag worden verwacht (rov. 6.7-6.8 in het tussenarrest van 30 april 2024). De deskundige dient de vragen te beantwoorden tegen de door het hof in het tussenarrest van 30 april 2024 vastgestelde feiten (rov. 6.1.1-6.1.19 in het tussenarrest van 30 april 2024), terwijl in vraag a) al is vermeld dat het gaat om de beschikbare informatie. Dat [geïntimeerde] informatie heeft opgevraagd maar dat [appellante] verzuimd heeft die aan te leveren, is een nieuwe stelling die [geïntimeerde] niet eerder heeft ingenomen. Die nieuwe stelling is tardief en vormt daarom geen argument om deze vraag toe te voegen.
9.6.
[geïntimeerde] stelt vervolgens dat aan vraag c) de volgende vraag moet worden toegevoegd: “Hoe verhoudt zich de beoordeling van de afzonderlijke selectiecriteria door gedeputeerde staten tussen de aanvraag van [appellante] en de overige subsidieaanvragers, die tijdens dezelfde openstellingsperiode POP3-subsidie hebben aangevraagd over Fysieke investeringen duurzame innovaties (2018)?”. [geïntimeerde] voert aan dat indien zou blijken dat [geïntimeerde] tekort zou zijn geschoten de deskundige ook alle andere subsidieaanvragen uit dezelfde openstellingsronde moet beoordelen om te bezien of de andere aanvragen wel volledig waren.
9.7.
Het hof ziet geen aanleiding om deze vraag over te nemen. [geïntimeerde] laat na uit te leggen hoe de deskundige dit onderzoek zou kunnen verrichten, terwijl informatie over de andere aanvragen in het dossier ontbreekt. Los daarvan is het hof van oordeel dat beantwoording van deze vraag niet relevant is voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] tekort is geschoten als opdrachtnemer (vgl. rov. 6.7-6.8 in het tussenarrest van 30 april 2024).
9.8.
Ten slotte voert [geïntimeerde] aan dat de deskundige ook de volgende vraag zou moeten beantwoorden: “Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, op welk bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?”. [geïntimeerde] voert aan dat de schade niet per se bestaat uit de niet-verleende subsidie omdat die uitgaat van offertes en stelposten. De schade bestaat volgens [geïntimeerde] uit het bedrag waarop de subsidie zou zijn vastgesteld.
9.10.
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] heeft aangevoerd (conclusie van antwoord nr. 3.21) dat, zo al schade is geleden, het om de feitelijk misgelopen subsidie moet gaan. In zoverre is het bezwaar van [appellante] dat dit niet eerder als verweer door [geïntimeerde] is gevoerd ongegrond. [appellante] heeft de subsidiabele kosten voor de realisatie van het project beregening begroot op in totaal € 490.362,74 (rov. 6.1.6 in het tussenarrest 30 april 2024). [appellante] heeft voorts gesteld dat [appellante] het project heeft gerealiseerd conform haar subsidieaanvraag. De hoogte van de schade ter zake van gemiste subsidie ten aanzien van het project Beregening bedraagt
€ 196.145,09, aldus [appellante] (rov. 6.12 in het tussenarrest van 30 april 2024). Het hof begrijpt dat [appellante] zich hierbij baseert op hetgeen volgt uit het advies van de Provinciale Adviescommissie (productie B6 bij memorie van grieven) en uit de rangschikkingslijst (productie B12 bij memorie van grieven). Uit deze stukken blijkt dat de aangevraagde subsidie € 196.145,09 bedraagt. Het hof ziet daarom aanleiding de vraag te herformuleren als volgt: “Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, zou deze zijn vastgesteld op het bedrag van € 196.145,99? Zo nee, op welk ander bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?”.
9.11.
Het voorgaande leidt er toe dat aan de deskundige de volgende vragen worden gesteld:
Heeft [geïntimeerde], in de persoon van [persoon 1], ten aanzien van de subsidieaanvraag 2018 de beschikbare informatie op een juiste en deskundige wijze verwoord in de subsidieaanvraag 2018 en het bijbehorende projectplan? Is gebruikelijk en/of noodzakelijk dat voorafgaand aan het indienen van de subsidieaanvraag door een opdrachtnemer aan het POP3-handboek wordt getoetst?
Heeft [geïntimeerde], in de persoon van [persoon 1], voldoende relevante informatie opgevraagd en/of aangeleverd bij en uitgewerkt in de subsidieaanvraag 2018 en het projectplan? Bij de beantwoording van de vraag dient ook hetgeen GS hebben overwogen in de beslissing op bezwaar (zie rov. 6.1.11 in het tussenarrest van 30 april 2024) met betrekking tot de tendersystematiek en de bezwaargrond ‘Effectiviteit van de activiteit’ te worden betrokken.
Indien het antwoord op vraag a) en/of b) ontkennend is, kunt u toelichten of het op juiste, deskundige en volledige wijze verwoorden van de subsidieaanvraag 2018 en het projectplan en/of de vermelding van meer/andere informatie had geleid tot een hoger aantal punten dan 20? Wat zou naar uw oordeel in dat geval het aantal punten zijn dat was toegekend?
Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, zou deze zijn vastgesteld op het bedrag van € 196.145,99? Zo nee, op welk ander bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?
Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
9.12.
Aanleiding wordt gezien te bepalen dat [appellante] wordt belast met betaling van het voorschot op de deskundigenkosten. Dat voorschot bedraagt € 6.957,50 inclusief btw in totaal. Partijen dienen zorg te dragen voor verzending van het dossier naar de deskundige.
9.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
10De uitspraak
Het hof:
10.1.
bepaalt dat door
de heer H.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.315.891/01
arrest van 3 september 2024
in de zaak van
[de V.O.F.]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
hierna aan te duiden als [appellante],
advocaat: mr. G.S. de Haas, gemeente Geertruidenberg,
tegen
[de B.V.],
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.M.M. Kroon te Veenendaal,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 april 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/278940 / HA ZA 20-308 gewezen vonnis van 20 april 2022.
8Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 30 april 2024;
de aktes na tussenarrest van [appellante] en [geïntimeerde] van 28 mei 2024;
het H2-formulier van 12 juni 2024 waarbij mr. Leliveld zich onttrekt als advocaat van [appellante];
het H2-formulier van 13 juni 2024 waarbij mr. De Haas zich stelt als advocaat van [appellante].
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
Beoordeling
9.1
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof beslist dat het hof voornemens is een deskundige te benoemen.
De te benoemen deskundige
9.2.
Partijen zijn het eens over de persoon van de deskundige en stellen voor Hans Jacobs van [bedrijf], een dochteronderneming van ABAB Accountants en Adviseurs, te benoemen. Deze deskundige heeft zich bereid verklaard de benoeming te aanvaarden. Het hof zal hem dan ook als deskundige benoemen.
De te stellen vragen aan de deskundige
9.3.
[appellante] is het eens met de te stellen vragen aan de deskundige. [geïntimeerde] stelt voor dat nog drie aanvullende vragen aan de deskundige worden gesteld. [appellante] maakt hiertegen bezwaar.
9.4.
[geïntimeerde] stelt als eerste voor de volgende vraag toe te voegen: “Welke informatie heeft [appellante], al dan niet op verzoek van [geïntimeerde], aangeleverd?”. [geïntimeerde] voert daartoe aan dat de ondernemer niet achterover mag leunen en dat informatie die door [appellante] is aangeleverd niet door [geïntimeerde] op hoeft te worden gevraagd. Daarbij is van belang dat mogelijk is dat [geïntimeerde] wel informatie heeft opgevraagd, maar dat [appellante] deze niet heeft aangeleverd.
9.5.
Het hof zal deze vraag niet overnemen. Wat ter beoordeling voorligt is of [geïntimeerde] op grond van de overeenkomst van opdracht haar werkzaamheden heeft verricht met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend agrarisch bedrijfsadviseur in gelijke omstandigheden mag worden verwacht (rov. 6.7-6.8 in het tussenarrest van 30 april 2024). De deskundige dient de vragen te beantwoorden tegen de door het hof in het tussenarrest van 30 april 2024 vastgestelde feiten (rov. 6.1.1-6.1.19 in het tussenarrest van 30 april 2024), terwijl in vraag a) al is vermeld dat het gaat om de beschikbare informatie. Dat [geïntimeerde] informatie heeft opgevraagd maar dat [appellante] verzuimd heeft die aan te leveren, is een nieuwe stelling die [geïntimeerde] niet eerder heeft ingenomen. Die nieuwe stelling is tardief en vormt daarom geen argument om deze vraag toe te voegen.
9.6.
[geïntimeerde] stelt vervolgens dat aan vraag c) de volgende vraag moet worden toegevoegd: “Hoe verhoudt zich de beoordeling van de afzonderlijke selectiecriteria door gedeputeerde staten tussen de aanvraag van [appellante] en de overige subsidieaanvragers, die tijdens dezelfde openstellingsperiode POP3-subsidie hebben aangevraagd over Fysieke investeringen duurzame innovaties (2018)?”. [geïntimeerde] voert aan dat indien zou blijken dat [geïntimeerde] tekort zou zijn geschoten de deskundige ook alle andere subsidieaanvragen uit dezelfde openstellingsronde moet beoordelen om te bezien of de andere aanvragen wel volledig waren.
9.7.
Het hof ziet geen aanleiding om deze vraag over te nemen. [geïntimeerde] laat na uit te leggen hoe de deskundige dit onderzoek zou kunnen verrichten, terwijl informatie over de andere aanvragen in het dossier ontbreekt. Los daarvan is het hof van oordeel dat beantwoording van deze vraag niet relevant is voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] tekort is geschoten als opdrachtnemer (vgl. rov. 6.7-6.8 in het tussenarrest van 30 april 2024).
9.8.
Ten slotte voert [geïntimeerde] aan dat de deskundige ook de volgende vraag zou moeten beantwoorden: “Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, op welk bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?”. [geïntimeerde] voert aan dat de schade niet per se bestaat uit de niet-verleende subsidie omdat die uitgaat van offertes en stelposten. De schade bestaat volgens [geïntimeerde] uit het bedrag waarop de subsidie zou zijn vastgesteld.
9.10.
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] heeft aangevoerd (conclusie van antwoord nr. 3.21) dat, zo al schade is geleden, het om de feitelijk misgelopen subsidie moet gaan. In zoverre is het bezwaar van [appellante] dat dit niet eerder als verweer door [geïntimeerde] is gevoerd ongegrond. [appellante] heeft de subsidiabele kosten voor de realisatie van het project beregening begroot op in totaal € 490.362,74 (rov. 6.1.6 in het tussenarrest 30 april 2024). [appellante] heeft voorts gesteld dat [appellante] het project heeft gerealiseerd conform haar subsidieaanvraag. De hoogte van de schade ter zake van gemiste subsidie ten aanzien van het project Beregening bedraagt
€ 196.145,09, aldus [appellante] (rov. 6.12 in het tussenarrest van 30 april 2024). Het hof begrijpt dat [appellante] zich hierbij baseert op hetgeen volgt uit het advies van de Provinciale Adviescommissie (productie B6 bij memorie van grieven) en uit de rangschikkingslijst (productie B12 bij memorie van grieven). Uit deze stukken blijkt dat de aangevraagde subsidie € 196.145,09 bedraagt. Het hof ziet daarom aanleiding de vraag te herformuleren als volgt: “Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, zou deze zijn vastgesteld op het bedrag van € 196.145,99? Zo nee, op welk ander bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?”.
9.11.
Het voorgaande leidt er toe dat aan de deskundige de volgende vragen worden gesteld:
Heeft [geïntimeerde], in de persoon van [persoon 1], ten aanzien van de subsidieaanvraag 2018 de beschikbare informatie op een juiste en deskundige wijze verwoord in de subsidieaanvraag 2018 en het bijbehorende projectplan? Is gebruikelijk en/of noodzakelijk dat voorafgaand aan het indienen van de subsidieaanvraag door een opdrachtnemer aan het POP3-handboek wordt getoetst?
Heeft [geïntimeerde], in de persoon van [persoon 1], voldoende relevante informatie opgevraagd en/of aangeleverd bij en uitgewerkt in de subsidieaanvraag 2018 en het projectplan? Bij de beantwoording van de vraag dient ook hetgeen GS hebben overwogen in de beslissing op bezwaar (zie rov. 6.1.11 in het tussenarrest van 30 april 2024) met betrekking tot de tendersystematiek en de bezwaargrond ‘Effectiviteit van de activiteit’ te worden betrokken.
Indien het antwoord op vraag a) en/of b) ontkennend is, kunt u toelichten of het op juiste, deskundige en volledige wijze verwoorden van de subsidieaanvraag 2018 en het projectplan en/of de vermelding van meer/andere informatie had geleid tot een hoger aantal punten dan 20? Wat zou naar uw oordeel in dat geval het aantal punten zijn dat was toegekend?
Indien aan [appellante] de subsidie zou zijn verleend, zou deze zijn vastgesteld op het bedrag van € 196.145,99? Zo nee, op welk ander bedrag zou deze dan zijn vastgesteld?
Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
9.12.
Aanleiding wordt gezien te bepalen dat [appellante] wordt belast met betaling van het voorschot op de deskundigenkosten. Dat voorschot bedraagt € 6.957,50 inclusief btw in totaal. Partijen dienen zorg te dragen voor verzending van het dossier naar de deskundige.
9.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
10De uitspraak
Het hof:
10.1.
bepaalt dat door
de heer H.