Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-07-15
ECLI:NL:GHSHE:2024:2768
Strafrecht
Hoger beroep
18,174 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001792-22
Uitspraak : 15 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 augustus 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-215115-21 en 01-119919-22, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-250168-19, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van mishandeling (zaak met parketnummer 01-215115-21), eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (zaak met parketnummer 01-119919-22, onder 1) en wederspannigheid (zaak met parketnummer 01-119919-22, onder 2) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete ter hoogte van
€ 450,-, subsidiair 9 dagen hechtenis, te voldoen in 10 termijnen van elk € 45,- per maand. Voorts heeft de politierechter ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-250168-19 gelast dat de voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, geheel ten uitvoer zal worden gelegd
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter integraal – met inbegrip van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging – zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair ten aanzien van het onder parketnummer
01-215115-21 tenlastegelegde vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de kwalificatie van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straf.
Gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Bewijsmiddelen
Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken, aanvullen en waar nodig verbeteren in een aanvulling op het verkorte arrest, welke aanvulling dan aan dit verkorte arrest wordt gehecht. De politierechter heeft immers in het beroepen vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte de drie bewezenverklaarde niet (allemaal) heeft bekend en gedeeltelijk vrijspraak is bepleit.
Bewijsoverwegingen
In verband met het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vervangt het hof de bewijsoverweging van de politierechter door de hiernavolgende bewijsoverwegingen.
De raadsvrouw heeft ter zake van de mishandeling (zaak met parketnummer 01-215115-21) vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op grond van het bewijsmateriaal niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die aangeefster heeft geslagen.
Het hof stelt vast dat de aangeefster mw. [aangever] heeft verklaard dat het de verdachte is geweest die haar in het gezicht heeft geslagen. Die verklaring vindt steun in de verklaringen van de ooggetuigen mw. [getuige 1] en [getuige 2] , overigens niet alleen wat betreft het daderschap van de verdachte, maar ook op andere punten die contextueel verband houden met de mishandeling. Het feit dat de verklaring van de aangeefster op een aantal andere, naar het oordeel van het hof ondergeschikte, punten wordt weersproken door de camerabeelden van het betreffende incident – waarop wel te zien is dat aangeefster in het gezicht wordt geslagen, maar niet door wie – is voor het hof onvoldoende grond om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van aangeefster en de twee getuigen. Het hof merkt daarbij op dat de camerabeelden in ieder geval niet het daderschap van de verdachte uitsluiten. Hetgeen overigens ten verweer is aangevoerd heeft het hof evenmin tot redelijke twijfel gebracht omtrent het daderschap van de verdachte. Het hof acht daarom de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, in de zaak met parketnummer 01-119919-22, bewezenverklaarde feit wordt als volgt gekwalificeerd:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer in haar gezicht te slaan. Door zo te handelen heeft zij een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat een dergelijk feit niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt, maar ook bij degenen die er ongewild getuige van zijn. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van twee verbalisanten en aan wederspannigheid. De verdachte heeft daarmee laten zien geen respect te hebben voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. Zij moeten ongehinderd en verstoken van gedrag als dat van de verdachte hun werk kunnen doen. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof eveneens gelet op de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 april 2024, waaruit blijkt dat zij eerder voor soortgelijk feiten, te weten mishandelingen, onherroepelijk is veroordeeld. De verdachte liep nog in een proeftijd van die eerdere veroordelingen, waar overigens de hierna nog te bespreken vordering tot tenuitvoerlegging op ziet, maar die voorwaardelijke straf heeft haar kennelijk niet ervan weerhouden opnieuw een mishandeling te plegen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in het licht van voormelde feiten en omstandigheden niet worden volstaan met de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straffen, omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van
€ 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 januari 2020 onder parketnummer 01-250168-19. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, dient te worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht.
Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 januari 2020, met parketnummer 01-250168-19, te weten een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier,
en op 15 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.P.J. Scheele en mr. dr. M.J.M.A. Van der Put zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001792-22
Uitspraak : 15 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 augustus 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-215115-21 en 01-119919-22, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-250168-19, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van mishandeling (zaak met parketnummer 01-215115-21), eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (zaak met parketnummer 01-119919-22, onder 1) en wederspannigheid (zaak met parketnummer 01-119919-22, onder 2) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete ter hoogte van
€ 450,-, subsidiair 9 dagen hechtenis, te voldoen in 10 termijnen van elk € 45,- per maand. Voorts heeft de politierechter ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-250168-19 gelast dat de voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, geheel ten uitvoer zal worden gelegd
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter integraal – met inbegrip van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging – zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair ten aanzien van het onder parketnummer
01-215115-21 tenlastegelegde vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de kwalificatie van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straf.
Gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Bewijsmiddelen
Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken, aanvullen en waar nodig verbeteren in een aanvulling op het verkorte arrest, welke aanvulling dan aan dit verkorte arrest wordt gehecht. De politierechter heeft immers in het beroepen vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte de drie bewezenverklaarde niet (allemaal) heeft bekend en gedeeltelijk vrijspraak is bepleit.
Bewijsoverwegingen
In verband met het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vervangt het hof de bewijsoverweging van de politierechter door de hiernavolgende bewijsoverwegingen.
De raadsvrouw heeft ter zake van de mishandeling (zaak met parketnummer 01-215115-21) vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op grond van het bewijsmateriaal niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die aangeefster heeft geslagen.
Het hof stelt vast dat de aangeefster mw. [aangever] heeft verklaard dat het de verdachte is geweest die haar in het gezicht heeft geslagen. Die verklaring vindt steun in de verklaringen van de ooggetuigen mw. [getuige 1] en [getuige 2] , overigens niet alleen wat betreft het daderschap van de verdachte, maar ook op andere punten die contextueel verband houden met de mishandeling. Het feit dat de verklaring van de aangeefster op een aantal andere, naar het oordeel van het hof ondergeschikte, punten wordt weersproken door de camerabeelden van het betreffende incident – waarop wel te zien is dat aangeefster in het gezicht wordt geslagen, maar niet door wie – is voor het hof onvoldoende grond om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van aangeefster en de twee getuigen. Het hof merkt daarbij op dat de camerabeelden in ieder geval niet het daderschap van de verdachte uitsluiten. Hetgeen overigens ten verweer is aangevoerd heeft het hof evenmin tot redelijke twijfel gebracht omtrent het daderschap van de verdachte. Het hof acht daarom de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, in de zaak met parketnummer 01-119919-22, bewezenverklaarde feit wordt als volgt gekwalificeerd:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer in haar gezicht te slaan. Door zo te handelen heeft zij een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat een dergelijk feit niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt, maar ook bij degenen die er ongewild getuige van zijn. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van twee verbalisanten en aan wederspannigheid. De verdachte heeft daarmee laten zien geen respect te hebben voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. Zij moeten ongehinderd en verstoken van gedrag als dat van de verdachte hun werk kunnen doen. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof eveneens gelet op de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 april 2024, waaruit blijkt dat zij eerder voor soortgelijk feiten, te weten mishandelingen, onherroepelijk is veroordeeld. De verdachte liep nog in een proeftijd van die eerdere veroordelingen, waar overigens de hierna nog te bespreken vordering tot tenuitvoerlegging op ziet, maar die voorwaardelijke straf heeft haar kennelijk niet ervan weerhouden opnieuw een mishandeling te plegen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in het licht van voormelde feiten en omstandigheden niet worden volstaan met de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straffen, omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van
€ 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 januari 2020 onder parketnummer 01-250168-19. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, dient te worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht.
Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 januari 2020, met parketnummer 01-250168-19, te weten een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier,
en op 15 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.P.J. Scheele en mr. dr. M.J.M.A. Van der Put zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001792-22
Uitspraak : 15 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 augustus 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-215115-21 en 01-119919-22, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-250168-19, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van mishandeling (zaak met parketnummer 01-215115-21), eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (zaak met parketnummer 01-119919-22, onder 1) en wederspannigheid (zaak met parketnummer 01-119919-22, onder 2) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete ter hoogte van
€ 450,-, subsidiair 9 dagen hechtenis, te voldoen in 10 termijnen van elk € 45,- per maand. Voorts heeft de politierechter ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-250168-19 gelast dat de voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, geheel ten uitvoer zal worden gelegd
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter integraal – met inbegrip van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging – zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair ten aanzien van het onder parketnummer
01-215115-21 tenlastegelegde vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de kwalificatie van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straf.
Gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Bewijsmiddelen
Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken, aanvullen en waar nodig verbeteren in een aanvulling op het verkorte arrest, welke aanvulling dan aan dit verkorte arrest wordt gehecht. De politierechter heeft immers in het beroepen vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte de drie bewezenverklaarde niet (allemaal) heeft bekend en gedeeltelijk vrijspraak is bepleit.
Bewijsoverwegingen
In verband met het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vervangt het hof de bewijsoverweging van de politierechter door de hiernavolgende bewijsoverwegingen.
De raadsvrouw heeft ter zake van de mishandeling (zaak met parketnummer 01-215115-21) vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op grond van het bewijsmateriaal niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die aangeefster heeft geslagen.
Het hof stelt vast dat de aangeefster mw. [aangever] heeft verklaard dat het de verdachte is geweest die haar in het gezicht heeft geslagen. Die verklaring vindt steun in de verklaringen van de ooggetuigen mw. [getuige 1] en [getuige 2] , overigens niet alleen wat betreft het daderschap van de verdachte, maar ook op andere punten die contextueel verband houden met de mishandeling. Het feit dat de verklaring van de aangeefster op een aantal andere, naar het oordeel van het hof ondergeschikte, punten wordt weersproken door de camerabeelden van het betreffende incident – waarop wel te zien is dat aangeefster in het gezicht wordt geslagen, maar niet door wie – is voor het hof onvoldoende grond om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van aangeefster en de twee getuigen. Het hof merkt daarbij op dat de camerabeelden in ieder geval niet het daderschap van de verdachte uitsluiten. Hetgeen overigens ten verweer is aangevoerd heeft het hof evenmin tot redelijke twijfel gebracht omtrent het daderschap van de verdachte. Het hof acht daarom de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, in de zaak met parketnummer 01-119919-22, bewezenverklaarde feit wordt als volgt gekwalificeerd:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer in haar gezicht te slaan. Door zo te handelen heeft zij een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat een dergelijk feit niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt, maar ook bij degenen die er ongewild getuige van zijn. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van twee verbalisanten en aan wederspannigheid. De verdachte heeft daarmee laten zien geen respect te hebben voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. Zij moeten ongehinderd en verstoken van gedrag als dat van de verdachte hun werk kunnen doen. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof eveneens gelet op de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 april 2024, waaruit blijkt dat zij eerder voor soortgelijk feiten, te weten mishandelingen, onherroepelijk is veroordeeld. De verdachte liep nog in een proeftijd van die eerdere veroordelingen, waar overigens de hierna nog te bespreken vordering tot tenuitvoerlegging op ziet, maar die voorwaardelijke straf heeft haar kennelijk niet ervan weerhouden opnieuw een mishandeling te plegen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in het licht van voormelde feiten en omstandigheden niet worden volstaan met de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straffen, omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van
€ 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 januari 2020 onder parketnummer 01-250168-19. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, dient te worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht.
Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 januari 2020, met parketnummer 01-250168-19, te weten een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier,
en op 15 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.P.J. Scheele en mr. dr. M.J.M.A. Van der Put zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001792-22
Uitspraak : 15 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 augustus 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-215115-21 en 01-119919-22, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-250168-19, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van mishandeling (zaak met parketnummer 01-215115-21), eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (zaak met parketnummer 01-119919-22, onder 1) en wederspannigheid (zaak met parketnummer 01-119919-22, onder 2) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete ter hoogte van
€ 450,-, subsidiair 9 dagen hechtenis, te voldoen in 10 termijnen van elk € 45,- per maand. Voorts heeft de politierechter ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-250168-19 gelast dat de voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, geheel ten uitvoer zal worden gelegd
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter integraal – met inbegrip van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging – zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair ten aanzien van het onder parketnummer
01-215115-21 tenlastegelegde vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de kwalificatie van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straf.
Gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Bewijsmiddelen
Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken, aanvullen en waar nodig verbeteren in een aanvulling op het verkorte arrest, welke aanvulling dan aan dit verkorte arrest wordt gehecht. De politierechter heeft immers in het beroepen vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte de drie bewezenverklaarde niet (allemaal) heeft bekend en gedeeltelijk vrijspraak is bepleit.
Bewijsoverwegingen
In verband met het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vervangt het hof de bewijsoverweging van de politierechter door de hiernavolgende bewijsoverwegingen.
De raadsvrouw heeft ter zake van de mishandeling (zaak met parketnummer 01-215115-21) vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op grond van het bewijsmateriaal niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die aangeefster heeft geslagen.
Het hof stelt vast dat de aangeefster mw. [aangever] heeft verklaard dat het de verdachte is geweest die haar in het gezicht heeft geslagen. Die verklaring vindt steun in de verklaringen van de ooggetuigen mw. [getuige 1] en [getuige 2] , overigens niet alleen wat betreft het daderschap van de verdachte, maar ook op andere punten die contextueel verband houden met de mishandeling. Het feit dat de verklaring van de aangeefster op een aantal andere, naar het oordeel van het hof ondergeschikte, punten wordt weersproken door de camerabeelden van het betreffende incident – waarop wel te zien is dat aangeefster in het gezicht wordt geslagen, maar niet door wie – is voor het hof onvoldoende grond om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van aangeefster en de twee getuigen. Het hof merkt daarbij op dat de camerabeelden in ieder geval niet het daderschap van de verdachte uitsluiten. Hetgeen overigens ten verweer is aangevoerd heeft het hof evenmin tot redelijke twijfel gebracht omtrent het daderschap van de verdachte. Het hof acht daarom de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, in de zaak met parketnummer 01-119919-22, bewezenverklaarde feit wordt als volgt gekwalificeerd:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer in haar gezicht te slaan. Door zo te handelen heeft zij een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat een dergelijk feit niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt, maar ook bij degenen die er ongewild getuige van zijn. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van twee verbalisanten en aan wederspannigheid. De verdachte heeft daarmee laten zien geen respect te hebben voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. Zij moeten ongehinderd en verstoken van gedrag als dat van de verdachte hun werk kunnen doen. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof eveneens gelet op de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 april 2024, waaruit blijkt dat zij eerder voor soortgelijk feiten, te weten mishandelingen, onherroepelijk is veroordeeld. De verdachte liep nog in een proeftijd van die eerdere veroordelingen, waar overigens de hierna nog te bespreken vordering tot tenuitvoerlegging op ziet, maar die voorwaardelijke straf heeft haar kennelijk niet ervan weerhouden opnieuw een mishandeling te plegen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in het licht van voormelde feiten en omstandigheden niet worden volstaan met de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straffen, omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van
€ 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 januari 2020 onder parketnummer 01-250168-19. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, dient te worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht.
Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 januari 2020, met parketnummer 01-250168-19, te weten een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier,
en op 15 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.P.J. Scheele en mr. dr. M.J.M.A. Van der Put zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001792-22
Uitspraak : 15 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 augustus 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-215115-21 en 01-119919-22, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-250168-19, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van mishandeling (zaak met parketnummer 01-215115-21), eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (zaak met parketnummer 01-119919-22, onder 1) en wederspannigheid (zaak met parketnummer 01-119919-22, onder 2) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete ter hoogte van
€ 450,-, subsidiair 9 dagen hechtenis, te voldoen in 10 termijnen van elk € 45,- per maand. Voorts heeft de politierechter ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-250168-19 gelast dat de voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, geheel ten uitvoer zal worden gelegd
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter integraal – met inbegrip van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging – zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair ten aanzien van het onder parketnummer
01-215115-21 tenlastegelegde vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de kwalificatie van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straf.
Gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Bewijsmiddelen
Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken, aanvullen en waar nodig verbeteren in een aanvulling op het verkorte arrest, welke aanvulling dan aan dit verkorte arrest wordt gehecht. De politierechter heeft immers in het beroepen vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte de drie bewezenverklaarde niet (allemaal) heeft bekend en gedeeltelijk vrijspraak is bepleit.
Bewijsoverwegingen
In verband met het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vervangt het hof de bewijsoverweging van de politierechter door de hiernavolgende bewijsoverwegingen.
De raadsvrouw heeft ter zake van de mishandeling (zaak met parketnummer 01-215115-21) vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op grond van het bewijsmateriaal niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die aangeefster heeft geslagen.
Het hof stelt vast dat de aangeefster mw. [aangever] heeft verklaard dat het de verdachte is geweest die haar in het gezicht heeft geslagen. Die verklaring vindt steun in de verklaringen van de ooggetuigen mw. [getuige 1] en [getuige 2] , overigens niet alleen wat betreft het daderschap van de verdachte, maar ook op andere punten die contextueel verband houden met de mishandeling. Het feit dat de verklaring van de aangeefster op een aantal andere, naar het oordeel van het hof ondergeschikte, punten wordt weersproken door de camerabeelden van het betreffende incident – waarop wel te zien is dat aangeefster in het gezicht wordt geslagen, maar niet door wie – is voor het hof onvoldoende grond om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van aangeefster en de twee getuigen. Het hof merkt daarbij op dat de camerabeelden in ieder geval niet het daderschap van de verdachte uitsluiten. Hetgeen overigens ten verweer is aangevoerd heeft het hof evenmin tot redelijke twijfel gebracht omtrent het daderschap van de verdachte. Het hof acht daarom de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, in de zaak met parketnummer 01-119919-22, bewezenverklaarde feit wordt als volgt gekwalificeerd:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer in haar gezicht te slaan. Door zo te handelen heeft zij een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat een dergelijk feit niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt, maar ook bij degenen die er ongewild getuige van zijn. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van twee verbalisanten en aan wederspannigheid. De verdachte heeft daarmee laten zien geen respect te hebben voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. Zij moeten ongehinderd en verstoken van gedrag als dat van de verdachte hun werk kunnen doen. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof eveneens gelet op de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 april 2024, waaruit blijkt dat zij eerder voor soortgelijk feiten, te weten mishandelingen, onherroepelijk is veroordeeld. De verdachte liep nog in een proeftijd van die eerdere veroordelingen, waar overigens de hierna nog te bespreken vordering tot tenuitvoerlegging op ziet, maar die voorwaardelijke straf heeft haar kennelijk niet ervan weerhouden opnieuw een mishandeling te plegen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in het licht van voormelde feiten en omstandigheden niet worden volstaan met de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straffen, omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van
€ 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 januari 2020 onder parketnummer 01-250168-19. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, dient te worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht.
Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 januari 2020, met parketnummer 01-250168-19, te weten een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier,
en op 15 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.P.J. Scheele en mr. dr. M.J.M.A. Van der Put zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
Parketnummer : 20-001792-22
Uitspraak : 15 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 augustus 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-215115-21 en 01-119919-22, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-250168-19, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van mishandeling (zaak met parketnummer 01-215115-21), eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (zaak met parketnummer 01-119919-22, onder 1) en wederspannigheid (zaak met parketnummer 01-119919-22, onder 2) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete ter hoogte van
€ 450,-, subsidiair 9 dagen hechtenis, te voldoen in 10 termijnen van elk € 45,- per maand. Voorts heeft de politierechter ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-250168-19 gelast dat de voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, geheel ten uitvoer zal worden gelegd
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter integraal – met inbegrip van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging – zal bevestigen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair ten aanzien van het onder parketnummer
01-215115-21 tenlastegelegde vrijspraak bepleit en zich ten aanzien van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van de kwalificatie van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straf.
Gelet op het andersluidende oordeel van het hof ten aanzien van de opgelegde straf, zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Bewijsmiddelen
Het hof zal – indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld – de inhoud van de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring uitwerken, aanvullen en waar nodig verbeteren in een aanvulling op het verkorte arrest, welke aanvulling dan aan dit verkorte arrest wordt gehecht. De politierechter heeft immers in het beroepen vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van de bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte de drie bewezenverklaarde niet (allemaal) heeft bekend en gedeeltelijk vrijspraak is bepleit.
Bewijsoverwegingen
In verband met het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vervangt het hof de bewijsoverweging van de politierechter door de hiernavolgende bewijsoverwegingen.
De raadsvrouw heeft ter zake van de mishandeling (zaak met parketnummer 01-215115-21) vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op grond van het bewijsmateriaal niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die aangeefster heeft geslagen.
Het hof stelt vast dat de aangeefster mw. [aangever] heeft verklaard dat het de verdachte is geweest die haar in het gezicht heeft geslagen. Die verklaring vindt steun in de verklaringen van de ooggetuigen mw. [getuige 1] en [getuige 2] , overigens niet alleen wat betreft het daderschap van de verdachte, maar ook op andere punten die contextueel verband houden met de mishandeling. Het feit dat de verklaring van de aangeefster op een aantal andere, naar het oordeel van het hof ondergeschikte, punten wordt weersproken door de camerabeelden van het betreffende incident – waarop wel te zien is dat aangeefster in het gezicht wordt geslagen, maar niet door wie – is voor het hof onvoldoende grond om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van aangeefster en de twee getuigen. Het hof merkt daarbij op dat de camerabeelden in ieder geval niet het daderschap van de verdachte uitsluiten. Hetgeen overigens ten verweer is aangevoerd heeft het hof evenmin tot redelijke twijfel gebracht omtrent het daderschap van de verdachte. Het hof acht daarom de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Dictum
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, in de zaak met parketnummer 01-119919-22, bewezenverklaarde feit wordt als volgt gekwalificeerd:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer in haar gezicht te slaan. Door zo te handelen heeft zij een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat een dergelijk feit niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt, maar ook bij degenen die er ongewild getuige van zijn. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van twee verbalisanten en aan wederspannigheid. De verdachte heeft daarmee laten zien geen respect te hebben voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door politieambtenaren wordt gediend. Zij moeten ongehinderd en verstoken van gedrag als dat van de verdachte hun werk kunnen doen. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof eveneens gelet op de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 april 2024, waaruit blijkt dat zij eerder voor soortgelijk feiten, te weten mishandelingen, onherroepelijk is veroordeeld. De verdachte liep nog in een proeftijd van die eerdere veroordelingen, waar overigens de hierna nog te bespreken vordering tot tenuitvoerlegging op ziet, maar die voorwaardelijke straf heeft haar kennelijk niet ervan weerhouden opnieuw een mishandeling te plegen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in het licht van voormelde feiten en omstandigheden niet worden volstaan met de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straffen, omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van
€ 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 januari 2020 onder parketnummer 01-250168-19. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, dient te worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het onder parketnummer 01-119919-22 onder 1 bewezenverklaarde en de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht.
Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 januari 2020, met parketnummer 01-250168-19, te weten een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier,
en op 15 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.P.J. Scheele en mr. dr. M.J.M.A. Van der Put zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.