Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-08-23
ECLI:NL:GHSHE:2024:2690
Strafrecht
Hoger beroep
9,312 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002754-23
Uitspraak : 23 augustus 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 oktober 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-243320-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
thans uit anderen hoofde verblijvende in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) te Badhoevedorp.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘diefstal’ (feit 1) en ‘in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis tijdig hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft zich voor wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, doch met verbetering (ten aanzien van feit 1) c.q. aanvulling (ten aanzien van feit 2) van de bewijsmiddelen door respectievelijk vervanging van de in eerste aanleg afgelegde bekennende verklaring door de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en door toevoeging van de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsmiddelen in zijn geheel vervangen.
Ten slotte zal het hof kort responderen op het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde straftoemetingsverweer.
Bewijsmiddelen
Aangezien de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal het hof ten aanzien van deze feiten volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Ten aanzien van feit 1:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2023, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 1] namens het slachtoffer [slachtoffer] (dossierpagina’s 6 tot en met 8, inclusief de bijlagen op dossierpagina’s 9 en 10).
Ten aanzien van feit 2:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2023, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2] (dossierpagina’s 11 tot en met 13);
een schriftelijk stuk, te weten een formulier ‘aanzeggen collectief winkelverbod’, inhoudende een aan de verdachte opgelegd winkelverbod d.d. 28 augustus 2023 (dossierpagina 14).
Aanvulling van de overwegingen omtrent de op te leggen straf
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof toepassing zal geven aan het in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepaalde en de verdachte schuldig zal verklaren zonder aan hem een straf of maatregel op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen. Hiertoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat een aanmerkelijke kans bestaat dat aan de verdachte – het hof begrijpt: in de nabije toekomst – een ISD-maatregel zal worden opgelegd. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken in de onderhavige strafzaak, zou betekenen dat de verdachte eerst deze straf zal moeten ondergaan alvorens zijn behandeling in het kader van de te verwachten ISD-maatregel kan aanvangen, hetgeen niet in zijn belang is, aldus de verdediging.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof ziet in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om tot een andere strafoplegging te komen dan de politierechter. Het hof is van oordeel dat – nog daargelaten dat op dit moment geen concreet zicht is op een aan de verdachte op te leggen ISD-maatregel – bij een eventueel toekomstig ISD-traject in de executie rekening gehouden kan worden met nog door de verdachte te ondergane straffen.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. M. van der Horst en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 23 augustus 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie met zaaksregistratienummer PL2000-2023243999, gesloten d.d. 23 september 2023 door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 38).
Inleiding
Parketnummer : 20-002754-23
Uitspraak : 23 augustus 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 oktober 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-243320-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
thans uit anderen hoofde verblijvende in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) te Badhoevedorp.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘diefstal’ (feit 1) en ‘in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis tijdig hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft zich voor wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, doch met verbetering (ten aanzien van feit 1) c.q. aanvulling (ten aanzien van feit 2) van de bewijsmiddelen door respectievelijk vervanging van de in eerste aanleg afgelegde bekennende verklaring door de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en door toevoeging van de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsmiddelen in zijn geheel vervangen.
Ten slotte zal het hof kort responderen op het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde straftoemetingsverweer.
Bewijsmiddelen
Aangezien de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal het hof ten aanzien van deze feiten volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Ten aanzien van feit 1:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2023, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 1] namens het slachtoffer [slachtoffer] (dossierpagina’s 6 tot en met 8, inclusief de bijlagen op dossierpagina’s 9 en 10).
Ten aanzien van feit 2:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2023, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2] (dossierpagina’s 11 tot en met 13);
een schriftelijk stuk, te weten een formulier ‘aanzeggen collectief winkelverbod’, inhoudende een aan de verdachte opgelegd winkelverbod d.d. 28 augustus 2023 (dossierpagina 14).
Aanvulling van de overwegingen omtrent de op te leggen straf
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof toepassing zal geven aan het in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepaalde en de verdachte schuldig zal verklaren zonder aan hem een straf of maatregel op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen. Hiertoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat een aanmerkelijke kans bestaat dat aan de verdachte – het hof begrijpt: in de nabije toekomst – een ISD-maatregel zal worden opgelegd. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken in de onderhavige strafzaak, zou betekenen dat de verdachte eerst deze straf zal moeten ondergaan alvorens zijn behandeling in het kader van de te verwachten ISD-maatregel kan aanvangen, hetgeen niet in zijn belang is, aldus de verdediging.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof ziet in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om tot een andere strafoplegging te komen dan de politierechter. Het hof is van oordeel dat – nog daargelaten dat op dit moment geen concreet zicht is op een aan de verdachte op te leggen ISD-maatregel – bij een eventueel toekomstig ISD-traject in de executie rekening gehouden kan worden met nog door de verdachte te ondergane straffen.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. M. van der Horst en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 23 augustus 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie met zaaksregistratienummer PL2000-2023243999, gesloten d.d. 23 september 2023 door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 38).
Inleiding
Parketnummer : 20-002754-23
Uitspraak : 23 augustus 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 oktober 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-243320-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
thans uit anderen hoofde verblijvende in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) te Badhoevedorp.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘diefstal’ (feit 1) en ‘in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis tijdig hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft zich voor wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, doch met verbetering (ten aanzien van feit 1) c.q. aanvulling (ten aanzien van feit 2) van de bewijsmiddelen door respectievelijk vervanging van de in eerste aanleg afgelegde bekennende verklaring door de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en door toevoeging van de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsmiddelen in zijn geheel vervangen.
Ten slotte zal het hof kort responderen op het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde straftoemetingsverweer.
Bewijsmiddelen
Aangezien de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal het hof ten aanzien van deze feiten volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Ten aanzien van feit 1:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2023, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 1] namens het slachtoffer [slachtoffer] (dossierpagina’s 6 tot en met 8, inclusief de bijlagen op dossierpagina’s 9 en 10).
Ten aanzien van feit 2:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2023, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2] (dossierpagina’s 11 tot en met 13);
een schriftelijk stuk, te weten een formulier ‘aanzeggen collectief winkelverbod’, inhoudende een aan de verdachte opgelegd winkelverbod d.d. 28 augustus 2023 (dossierpagina 14).
Aanvulling van de overwegingen omtrent de op te leggen straf
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof toepassing zal geven aan het in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepaalde en de verdachte schuldig zal verklaren zonder aan hem een straf of maatregel op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen. Hiertoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat een aanmerkelijke kans bestaat dat aan de verdachte – het hof begrijpt: in de nabije toekomst – een ISD-maatregel zal worden opgelegd. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken in de onderhavige strafzaak, zou betekenen dat de verdachte eerst deze straf zal moeten ondergaan alvorens zijn behandeling in het kader van de te verwachten ISD-maatregel kan aanvangen, hetgeen niet in zijn belang is, aldus de verdediging.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof ziet in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om tot een andere strafoplegging te komen dan de politierechter. Het hof is van oordeel dat – nog daargelaten dat op dit moment geen concreet zicht is op een aan de verdachte op te leggen ISD-maatregel – bij een eventueel toekomstig ISD-traject in de executie rekening gehouden kan worden met nog door de verdachte te ondergane straffen.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. M. van der Horst en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 23 augustus 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie met zaaksregistratienummer PL2000-2023243999, gesloten d.d. 23 september 2023 door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 38).
Inleiding
Parketnummer : 20-002754-23
Uitspraak : 23 augustus 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 oktober 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-243320-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
thans uit anderen hoofde verblijvende in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) te Badhoevedorp.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘diefstal’ (feit 1) en ‘in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis tijdig hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft zich voor wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, doch met verbetering (ten aanzien van feit 1) c.q. aanvulling (ten aanzien van feit 2) van de bewijsmiddelen door respectievelijk vervanging van de in eerste aanleg afgelegde bekennende verklaring door de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en door toevoeging van de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsmiddelen in zijn geheel vervangen.
Ten slotte zal het hof kort responderen op het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde straftoemetingsverweer.
Bewijsmiddelen
Aangezien de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal het hof ten aanzien van deze feiten volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Ten aanzien van feit 1:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2023, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 1] namens het slachtoffer [slachtoffer] (dossierpagina’s 6 tot en met 8, inclusief de bijlagen op dossierpagina’s 9 en 10).
Ten aanzien van feit 2:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2023, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2] (dossierpagina’s 11 tot en met 13);
een schriftelijk stuk, te weten een formulier ‘aanzeggen collectief winkelverbod’, inhoudende een aan de verdachte opgelegd winkelverbod d.d. 28 augustus 2023 (dossierpagina 14).
Aanvulling van de overwegingen omtrent de op te leggen straf
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof toepassing zal geven aan het in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepaalde en de verdachte schuldig zal verklaren zonder aan hem een straf of maatregel op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen. Hiertoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat een aanmerkelijke kans bestaat dat aan de verdachte – het hof begrijpt: in de nabije toekomst – een ISD-maatregel zal worden opgelegd. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken in de onderhavige strafzaak, zou betekenen dat de verdachte eerst deze straf zal moeten ondergaan alvorens zijn behandeling in het kader van de te verwachten ISD-maatregel kan aanvangen, hetgeen niet in zijn belang is, aldus de verdediging.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof ziet in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om tot een andere strafoplegging te komen dan de politierechter. Het hof is van oordeel dat – nog daargelaten dat op dit moment geen concreet zicht is op een aan de verdachte op te leggen ISD-maatregel – bij een eventueel toekomstig ISD-traject in de executie rekening gehouden kan worden met nog door de verdachte te ondergane straffen.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. M. van der Horst en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 23 augustus 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie met zaaksregistratienummer PL2000-2023243999, gesloten d.d. 23 september 2023 door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 38).
Inleiding
Parketnummer : 20-002754-23
Uitspraak : 23 augustus 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 oktober 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-243320-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
thans uit anderen hoofde verblijvende in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) te Badhoevedorp.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘diefstal’ (feit 1) en ‘in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis tijdig hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft zich voor wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, doch met verbetering (ten aanzien van feit 1) c.q. aanvulling (ten aanzien van feit 2) van de bewijsmiddelen door respectievelijk vervanging van de in eerste aanleg afgelegde bekennende verklaring door de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en door toevoeging van de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsmiddelen in zijn geheel vervangen.
Ten slotte zal het hof kort responderen op het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde straftoemetingsverweer.
Bewijsmiddelen
Aangezien de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal het hof ten aanzien van deze feiten volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Ten aanzien van feit 1:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2023, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 1] namens het slachtoffer [slachtoffer] (dossierpagina’s 6 tot en met 8, inclusief de bijlagen op dossierpagina’s 9 en 10).
Ten aanzien van feit 2:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2023, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2] (dossierpagina’s 11 tot en met 13);
een schriftelijk stuk, te weten een formulier ‘aanzeggen collectief winkelverbod’, inhoudende een aan de verdachte opgelegd winkelverbod d.d. 28 augustus 2023 (dossierpagina 14).
Aanvulling van de overwegingen omtrent de op te leggen straf
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof toepassing zal geven aan het in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepaalde en de verdachte schuldig zal verklaren zonder aan hem een straf of maatregel op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen. Hiertoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat een aanmerkelijke kans bestaat dat aan de verdachte – het hof begrijpt: in de nabije toekomst – een ISD-maatregel zal worden opgelegd. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken in de onderhavige strafzaak, zou betekenen dat de verdachte eerst deze straf zal moeten ondergaan alvorens zijn behandeling in het kader van de te verwachten ISD-maatregel kan aanvangen, hetgeen niet in zijn belang is, aldus de verdediging.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof ziet in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om tot een andere strafoplegging te komen dan de politierechter. Het hof is van oordeel dat – nog daargelaten dat op dit moment geen concreet zicht is op een aan de verdachte op te leggen ISD-maatregel – bij een eventueel toekomstig ISD-traject in de executie rekening gehouden kan worden met nog door de verdachte te ondergane straffen.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. M. van der Horst en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 23 augustus 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie met zaaksregistratienummer PL2000-2023243999, gesloten d.d. 23 september 2023 door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 38).
Inleiding
Parketnummer : 20-002754-23
Uitspraak : 23 augustus 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 oktober 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-243320-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
thans uit anderen hoofde verblijvende in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) te Badhoevedorp.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘diefstal’ (feit 1) en ‘in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis tijdig hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft zich voor wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, doch met verbetering (ten aanzien van feit 1) c.q. aanvulling (ten aanzien van feit 2) van de bewijsmiddelen door respectievelijk vervanging van de in eerste aanleg afgelegde bekennende verklaring door de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en door toevoeging van de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsmiddelen in zijn geheel vervangen.
Ten slotte zal het hof kort responderen op het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde straftoemetingsverweer.
Bewijsmiddelen
Aangezien de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal het hof ten aanzien van deze feiten volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:
Ten aanzien van feit 1:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2023, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 1] namens het slachtoffer [slachtoffer] (dossierpagina’s 6 tot en met 8, inclusief de bijlagen op dossierpagina’s 9 en 10).
Ten aanzien van feit 2:
de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 augustus 2024;
het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2023, inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2] (dossierpagina’s 11 tot en met 13);
een schriftelijk stuk, te weten een formulier ‘aanzeggen collectief winkelverbod’, inhoudende een aan de verdachte opgelegd winkelverbod d.d. 28 augustus 2023 (dossierpagina 14).
Aanvulling van de overwegingen omtrent de op te leggen straf
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof toepassing zal geven aan het in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepaalde en de verdachte schuldig zal verklaren zonder aan hem een straf of maatregel op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen. Hiertoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat een aanmerkelijke kans bestaat dat aan de verdachte – het hof begrijpt: in de nabije toekomst – een ISD-maatregel zal worden opgelegd. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken in de onderhavige strafzaak, zou betekenen dat de verdachte eerst deze straf zal moeten ondergaan alvorens zijn behandeling in het kader van de te verwachten ISD-maatregel kan aanvangen, hetgeen niet in zijn belang is, aldus de verdediging.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof ziet in hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om tot een andere strafoplegging te komen dan de politierechter. Het hof is van oordeel dat – nog daargelaten dat op dit moment geen concreet zicht is op een aan de verdachte op te leggen ISD-maatregel – bij een eventueel toekomstig ISD-traject in de executie rekening gehouden kan worden met nog door de verdachte te ondergane straffen.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. drs. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. M. van der Horst en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 23 augustus 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie met zaaksregistratienummer PL2000-2023243999, gesloten d.d. 23 september 2023 door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 38).