Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-06-07
ECLI:NL:GHSHE:2024:2538
Strafrecht
Hoger beroep
28,622 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000550-22
Uitspraak : 7 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-068528-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van twee bedreigingen, telkens meermalen gepleegd, (feit 1 en 2) en een belaging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft bij het voorwaardelijke strafdeel, naast algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod opgelegd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen verdovende middelen is gelast dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Tot slot is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en/of namens de verdachte en de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de gronden waarop het berust en zal het vonnis om die reden bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de bepleite vrijspraak naar voren is gebracht heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging, zodat het hof dit feit overeenkomstig de gronden in het vonnis bewezen acht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht geen straf op te leggen die met zich brengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daartoe is aangevoerd dat de verdenkingen dateren van ruim drie jaar geleden en er geen contact meer is tussen de verdachte en aangeefster. De raadsman heeft erop gewezen dat uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat zowel het laatste fysieke geweldsdelict als de laatste bedreiging dateren van 2019 en dat de hij niet eerder verdachte is geweest van belaging. Voorts heeft de verdachte al een tijd vastgezeten voor dit feit en heeft hij zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis van 25 maart 2025 gehouden aan de stringente schorsingsvoorwaarden. Verzocht is te volstaan met een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren om als stok achter de deur te dienen
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen en stalking van [slachtoffer 1] ,
zijn ex-partner. Uit frustratie is de verdachte haar op verschillende manieren blijven benaderen, terwijl zij hem op verschillende manieren te kennen had gegeven dat zij geen contact met hem wenste. Hij heeft haar daarbij via sms- en appberichten, teksten op sociale media en telefoongesprekken op onbeschaamde, beledigende, intimiderende en bedreigende wijze bejegend. Door de vele berichten en telefoontjes heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zelfs andere personen ingeschakeld om in contact te komen met zijn ex-partner. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van zijn ex-partner. Hij heeft de auto waar zijn ex-partner en haar vader in zaten klemgereden. De verdachte heeft vervolgens doodsbedreigingen geuit en daarmee zijn ex-partner en haar vader ernstige vrees aangejaagd. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de vader, waaruit naar voren komt dat hij heeft gevreesd voor zijn leven en dat het feit een diepe indruk heeft achtergelaten bij hem en zijn dochter. De verdachte heeft voor die ernstige gevolgen van zijn handelen voor zijn ex-partner en haar vader kennelijk geen oog gehad, maar steeds gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om zijn ex-partner te spreken en - in plaats van zich te beheersen en een conflict op fatsoenlijke wijze op te lossen - zich op een onbehoorlijke en dreigende manier geuit. Het hof acht dit zeer kwalijk.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof evenwel aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en het voorwaardelijke deel ertoe dient de verdachte te motiveren zich niet opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarbij zal het hof als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een contactverbod opleggen. Hoewel de verdachte na de stalking in 2021 weliswaar geen contact meer met het slachtoffer heeft opgenomen, heeft hij het slachtoffer wel (indirect) bedreigd. Om die reden adviseert de reclassering, blijkens het rapport van 23 november 2023, een contactverbod en het hof neemt dit advies over. Daarnaast zal het hof, teneinde tegemoet te komen aan de ernst van de feiten en om de verdachte ervan te doordringen dat zijn gedrag onacceptabel is, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf van tien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van twee jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 375,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect -, anders dan door middel van een advocaat, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 7 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000550-22
Uitspraak : 7 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-068528-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van twee bedreigingen, telkens meermalen gepleegd, (feit 1 en 2) en een belaging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft bij het voorwaardelijke strafdeel, naast algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod opgelegd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen verdovende middelen is gelast dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Tot slot is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en/of namens de verdachte en de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de gronden waarop het berust en zal het vonnis om die reden bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de bepleite vrijspraak naar voren is gebracht heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging, zodat het hof dit feit overeenkomstig de gronden in het vonnis bewezen acht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht geen straf op te leggen die met zich brengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daartoe is aangevoerd dat de verdenkingen dateren van ruim drie jaar geleden en er geen contact meer is tussen de verdachte en aangeefster. De raadsman heeft erop gewezen dat uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat zowel het laatste fysieke geweldsdelict als de laatste bedreiging dateren van 2019 en dat de hij niet eerder verdachte is geweest van belaging. Voorts heeft de verdachte al een tijd vastgezeten voor dit feit en heeft hij zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis van 25 maart 2025 gehouden aan de stringente schorsingsvoorwaarden. Verzocht is te volstaan met een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren om als stok achter de deur te dienen
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen en stalking van [slachtoffer 1] ,
zijn ex-partner. Uit frustratie is de verdachte haar op verschillende manieren blijven benaderen, terwijl zij hem op verschillende manieren te kennen had gegeven dat zij geen contact met hem wenste. Hij heeft haar daarbij via sms- en appberichten, teksten op sociale media en telefoongesprekken op onbeschaamde, beledigende, intimiderende en bedreigende wijze bejegend. Door de vele berichten en telefoontjes heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zelfs andere personen ingeschakeld om in contact te komen met zijn ex-partner. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van zijn ex-partner. Hij heeft de auto waar zijn ex-partner en haar vader in zaten klemgereden. De verdachte heeft vervolgens doodsbedreigingen geuit en daarmee zijn ex-partner en haar vader ernstige vrees aangejaagd. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de vader, waaruit naar voren komt dat hij heeft gevreesd voor zijn leven en dat het feit een diepe indruk heeft achtergelaten bij hem en zijn dochter. De verdachte heeft voor die ernstige gevolgen van zijn handelen voor zijn ex-partner en haar vader kennelijk geen oog gehad, maar steeds gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om zijn ex-partner te spreken en - in plaats van zich te beheersen en een conflict op fatsoenlijke wijze op te lossen - zich op een onbehoorlijke en dreigende manier geuit. Het hof acht dit zeer kwalijk.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof evenwel aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en het voorwaardelijke deel ertoe dient de verdachte te motiveren zich niet opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarbij zal het hof als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een contactverbod opleggen. Hoewel de verdachte na de stalking in 2021 weliswaar geen contact meer met het slachtoffer heeft opgenomen, heeft hij het slachtoffer wel (indirect) bedreigd. Om die reden adviseert de reclassering, blijkens het rapport van 23 november 2023, een contactverbod en het hof neemt dit advies over. Daarnaast zal het hof, teneinde tegemoet te komen aan de ernst van de feiten en om de verdachte ervan te doordringen dat zijn gedrag onacceptabel is, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf van tien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van twee jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 375,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect -, anders dan door middel van een advocaat, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 7 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000550-22
Uitspraak : 7 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-068528-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van twee bedreigingen, telkens meermalen gepleegd, (feit 1 en 2) en een belaging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft bij het voorwaardelijke strafdeel, naast algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod opgelegd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen verdovende middelen is gelast dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Tot slot is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en/of namens de verdachte en de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de gronden waarop het berust en zal het vonnis om die reden bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de bepleite vrijspraak naar voren is gebracht heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging, zodat het hof dit feit overeenkomstig de gronden in het vonnis bewezen acht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht geen straf op te leggen die met zich brengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daartoe is aangevoerd dat de verdenkingen dateren van ruim drie jaar geleden en er geen contact meer is tussen de verdachte en aangeefster. De raadsman heeft erop gewezen dat uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat zowel het laatste fysieke geweldsdelict als de laatste bedreiging dateren van 2019 en dat de hij niet eerder verdachte is geweest van belaging. Voorts heeft de verdachte al een tijd vastgezeten voor dit feit en heeft hij zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis van 25 maart 2025 gehouden aan de stringente schorsingsvoorwaarden. Verzocht is te volstaan met een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren om als stok achter de deur te dienen
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen en stalking van [slachtoffer 1] ,
zijn ex-partner. Uit frustratie is de verdachte haar op verschillende manieren blijven benaderen, terwijl zij hem op verschillende manieren te kennen had gegeven dat zij geen contact met hem wenste. Hij heeft haar daarbij via sms- en appberichten, teksten op sociale media en telefoongesprekken op onbeschaamde, beledigende, intimiderende en bedreigende wijze bejegend. Door de vele berichten en telefoontjes heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zelfs andere personen ingeschakeld om in contact te komen met zijn ex-partner. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van zijn ex-partner. Hij heeft de auto waar zijn ex-partner en haar vader in zaten klemgereden. De verdachte heeft vervolgens doodsbedreigingen geuit en daarmee zijn ex-partner en haar vader ernstige vrees aangejaagd. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de vader, waaruit naar voren komt dat hij heeft gevreesd voor zijn leven en dat het feit een diepe indruk heeft achtergelaten bij hem en zijn dochter. De verdachte heeft voor die ernstige gevolgen van zijn handelen voor zijn ex-partner en haar vader kennelijk geen oog gehad, maar steeds gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om zijn ex-partner te spreken en - in plaats van zich te beheersen en een conflict op fatsoenlijke wijze op te lossen - zich op een onbehoorlijke en dreigende manier geuit. Het hof acht dit zeer kwalijk.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof evenwel aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en het voorwaardelijke deel ertoe dient de verdachte te motiveren zich niet opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarbij zal het hof als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een contactverbod opleggen. Hoewel de verdachte na de stalking in 2021 weliswaar geen contact meer met het slachtoffer heeft opgenomen, heeft hij het slachtoffer wel (indirect) bedreigd. Om die reden adviseert de reclassering, blijkens het rapport van 23 november 2023, een contactverbod en het hof neemt dit advies over. Daarnaast zal het hof, teneinde tegemoet te komen aan de ernst van de feiten en om de verdachte ervan te doordringen dat zijn gedrag onacceptabel is, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf van tien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van twee jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 375,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect -, anders dan door middel van een advocaat, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 7 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000550-22
Uitspraak : 7 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-068528-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van twee bedreigingen, telkens meermalen gepleegd, (feit 1 en 2) en een belaging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft bij het voorwaardelijke strafdeel, naast algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod opgelegd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen verdovende middelen is gelast dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Tot slot is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en/of namens de verdachte en de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de gronden waarop het berust en zal het vonnis om die reden bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de bepleite vrijspraak naar voren is gebracht heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging, zodat het hof dit feit overeenkomstig de gronden in het vonnis bewezen acht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht geen straf op te leggen die met zich brengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daartoe is aangevoerd dat de verdenkingen dateren van ruim drie jaar geleden en er geen contact meer is tussen de verdachte en aangeefster. De raadsman heeft erop gewezen dat uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat zowel het laatste fysieke geweldsdelict als de laatste bedreiging dateren van 2019 en dat de hij niet eerder verdachte is geweest van belaging. Voorts heeft de verdachte al een tijd vastgezeten voor dit feit en heeft hij zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis van 25 maart 2025 gehouden aan de stringente schorsingsvoorwaarden. Verzocht is te volstaan met een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren om als stok achter de deur te dienen
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen en stalking van [slachtoffer 1] ,
zijn ex-partner. Uit frustratie is de verdachte haar op verschillende manieren blijven benaderen, terwijl zij hem op verschillende manieren te kennen had gegeven dat zij geen contact met hem wenste. Hij heeft haar daarbij via sms- en appberichten, teksten op sociale media en telefoongesprekken op onbeschaamde, beledigende, intimiderende en bedreigende wijze bejegend. Door de vele berichten en telefoontjes heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zelfs andere personen ingeschakeld om in contact te komen met zijn ex-partner. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van zijn ex-partner. Hij heeft de auto waar zijn ex-partner en haar vader in zaten klemgereden. De verdachte heeft vervolgens doodsbedreigingen geuit en daarmee zijn ex-partner en haar vader ernstige vrees aangejaagd. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de vader, waaruit naar voren komt dat hij heeft gevreesd voor zijn leven en dat het feit een diepe indruk heeft achtergelaten bij hem en zijn dochter. De verdachte heeft voor die ernstige gevolgen van zijn handelen voor zijn ex-partner en haar vader kennelijk geen oog gehad, maar steeds gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om zijn ex-partner te spreken en - in plaats van zich te beheersen en een conflict op fatsoenlijke wijze op te lossen - zich op een onbehoorlijke en dreigende manier geuit. Het hof acht dit zeer kwalijk.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof evenwel aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en het voorwaardelijke deel ertoe dient de verdachte te motiveren zich niet opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarbij zal het hof als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een contactverbod opleggen. Hoewel de verdachte na de stalking in 2021 weliswaar geen contact meer met het slachtoffer heeft opgenomen, heeft hij het slachtoffer wel (indirect) bedreigd. Om die reden adviseert de reclassering, blijkens het rapport van 23 november 2023, een contactverbod en het hof neemt dit advies over. Daarnaast zal het hof, teneinde tegemoet te komen aan de ernst van de feiten en om de verdachte ervan te doordringen dat zijn gedrag onacceptabel is, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf van tien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van twee jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 375,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect -, anders dan door middel van een advocaat, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 7 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000550-22
Uitspraak : 7 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-068528-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van twee bedreigingen, telkens meermalen gepleegd, (feit 1 en 2) en een belaging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft bij het voorwaardelijke strafdeel, naast algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod opgelegd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen verdovende middelen is gelast dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Tot slot is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en/of namens de verdachte en de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de gronden waarop het berust en zal het vonnis om die reden bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de bepleite vrijspraak naar voren is gebracht heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging, zodat het hof dit feit overeenkomstig de gronden in het vonnis bewezen acht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht geen straf op te leggen die met zich brengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daartoe is aangevoerd dat de verdenkingen dateren van ruim drie jaar geleden en er geen contact meer is tussen de verdachte en aangeefster. De raadsman heeft erop gewezen dat uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat zowel het laatste fysieke geweldsdelict als de laatste bedreiging dateren van 2019 en dat de hij niet eerder verdachte is geweest van belaging. Voorts heeft de verdachte al een tijd vastgezeten voor dit feit en heeft hij zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis van 25 maart 2025 gehouden aan de stringente schorsingsvoorwaarden. Verzocht is te volstaan met een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren om als stok achter de deur te dienen
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen en stalking van [slachtoffer 1] ,
zijn ex-partner. Uit frustratie is de verdachte haar op verschillende manieren blijven benaderen, terwijl zij hem op verschillende manieren te kennen had gegeven dat zij geen contact met hem wenste. Hij heeft haar daarbij via sms- en appberichten, teksten op sociale media en telefoongesprekken op onbeschaamde, beledigende, intimiderende en bedreigende wijze bejegend. Door de vele berichten en telefoontjes heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zelfs andere personen ingeschakeld om in contact te komen met zijn ex-partner. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van zijn ex-partner. Hij heeft de auto waar zijn ex-partner en haar vader in zaten klemgereden. De verdachte heeft vervolgens doodsbedreigingen geuit en daarmee zijn ex-partner en haar vader ernstige vrees aangejaagd. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de vader, waaruit naar voren komt dat hij heeft gevreesd voor zijn leven en dat het feit een diepe indruk heeft achtergelaten bij hem en zijn dochter. De verdachte heeft voor die ernstige gevolgen van zijn handelen voor zijn ex-partner en haar vader kennelijk geen oog gehad, maar steeds gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om zijn ex-partner te spreken en - in plaats van zich te beheersen en een conflict op fatsoenlijke wijze op te lossen - zich op een onbehoorlijke en dreigende manier geuit. Het hof acht dit zeer kwalijk.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof evenwel aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en het voorwaardelijke deel ertoe dient de verdachte te motiveren zich niet opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarbij zal het hof als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een contactverbod opleggen. Hoewel de verdachte na de stalking in 2021 weliswaar geen contact meer met het slachtoffer heeft opgenomen, heeft hij het slachtoffer wel (indirect) bedreigd. Om die reden adviseert de reclassering, blijkens het rapport van 23 november 2023, een contactverbod en het hof neemt dit advies over. Daarnaast zal het hof, teneinde tegemoet te komen aan de ernst van de feiten en om de verdachte ervan te doordringen dat zijn gedrag onacceptabel is, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf van tien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van twee jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 375,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect -, anders dan door middel van een advocaat, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 7 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000550-22
Uitspraak : 7 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-068528-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van twee bedreigingen, telkens meermalen gepleegd, (feit 1 en 2) en een belaging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft bij het voorwaardelijke strafdeel, naast algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod opgelegd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen verdovende middelen is gelast dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Tot slot is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en/of namens de verdachte en de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de gronden waarop het berust en zal het vonnis om die reden bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de bepleite vrijspraak naar voren is gebracht heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging, zodat het hof dit feit overeenkomstig de gronden in het vonnis bewezen acht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht geen straf op te leggen die met zich brengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daartoe is aangevoerd dat de verdenkingen dateren van ruim drie jaar geleden en er geen contact meer is tussen de verdachte en aangeefster. De raadsman heeft erop gewezen dat uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat zowel het laatste fysieke geweldsdelict als de laatste bedreiging dateren van 2019 en dat de hij niet eerder verdachte is geweest van belaging. Voorts heeft de verdachte al een tijd vastgezeten voor dit feit en heeft hij zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis van 25 maart 2025 gehouden aan de stringente schorsingsvoorwaarden. Verzocht is te volstaan met een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren om als stok achter de deur te dienen
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen en stalking van [slachtoffer 1] ,
zijn ex-partner. Uit frustratie is de verdachte haar op verschillende manieren blijven benaderen, terwijl zij hem op verschillende manieren te kennen had gegeven dat zij geen contact met hem wenste. Hij heeft haar daarbij via sms- en appberichten, teksten op sociale media en telefoongesprekken op onbeschaamde, beledigende, intimiderende en bedreigende wijze bejegend. Door de vele berichten en telefoontjes heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zelfs andere personen ingeschakeld om in contact te komen met zijn ex-partner. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van zijn ex-partner. Hij heeft de auto waar zijn ex-partner en haar vader in zaten klemgereden. De verdachte heeft vervolgens doodsbedreigingen geuit en daarmee zijn ex-partner en haar vader ernstige vrees aangejaagd. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de vader, waaruit naar voren komt dat hij heeft gevreesd voor zijn leven en dat het feit een diepe indruk heeft achtergelaten bij hem en zijn dochter. De verdachte heeft voor die ernstige gevolgen van zijn handelen voor zijn ex-partner en haar vader kennelijk geen oog gehad, maar steeds gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om zijn ex-partner te spreken en - in plaats van zich te beheersen en een conflict op fatsoenlijke wijze op te lossen - zich op een onbehoorlijke en dreigende manier geuit. Het hof acht dit zeer kwalijk.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof evenwel aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en het voorwaardelijke deel ertoe dient de verdachte te motiveren zich niet opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarbij zal het hof als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een contactverbod opleggen. Hoewel de verdachte na de stalking in 2021 weliswaar geen contact meer met het slachtoffer heeft opgenomen, heeft hij het slachtoffer wel (indirect) bedreigd. Om die reden adviseert de reclassering, blijkens het rapport van 23 november 2023, een contactverbod en het hof neemt dit advies over. Daarnaast zal het hof, teneinde tegemoet te komen aan de ernst van de feiten en om de verdachte ervan te doordringen dat zijn gedrag onacceptabel is, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf van tien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van twee jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 375,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect -, anders dan door middel van een advocaat, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 7 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000550-22
Uitspraak : 7 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-068528-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van twee bedreigingen, telkens meermalen gepleegd, (feit 1 en 2) en een belaging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft bij het voorwaardelijke strafdeel, naast algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod opgelegd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen verdovende middelen is gelast dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Tot slot is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en/of namens de verdachte en de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de gronden waarop het berust en zal het vonnis om die reden bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de bepleite vrijspraak naar voren is gebracht heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging, zodat het hof dit feit overeenkomstig de gronden in het vonnis bewezen acht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht geen straf op te leggen die met zich brengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daartoe is aangevoerd dat de verdenkingen dateren van ruim drie jaar geleden en er geen contact meer is tussen de verdachte en aangeefster. De raadsman heeft erop gewezen dat uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat zowel het laatste fysieke geweldsdelict als de laatste bedreiging dateren van 2019 en dat de hij niet eerder verdachte is geweest van belaging. Voorts heeft de verdachte al een tijd vastgezeten voor dit feit en heeft hij zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis van 25 maart 2025 gehouden aan de stringente schorsingsvoorwaarden. Verzocht is te volstaan met een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren om als stok achter de deur te dienen
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen en stalking van [slachtoffer 1] ,
zijn ex-partner. Uit frustratie is de verdachte haar op verschillende manieren blijven benaderen, terwijl zij hem op verschillende manieren te kennen had gegeven dat zij geen contact met hem wenste. Hij heeft haar daarbij via sms- en appberichten, teksten op sociale media en telefoongesprekken op onbeschaamde, beledigende, intimiderende en bedreigende wijze bejegend. Door de vele berichten en telefoontjes heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zelfs andere personen ingeschakeld om in contact te komen met zijn ex-partner. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van zijn ex-partner. Hij heeft de auto waar zijn ex-partner en haar vader in zaten klemgereden. De verdachte heeft vervolgens doodsbedreigingen geuit en daarmee zijn ex-partner en haar vader ernstige vrees aangejaagd. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de vader, waaruit naar voren komt dat hij heeft gevreesd voor zijn leven en dat het feit een diepe indruk heeft achtergelaten bij hem en zijn dochter. De verdachte heeft voor die ernstige gevolgen van zijn handelen voor zijn ex-partner en haar vader kennelijk geen oog gehad, maar steeds gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om zijn ex-partner te spreken en - in plaats van zich te beheersen en een conflict op fatsoenlijke wijze op te lossen - zich op een onbehoorlijke en dreigende manier geuit. Het hof acht dit zeer kwalijk.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof evenwel aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en het voorwaardelijke deel ertoe dient de verdachte te motiveren zich niet opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarbij zal het hof als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een contactverbod opleggen. Hoewel de verdachte na de stalking in 2021 weliswaar geen contact meer met het slachtoffer heeft opgenomen, heeft hij het slachtoffer wel (indirect) bedreigd. Om die reden adviseert de reclassering, blijkens het rapport van 23 november 2023, een contactverbod en het hof neemt dit advies over. Daarnaast zal het hof, teneinde tegemoet te komen aan de ernst van de feiten en om de verdachte ervan te doordringen dat zijn gedrag onacceptabel is, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf van tien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van twee jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 375,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect -, anders dan door middel van een advocaat, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 7 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000550-22
Uitspraak : 7 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-068528-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van twee bedreigingen, telkens meermalen gepleegd, (feit 1 en 2) en een belaging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft bij het voorwaardelijke strafdeel, naast algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod opgelegd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen verdovende middelen is gelast dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Tot slot is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en/of namens de verdachte en de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de gronden waarop het berust en zal het vonnis om die reden bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de bepleite vrijspraak naar voren is gebracht heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging, zodat het hof dit feit overeenkomstig de gronden in het vonnis bewezen acht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht geen straf op te leggen die met zich brengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daartoe is aangevoerd dat de verdenkingen dateren van ruim drie jaar geleden en er geen contact meer is tussen de verdachte en aangeefster. De raadsman heeft erop gewezen dat uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat zowel het laatste fysieke geweldsdelict als de laatste bedreiging dateren van 2019 en dat de hij niet eerder verdachte is geweest van belaging. Voorts heeft de verdachte al een tijd vastgezeten voor dit feit en heeft hij zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis van 25 maart 2025 gehouden aan de stringente schorsingsvoorwaarden. Verzocht is te volstaan met een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren om als stok achter de deur te dienen
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen en stalking van [slachtoffer 1] ,
zijn ex-partner. Uit frustratie is de verdachte haar op verschillende manieren blijven benaderen, terwijl zij hem op verschillende manieren te kennen had gegeven dat zij geen contact met hem wenste. Hij heeft haar daarbij via sms- en appberichten, teksten op sociale media en telefoongesprekken op onbeschaamde, beledigende, intimiderende en bedreigende wijze bejegend. Door de vele berichten en telefoontjes heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zelfs andere personen ingeschakeld om in contact te komen met zijn ex-partner. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van zijn ex-partner. Hij heeft de auto waar zijn ex-partner en haar vader in zaten klemgereden. De verdachte heeft vervolgens doodsbedreigingen geuit en daarmee zijn ex-partner en haar vader ernstige vrees aangejaagd. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de vader, waaruit naar voren komt dat hij heeft gevreesd voor zijn leven en dat het feit een diepe indruk heeft achtergelaten bij hem en zijn dochter. De verdachte heeft voor die ernstige gevolgen van zijn handelen voor zijn ex-partner en haar vader kennelijk geen oog gehad, maar steeds gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om zijn ex-partner te spreken en - in plaats van zich te beheersen en een conflict op fatsoenlijke wijze op te lossen - zich op een onbehoorlijke en dreigende manier geuit. Het hof acht dit zeer kwalijk.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof evenwel aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en het voorwaardelijke deel ertoe dient de verdachte te motiveren zich niet opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarbij zal het hof als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een contactverbod opleggen. Hoewel de verdachte na de stalking in 2021 weliswaar geen contact meer met het slachtoffer heeft opgenomen, heeft hij het slachtoffer wel (indirect) bedreigd. Om die reden adviseert de reclassering, blijkens het rapport van 23 november 2023, een contactverbod en het hof neemt dit advies over. Daarnaast zal het hof, teneinde tegemoet te komen aan de ernst van de feiten en om de verdachte ervan te doordringen dat zijn gedrag onacceptabel is, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf van tien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van twee jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 375,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect -, anders dan door middel van een advocaat, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 7 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000550-22
Uitspraak : 7 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-068528-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van twee bedreigingen, telkens meermalen gepleegd, (feit 1 en 2) en een belaging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft bij het voorwaardelijke strafdeel, naast algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod opgelegd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen verdovende middelen is gelast dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Tot slot is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en/of namens de verdachte en de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de gronden waarop het berust en zal het vonnis om die reden bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de bepleite vrijspraak naar voren is gebracht heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging, zodat het hof dit feit overeenkomstig de gronden in het vonnis bewezen acht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht geen straf op te leggen die met zich brengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daartoe is aangevoerd dat de verdenkingen dateren van ruim drie jaar geleden en er geen contact meer is tussen de verdachte en aangeefster. De raadsman heeft erop gewezen dat uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat zowel het laatste fysieke geweldsdelict als de laatste bedreiging dateren van 2019 en dat de hij niet eerder verdachte is geweest van belaging. Voorts heeft de verdachte al een tijd vastgezeten voor dit feit en heeft hij zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis van 25 maart 2025 gehouden aan de stringente schorsingsvoorwaarden. Verzocht is te volstaan met een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren om als stok achter de deur te dienen
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen en stalking van [slachtoffer 1] ,
zijn ex-partner. Uit frustratie is de verdachte haar op verschillende manieren blijven benaderen, terwijl zij hem op verschillende manieren te kennen had gegeven dat zij geen contact met hem wenste. Hij heeft haar daarbij via sms- en appberichten, teksten op sociale media en telefoongesprekken op onbeschaamde, beledigende, intimiderende en bedreigende wijze bejegend. Door de vele berichten en telefoontjes heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zelfs andere personen ingeschakeld om in contact te komen met zijn ex-partner. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van zijn ex-partner. Hij heeft de auto waar zijn ex-partner en haar vader in zaten klemgereden. De verdachte heeft vervolgens doodsbedreigingen geuit en daarmee zijn ex-partner en haar vader ernstige vrees aangejaagd. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de vader, waaruit naar voren komt dat hij heeft gevreesd voor zijn leven en dat het feit een diepe indruk heeft achtergelaten bij hem en zijn dochter. De verdachte heeft voor die ernstige gevolgen van zijn handelen voor zijn ex-partner en haar vader kennelijk geen oog gehad, maar steeds gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om zijn ex-partner te spreken en - in plaats van zich te beheersen en een conflict op fatsoenlijke wijze op te lossen - zich op een onbehoorlijke en dreigende manier geuit. Het hof acht dit zeer kwalijk.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof evenwel aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en het voorwaardelijke deel ertoe dient de verdachte te motiveren zich niet opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarbij zal het hof als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een contactverbod opleggen. Hoewel de verdachte na de stalking in 2021 weliswaar geen contact meer met het slachtoffer heeft opgenomen, heeft hij het slachtoffer wel (indirect) bedreigd. Om die reden adviseert de reclassering, blijkens het rapport van 23 november 2023, een contactverbod en het hof neemt dit advies over. Daarnaast zal het hof, teneinde tegemoet te komen aan de ernst van de feiten en om de verdachte ervan te doordringen dat zijn gedrag onacceptabel is, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf van tien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van twee jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 375,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect -, anders dan door middel van een advocaat, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 7 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000550-22
Uitspraak : 7 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-068528-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van twee bedreigingen, telkens meermalen gepleegd, (feit 1 en 2) en een belaging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft bij het voorwaardelijke strafdeel, naast algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod opgelegd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen verdovende middelen is gelast dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Tot slot is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en/of namens de verdachte en de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de gronden waarop het berust en zal het vonnis om die reden bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de bepleite vrijspraak naar voren is gebracht heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging, zodat het hof dit feit overeenkomstig de gronden in het vonnis bewezen acht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht geen straf op te leggen die met zich brengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daartoe is aangevoerd dat de verdenkingen dateren van ruim drie jaar geleden en er geen contact meer is tussen de verdachte en aangeefster. De raadsman heeft erop gewezen dat uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat zowel het laatste fysieke geweldsdelict als de laatste bedreiging dateren van 2019 en dat de hij niet eerder verdachte is geweest van belaging. Voorts heeft de verdachte al een tijd vastgezeten voor dit feit en heeft hij zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis van 25 maart 2025 gehouden aan de stringente schorsingsvoorwaarden. Verzocht is te volstaan met een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren om als stok achter de deur te dienen
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen en stalking van [slachtoffer 1] ,
zijn ex-partner. Uit frustratie is de verdachte haar op verschillende manieren blijven benaderen, terwijl zij hem op verschillende manieren te kennen had gegeven dat zij geen contact met hem wenste. Hij heeft haar daarbij via sms- en appberichten, teksten op sociale media en telefoongesprekken op onbeschaamde, beledigende, intimiderende en bedreigende wijze bejegend. Door de vele berichten en telefoontjes heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zelfs andere personen ingeschakeld om in contact te komen met zijn ex-partner. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van zijn ex-partner. Hij heeft de auto waar zijn ex-partner en haar vader in zaten klemgereden. De verdachte heeft vervolgens doodsbedreigingen geuit en daarmee zijn ex-partner en haar vader ernstige vrees aangejaagd. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de vader, waaruit naar voren komt dat hij heeft gevreesd voor zijn leven en dat het feit een diepe indruk heeft achtergelaten bij hem en zijn dochter. De verdachte heeft voor die ernstige gevolgen van zijn handelen voor zijn ex-partner en haar vader kennelijk geen oog gehad, maar steeds gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om zijn ex-partner te spreken en - in plaats van zich te beheersen en een conflict op fatsoenlijke wijze op te lossen - zich op een onbehoorlijke en dreigende manier geuit. Het hof acht dit zeer kwalijk.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof evenwel aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en het voorwaardelijke deel ertoe dient de verdachte te motiveren zich niet opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarbij zal het hof als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een contactverbod opleggen. Hoewel de verdachte na de stalking in 2021 weliswaar geen contact meer met het slachtoffer heeft opgenomen, heeft hij het slachtoffer wel (indirect) bedreigd. Om die reden adviseert de reclassering, blijkens het rapport van 23 november 2023, een contactverbod en het hof neemt dit advies over. Daarnaast zal het hof, teneinde tegemoet te komen aan de ernst van de feiten en om de verdachte ervan te doordringen dat zijn gedrag onacceptabel is, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf van tien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van twee jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 375,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect -, anders dan door middel van een advocaat, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 7 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-000550-22
Uitspraak : 7 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 maart 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-068528-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van twee bedreigingen, telkens meermalen gepleegd, (feit 1 en 2) en een belaging (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft bij het voorwaardelijke strafdeel, naast algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een contactverbod opgelegd. Ten aanzien van de inbeslaggenomen verdovende middelen is gelast dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Tot slot is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en/of namens de verdachte en de benadeelde partij naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep integraal wordt bevestigd.
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging en een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en de gronden waarop het berust en zal het vonnis om die reden bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van de bepleite vrijspraak naar voren is gebracht heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde bedreiging, zodat het hof dit feit overeenkomstig de gronden in het vonnis bewezen acht.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De raadsman heeft in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht geen straf op te leggen die met zich brengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Daartoe is aangevoerd dat de verdenkingen dateren van ruim drie jaar geleden en er geen contact meer is tussen de verdachte en aangeefster. De raadsman heeft erop gewezen dat uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat zowel het laatste fysieke geweldsdelict als de laatste bedreiging dateren van 2019 en dat de hij niet eerder verdachte is geweest van belaging. Voorts heeft de verdachte al een tijd vastgezeten voor dit feit en heeft hij zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis van 25 maart 2025 gehouden aan de stringente schorsingsvoorwaarden. Verzocht is te volstaan met een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren om als stok achter de deur te dienen
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen en stalking van [slachtoffer 1] ,
zijn ex-partner. Uit frustratie is de verdachte haar op verschillende manieren blijven benaderen, terwijl zij hem op verschillende manieren te kennen had gegeven dat zij geen contact met hem wenste. Hij heeft haar daarbij via sms- en appberichten, teksten op sociale media en telefoongesprekken op onbeschaamde, beledigende, intimiderende en bedreigende wijze bejegend. Door de vele berichten en telefoontjes heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. De verdachte heeft zelfs andere personen ingeschakeld om in contact te komen met zijn ex-partner. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan bedreiging van de vader van zijn ex-partner. Hij heeft de auto waar zijn ex-partner en haar vader in zaten klemgereden. De verdachte heeft vervolgens doodsbedreigingen geuit en daarmee zijn ex-partner en haar vader ernstige vrees aangejaagd. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van de vader, waaruit naar voren komt dat hij heeft gevreesd voor zijn leven en dat het feit een diepe indruk heeft achtergelaten bij hem en zijn dochter. De verdachte heeft voor die ernstige gevolgen van zijn handelen voor zijn ex-partner en haar vader kennelijk geen oog gehad, maar steeds gehandeld vanuit zijn eigen behoefte om zijn ex-partner te spreken en - in plaats van zich te beheersen en een conflict op fatsoenlijke wijze op te lossen - zich op een onbehoorlijke en dreigende manier geuit. Het hof acht dit zeer kwalijk.
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. In hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht ziet het hof evenwel aanleiding een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en het voorwaardelijke deel ertoe dient de verdachte te motiveren zich niet opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Daarbij zal het hof als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een contactverbod opleggen. Hoewel de verdachte na de stalking in 2021 weliswaar geen contact meer met het slachtoffer heeft opgenomen, heeft hij het slachtoffer wel (indirect) bedreigd. Om die reden adviseert de reclassering, blijkens het rapport van 23 november 2023, een contactverbod en het hof neemt dit advies over. Daarnaast zal het hof, teneinde tegemoet te komen aan de ernst van de feiten en om de verdachte ervan te doordringen dat zijn gedrag onacceptabel is, een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis, in combinatie met een gevangenisstraf van tien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een proeftijd van twee jaren en een contactverbod als bijzondere voorwaarde, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 375,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect -, anders dan door middel van een advocaat, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. M.M. Koevoets, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 7 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.