Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-07-26
ECLI:NL:GHSHE:2024:2436
Strafrecht
Hoger beroep
6,798 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001853-20 (OWV)
Uitspraak : 26 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 augustus 2020 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-993233-14 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 1.000,00 en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de te vorderen gijzeling is daarbij bepaald op ten hoogste 20 dagen.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
de vordering primair zal afwijzen, indien en voor zover het hof beslist dat het ‘verdwenen geldbedrag’ in de hoofdzaak, verbeurd wordt verklaard;
subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene, medebetrokkene [medeverdachte 1] en medebetrokkene [medeverdachte 2] , op een bedrag van € 67.500,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen;
meer subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte 1] , op een bedrag van € 101.250,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen.
Van de zijde van de betrokkene is bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld kan worden op een bedrag van € 1.000,00.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij arrest van dit hof van 26 juli 2024 in de onderliggende strafzaak met parketnummer
20-002280-17 is betrokkene ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft bewezen geacht – kort samengevat – dat hij op 8 april 2014 met anderen ongeveer 65,65 kilogram van een materiaal bevattende MDMA heeft verkocht. Het totale geldbedrag, te weten € 202.500,00 dat bij de pseudokoop op 8 april 2014 door de kopers is overhandigd, is in de strafzaken tegen betrokkene en zijn medebetrokkenen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] overeenkomstig de toepasselijke bepalingen voor verbeurdverklaring verbeurdverklaard.
Gelet op het voorgaande wijst het hof, conform het primaire verzoek van de advocaat-generaal, de vordering af.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,
en op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001853-20 (OWV)
Uitspraak : 26 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 augustus 2020 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-993233-14 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 1.000,00 en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de te vorderen gijzeling is daarbij bepaald op ten hoogste 20 dagen.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
de vordering primair zal afwijzen, indien en voor zover het hof beslist dat het ‘verdwenen geldbedrag’ in de hoofdzaak, verbeurd wordt verklaard;
subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene, medebetrokkene [medeverdachte 1] en medebetrokkene [medeverdachte 2] , op een bedrag van € 67.500,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen;
meer subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte 1] , op een bedrag van € 101.250,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen.
Van de zijde van de betrokkene is bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld kan worden op een bedrag van € 1.000,00.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij arrest van dit hof van 26 juli 2024 in de onderliggende strafzaak met parketnummer
20-002280-17 is betrokkene ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft bewezen geacht – kort samengevat – dat hij op 8 april 2014 met anderen ongeveer 65,65 kilogram van een materiaal bevattende MDMA heeft verkocht. Het totale geldbedrag, te weten € 202.500,00 dat bij de pseudokoop op 8 april 2014 door de kopers is overhandigd, is in de strafzaken tegen betrokkene en zijn medebetrokkenen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] overeenkomstig de toepasselijke bepalingen voor verbeurdverklaring verbeurdverklaard.
Gelet op het voorgaande wijst het hof, conform het primaire verzoek van de advocaat-generaal, de vordering af.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,
en op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001853-20 (OWV)
Uitspraak : 26 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 augustus 2020 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-993233-14 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 1.000,00 en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de te vorderen gijzeling is daarbij bepaald op ten hoogste 20 dagen.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
de vordering primair zal afwijzen, indien en voor zover het hof beslist dat het ‘verdwenen geldbedrag’ in de hoofdzaak, verbeurd wordt verklaard;
subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene, medebetrokkene [medeverdachte 1] en medebetrokkene [medeverdachte 2] , op een bedrag van € 67.500,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen;
meer subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte 1] , op een bedrag van € 101.250,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen.
Van de zijde van de betrokkene is bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld kan worden op een bedrag van € 1.000,00.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij arrest van dit hof van 26 juli 2024 in de onderliggende strafzaak met parketnummer
20-002280-17 is betrokkene ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft bewezen geacht – kort samengevat – dat hij op 8 april 2014 met anderen ongeveer 65,65 kilogram van een materiaal bevattende MDMA heeft verkocht. Het totale geldbedrag, te weten € 202.500,00 dat bij de pseudokoop op 8 april 2014 door de kopers is overhandigd, is in de strafzaken tegen betrokkene en zijn medebetrokkenen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] overeenkomstig de toepasselijke bepalingen voor verbeurdverklaring verbeurdverklaard.
Gelet op het voorgaande wijst het hof, conform het primaire verzoek van de advocaat-generaal, de vordering af.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,
en op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001853-20 (OWV)
Uitspraak : 26 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 augustus 2020 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-993233-14 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 1.000,00 en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de te vorderen gijzeling is daarbij bepaald op ten hoogste 20 dagen.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
de vordering primair zal afwijzen, indien en voor zover het hof beslist dat het ‘verdwenen geldbedrag’ in de hoofdzaak, verbeurd wordt verklaard;
subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene, medebetrokkene [medeverdachte 1] en medebetrokkene [medeverdachte 2] , op een bedrag van € 67.500,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen;
meer subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte 1] , op een bedrag van € 101.250,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen.
Van de zijde van de betrokkene is bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld kan worden op een bedrag van € 1.000,00.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij arrest van dit hof van 26 juli 2024 in de onderliggende strafzaak met parketnummer
20-002280-17 is betrokkene ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft bewezen geacht – kort samengevat – dat hij op 8 april 2014 met anderen ongeveer 65,65 kilogram van een materiaal bevattende MDMA heeft verkocht. Het totale geldbedrag, te weten € 202.500,00 dat bij de pseudokoop op 8 april 2014 door de kopers is overhandigd, is in de strafzaken tegen betrokkene en zijn medebetrokkenen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] overeenkomstig de toepasselijke bepalingen voor verbeurdverklaring verbeurdverklaard.
Gelet op het voorgaande wijst het hof, conform het primaire verzoek van de advocaat-generaal, de vordering af.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,
en op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001853-20 (OWV)
Uitspraak : 26 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 augustus 2020 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-993233-14 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 1.000,00 en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de te vorderen gijzeling is daarbij bepaald op ten hoogste 20 dagen.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
de vordering primair zal afwijzen, indien en voor zover het hof beslist dat het ‘verdwenen geldbedrag’ in de hoofdzaak, verbeurd wordt verklaard;
subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene, medebetrokkene [medeverdachte 1] en medebetrokkene [medeverdachte 2] , op een bedrag van € 67.500,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen;
meer subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte 1] , op een bedrag van € 101.250,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen.
Van de zijde van de betrokkene is bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld kan worden op een bedrag van € 1.000,00.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij arrest van dit hof van 26 juli 2024 in de onderliggende strafzaak met parketnummer
20-002280-17 is betrokkene ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft bewezen geacht – kort samengevat – dat hij op 8 april 2014 met anderen ongeveer 65,65 kilogram van een materiaal bevattende MDMA heeft verkocht. Het totale geldbedrag, te weten € 202.500,00 dat bij de pseudokoop op 8 april 2014 door de kopers is overhandigd, is in de strafzaken tegen betrokkene en zijn medebetrokkenen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] overeenkomstig de toepasselijke bepalingen voor verbeurdverklaring verbeurdverklaard.
Gelet op het voorgaande wijst het hof, conform het primaire verzoek van de advocaat-generaal, de vordering af.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,
en op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001853-20 (OWV)
Uitspraak : 26 juli 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 augustus 2020 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-993233-14 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 1.000,00 en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de te vorderen gijzeling is daarbij bepaald op ten hoogste 20 dagen.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek van de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de beslissing waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
de vordering primair zal afwijzen, indien en voor zover het hof beslist dat het ‘verdwenen geldbedrag’ in de hoofdzaak, verbeurd wordt verklaard;
subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene, medebetrokkene [medeverdachte 1] en medebetrokkene [medeverdachte 2] , op een bedrag van € 67.500,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen;
meer subsidiair het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen, gelet op de pondsgewijze verdeling over de betrokkene en medebetrokkene [medeverdachte 1] , op een bedrag van € 101.250,00 en vervolgens aan de betrokkene de verplichting zal opleggen om dat bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen.
Van de zijde van de betrokkene is bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld kan worden op een bedrag van € 1.000,00.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij arrest van dit hof van 26 juli 2024 in de onderliggende strafzaak met parketnummer
20-002280-17 is betrokkene ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft bewezen geacht – kort samengevat – dat hij op 8 april 2014 met anderen ongeveer 65,65 kilogram van een materiaal bevattende MDMA heeft verkocht. Het totale geldbedrag, te weten € 202.500,00 dat bij de pseudokoop op 8 april 2014 door de kopers is overhandigd, is in de strafzaken tegen betrokkene en zijn medebetrokkenen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] overeenkomstig de toepasselijke bepalingen voor verbeurdverklaring verbeurdverklaard.
Gelet op het voorgaande wijst het hof, conform het primaire verzoek van de advocaat-generaal, de vordering af.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,
en op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.