Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-07-17
ECLI:NL:GHSHE:2024:2310
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
14,088 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/1450
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 augustus 2022, nummer SHE 21/470, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond,
hierna: de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) per 1 januari 2019 vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen [persoon] als medebelanghebbende. De heffingsambtenaar heeft voor de zitting laten weten dat hij niet zal verschijnen.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per de waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 788.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd naar € 759.000 en de aanslag evenredig verminderd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de zaak ter verdere behandeling en beslissing op het bezwaarschrift teruggewezen naar de heffingsambtenaar. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500 en tot vergoeding van de proceskosten van € 1.518.
Geschil
3.2.
Belanghebbende concludeert tot toekenning van een vergoeding van in totaal € 1.000.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende betoogt dat zijn bezwaarschrift is ontvangen op 30 januari 2020. Dat betekent, volgens belanghebbende, dat de redelijke termijn was overschreden met zeven maanden en niet met zes maanden, toen de rechtbank op 5 augustus 2022 uitspraak deed. Belanghebbende betoogt dat hij daarom aanspraak kan maken op een vergoeding van in totaal € 1.000.
4.2.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden, indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen.
4.3.
Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een ontvangstbevestiging van de heffingsambtenaar overgelegd, waaruit volgt dat deze zijn bezwaarschrift op 30 januari 2020 heeft ontvangen. De heffingsambtenaar heeft dit niet weersproken. De rechtbank heeft op 5 augustus 2022 uitspraak gedaan. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure in de beroeps- en bezwaarfase met zeven maanden is overschreden. Deze overschrijding is geheel te wijten aan de heffingsambtenaar, aangezien de bezwaarfase afgerond naar boven 13 maanden heeft geduurd. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding.
4.4.
Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) 1 jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van in totaal € 1.000, onder verrekening van hetgeen de heffingsambtenaar naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft betaald.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het hof is van oordeel dat aanleiding bestaat om het griffierecht in hoger beroep van € 136 aan belanghebbende te laten vergoeden, omdat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.7.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) x € 875 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 218,75. Dit bedrag wordt vermeerderd met een bedrag aan reis- en verletkosten van de medebelanghebbende voor het bijwonen van de zitting van respectievelijk € 20 en € 188,04, dit is in totaal € 208,04.
4.8.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de vergoeding van de immateriële schadevergoeding;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 1.000;
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 426,79.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, P.W.A. van Geloven en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
K.M.J. van der Vorst J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
1 punt voor het hoger beroepschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
3 x € 62,68 het door de medebelanghebbende onbestreden gestelde uurtarief.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/1450
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 augustus 2022, nummer SHE 21/470, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond,
hierna: de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) per 1 januari 2019 vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen [persoon] als medebelanghebbende. De heffingsambtenaar heeft voor de zitting laten weten dat hij niet zal verschijnen.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per de waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 788.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd naar € 759.000 en de aanslag evenredig verminderd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de zaak ter verdere behandeling en beslissing op het bezwaarschrift teruggewezen naar de heffingsambtenaar. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500 en tot vergoeding van de proceskosten van € 1.518.
Geschil
3.2.
Belanghebbende concludeert tot toekenning van een vergoeding van in totaal € 1.000.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende betoogt dat zijn bezwaarschrift is ontvangen op 30 januari 2020. Dat betekent, volgens belanghebbende, dat de redelijke termijn was overschreden met zeven maanden en niet met zes maanden, toen de rechtbank op 5 augustus 2022 uitspraak deed. Belanghebbende betoogt dat hij daarom aanspraak kan maken op een vergoeding van in totaal € 1.000.
4.2.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden, indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen.
4.3.
Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een ontvangstbevestiging van de heffingsambtenaar overgelegd, waaruit volgt dat deze zijn bezwaarschrift op 30 januari 2020 heeft ontvangen. De heffingsambtenaar heeft dit niet weersproken. De rechtbank heeft op 5 augustus 2022 uitspraak gedaan. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure in de beroeps- en bezwaarfase met zeven maanden is overschreden. Deze overschrijding is geheel te wijten aan de heffingsambtenaar, aangezien de bezwaarfase afgerond naar boven 13 maanden heeft geduurd. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding.
4.4.
Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) 1 jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van in totaal € 1.000, onder verrekening van hetgeen de heffingsambtenaar naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft betaald.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het hof is van oordeel dat aanleiding bestaat om het griffierecht in hoger beroep van € 136 aan belanghebbende te laten vergoeden, omdat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.7.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) x € 875 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 218,75. Dit bedrag wordt vermeerderd met een bedrag aan reis- en verletkosten van de medebelanghebbende voor het bijwonen van de zitting van respectievelijk € 20 en € 188,04, dit is in totaal € 208,04.
4.8.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de vergoeding van de immateriële schadevergoeding;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 1.000;
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 426,79.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, P.W.A. van Geloven en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
K.M.J. van der Vorst J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
1 punt voor het hoger beroepschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
3 x € 62,68 het door de medebelanghebbende onbestreden gestelde uurtarief.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/1450
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 augustus 2022, nummer SHE 21/470, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond,
hierna: de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) per 1 januari 2019 vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen [persoon] als medebelanghebbende. De heffingsambtenaar heeft voor de zitting laten weten dat hij niet zal verschijnen.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per de waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 788.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd naar € 759.000 en de aanslag evenredig verminderd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de zaak ter verdere behandeling en beslissing op het bezwaarschrift teruggewezen naar de heffingsambtenaar. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500 en tot vergoeding van de proceskosten van € 1.518.
Geschil
3.2.
Belanghebbende concludeert tot toekenning van een vergoeding van in totaal € 1.000.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende betoogt dat zijn bezwaarschrift is ontvangen op 30 januari 2020. Dat betekent, volgens belanghebbende, dat de redelijke termijn was overschreden met zeven maanden en niet met zes maanden, toen de rechtbank op 5 augustus 2022 uitspraak deed. Belanghebbende betoogt dat hij daarom aanspraak kan maken op een vergoeding van in totaal € 1.000.
4.2.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden, indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen.
4.3.
Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een ontvangstbevestiging van de heffingsambtenaar overgelegd, waaruit volgt dat deze zijn bezwaarschrift op 30 januari 2020 heeft ontvangen. De heffingsambtenaar heeft dit niet weersproken. De rechtbank heeft op 5 augustus 2022 uitspraak gedaan. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure in de beroeps- en bezwaarfase met zeven maanden is overschreden. Deze overschrijding is geheel te wijten aan de heffingsambtenaar, aangezien de bezwaarfase afgerond naar boven 13 maanden heeft geduurd. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding.
4.4.
Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) 1 jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van in totaal € 1.000, onder verrekening van hetgeen de heffingsambtenaar naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft betaald.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het hof is van oordeel dat aanleiding bestaat om het griffierecht in hoger beroep van € 136 aan belanghebbende te laten vergoeden, omdat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.7.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) x € 875 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 218,75. Dit bedrag wordt vermeerderd met een bedrag aan reis- en verletkosten van de medebelanghebbende voor het bijwonen van de zitting van respectievelijk € 20 en € 188,04, dit is in totaal € 208,04.
4.8.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de vergoeding van de immateriële schadevergoeding;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 1.000;
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 426,79.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, P.W.A. van Geloven en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
K.M.J. van der Vorst J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
1 punt voor het hoger beroepschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
3 x € 62,68 het door de medebelanghebbende onbestreden gestelde uurtarief.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/1450
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 augustus 2022, nummer SHE 21/470, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond,
hierna: de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) per 1 januari 2019 vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen [persoon] als medebelanghebbende. De heffingsambtenaar heeft voor de zitting laten weten dat hij niet zal verschijnen.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per de waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 788.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd naar € 759.000 en de aanslag evenredig verminderd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de zaak ter verdere behandeling en beslissing op het bezwaarschrift teruggewezen naar de heffingsambtenaar. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500 en tot vergoeding van de proceskosten van € 1.518.
Geschil
3.2.
Belanghebbende concludeert tot toekenning van een vergoeding van in totaal € 1.000.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende betoogt dat zijn bezwaarschrift is ontvangen op 30 januari 2020. Dat betekent, volgens belanghebbende, dat de redelijke termijn was overschreden met zeven maanden en niet met zes maanden, toen de rechtbank op 5 augustus 2022 uitspraak deed. Belanghebbende betoogt dat hij daarom aanspraak kan maken op een vergoeding van in totaal € 1.000.
4.2.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden, indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen.
4.3.
Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een ontvangstbevestiging van de heffingsambtenaar overgelegd, waaruit volgt dat deze zijn bezwaarschrift op 30 januari 2020 heeft ontvangen. De heffingsambtenaar heeft dit niet weersproken. De rechtbank heeft op 5 augustus 2022 uitspraak gedaan. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure in de beroeps- en bezwaarfase met zeven maanden is overschreden. Deze overschrijding is geheel te wijten aan de heffingsambtenaar, aangezien de bezwaarfase afgerond naar boven 13 maanden heeft geduurd. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding.
4.4.
Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) 1 jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van in totaal € 1.000, onder verrekening van hetgeen de heffingsambtenaar naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft betaald.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het hof is van oordeel dat aanleiding bestaat om het griffierecht in hoger beroep van € 136 aan belanghebbende te laten vergoeden, omdat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.7.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) x € 875 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 218,75. Dit bedrag wordt vermeerderd met een bedrag aan reis- en verletkosten van de medebelanghebbende voor het bijwonen van de zitting van respectievelijk € 20 en € 188,04, dit is in totaal € 208,04.
4.8.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de vergoeding van de immateriële schadevergoeding;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 1.000;
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 426,79.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, P.W.A. van Geloven en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
K.M.J. van der Vorst J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
1 punt voor het hoger beroepschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
3 x € 62,68 het door de medebelanghebbende onbestreden gestelde uurtarief.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/1450
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 augustus 2022, nummer SHE 21/470, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond,
hierna: de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) per 1 januari 2019 vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen [persoon] als medebelanghebbende. De heffingsambtenaar heeft voor de zitting laten weten dat hij niet zal verschijnen.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per de waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 788.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd naar € 759.000 en de aanslag evenredig verminderd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de zaak ter verdere behandeling en beslissing op het bezwaarschrift teruggewezen naar de heffingsambtenaar. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500 en tot vergoeding van de proceskosten van € 1.518.
Geschil
3.2.
Belanghebbende concludeert tot toekenning van een vergoeding van in totaal € 1.000.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende betoogt dat zijn bezwaarschrift is ontvangen op 30 januari 2020. Dat betekent, volgens belanghebbende, dat de redelijke termijn was overschreden met zeven maanden en niet met zes maanden, toen de rechtbank op 5 augustus 2022 uitspraak deed. Belanghebbende betoogt dat hij daarom aanspraak kan maken op een vergoeding van in totaal € 1.000.
4.2.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden, indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen.
4.3.
Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een ontvangstbevestiging van de heffingsambtenaar overgelegd, waaruit volgt dat deze zijn bezwaarschrift op 30 januari 2020 heeft ontvangen. De heffingsambtenaar heeft dit niet weersproken. De rechtbank heeft op 5 augustus 2022 uitspraak gedaan. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure in de beroeps- en bezwaarfase met zeven maanden is overschreden. Deze overschrijding is geheel te wijten aan de heffingsambtenaar, aangezien de bezwaarfase afgerond naar boven 13 maanden heeft geduurd. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding.
4.4.
Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) 1 jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van in totaal € 1.000, onder verrekening van hetgeen de heffingsambtenaar naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft betaald.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het hof is van oordeel dat aanleiding bestaat om het griffierecht in hoger beroep van € 136 aan belanghebbende te laten vergoeden, omdat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.7.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) x € 875 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 218,75. Dit bedrag wordt vermeerderd met een bedrag aan reis- en verletkosten van de medebelanghebbende voor het bijwonen van de zitting van respectievelijk € 20 en € 188,04, dit is in totaal € 208,04.
4.8.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de vergoeding van de immateriële schadevergoeding;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 1.000;
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 426,79.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, P.W.A. van Geloven en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
K.M.J. van der Vorst J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
1 punt voor het hoger beroepschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
3 x € 62,68 het door de medebelanghebbende onbestreden gestelde uurtarief.
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/1450
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 augustus 2022, nummer SHE 21/470, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond,
hierna: de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) per 1 januari 2019 vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen [persoon] als medebelanghebbende. De heffingsambtenaar heeft voor de zitting laten weten dat hij niet zal verschijnen.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per de waardepeildatum 1 januari 2019 vastgesteld op € 788.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd naar € 759.000 en de aanslag evenredig verminderd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de zaak ter verdere behandeling en beslissing op het bezwaarschrift teruggewezen naar de heffingsambtenaar. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500 en tot vergoeding van de proceskosten van € 1.518.
Geschil
3.2.
Belanghebbende concludeert tot toekenning van een vergoeding van in totaal € 1.000.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende betoogt dat zijn bezwaarschrift is ontvangen op 30 januari 2020. Dat betekent, volgens belanghebbende, dat de redelijke termijn was overschreden met zeven maanden en niet met zes maanden, toen de rechtbank op 5 augustus 2022 uitspraak deed. Belanghebbende betoogt dat hij daarom aanspraak kan maken op een vergoeding van in totaal € 1.000.
4.2.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden, indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen.
4.3.
Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een ontvangstbevestiging van de heffingsambtenaar overgelegd, waaruit volgt dat deze zijn bezwaarschrift op 30 januari 2020 heeft ontvangen. De heffingsambtenaar heeft dit niet weersproken. De rechtbank heeft op 5 augustus 2022 uitspraak gedaan. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure in de beroeps- en bezwaarfase met zeven maanden is overschreden. Deze overschrijding is geheel te wijten aan de heffingsambtenaar, aangezien de bezwaarfase afgerond naar boven 13 maanden heeft geduurd. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding.
4.4.
Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) 1 jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van in totaal € 1.000, onder verrekening van hetgeen de heffingsambtenaar naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft betaald.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het hof is van oordeel dat aanleiding bestaat om het griffierecht in hoger beroep van € 136 aan belanghebbende te laten vergoeden, omdat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.7.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) x € 875 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 218,75. Dit bedrag wordt vermeerderd met een bedrag aan reis- en verletkosten van de medebelanghebbende voor het bijwonen van de zitting van respectievelijk € 20 en € 188,04, dit is in totaal € 208,04.
4.8.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de vergoeding van de immateriële schadevergoeding;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 1.000;
bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 426,79.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, P.W.A. van Geloven en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
K.M.J. van der Vorst J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
1 punt voor het hoger beroepschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
3 x € 62,68 het door de medebelanghebbende onbestreden gestelde uurtarief.