Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-07-02
ECLI:NL:GHSHE:2024:2166
Strafrecht
Hoger beroep
40,535 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001907-21
Uitspraak : 2 juli 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-993327-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast aan de verdachte van drie mobiele telefoons.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 20.000,00.
De raadsvrouw van de verdachte heeft partiële vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht om een last tot teruggave aan de verdachte van een grijze mobiele telefoon (iPhone) en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 juni 2018 te IJsselstein en/of Nieuwegein en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), te weten: - € 19.800,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) en/of - € 62.865,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) en/of - € 130.375,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 3] ),de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 21 februari 2017 tot en met 19 maart 2018 in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Het onderzoek Niger is opgestart op 23 januari 2018 naar aanleiding van meldingen bij het Meldpunt verdachte transacties chemicaliën van de Belastingdienst/FIOD. Het vermoeden bestond dat de chemicaliën gebruikt zouden worden bij de vervaardiging van drugs. Bij de bestelling en aflevering van chemicaliën kwam onder andere als verdachte naar voren [medeverdachte] , geboren [geboortedag medeverdachte] 1964, zijnde de vader van de verdachte.
Uit het onderzoek Niger komt naar voren dat de verdachte een eenmanszaak [eenmanszaak verdachte] had. De verdachte heeft drie bankrekeningen geopend, waarvan er één naar zijn zeggen (uitsluitend) ter beschikking gesteld is aan zijn vader (medeverdachte [medeverdachte] ). Zijn vader was betrokken bij de eenmanszaak in die zin dat hij financiële/administratieve werkzaamheden verrichtte. Op de rekeningen zijn aanzienlijke contante geldbedragen gestort, waarvan het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat die bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Ter verklaring van de herkomst van de contante stortingen zijn door de verdachte facturen in het geding gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens in hoger beroep door middel van een proces-verbaal van bevindingen een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de ingebrachte facturen en ten aanzien van een deel van de facturen geconstateerd dat niet kan worden uitgesloten dat het daadwerkelijk stortingen van contante betalingen voor geleverde diensten door [eenmanszaak verdachte] betreft.
Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van een deel van de contante stortingen, in die zin dat daarvan gezegd kan worden dat door het Openbaar Ministerie in voldoende mate is weerlegd dat die bedragen een legale herkomst hebben.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat (schuld)witwassen van geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als ondernemer bankrekeningen heeft gehad waarop contante gelden zijn gestort, onder andere door zijn vader, zonder daarover de nodige vragen te stellen terwijl die bedragen niet in overeenstemming waren met de bij de Belastingdienst aangegeven omzet van het bedrijf.
De vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , was ten tijde van het door de verdachte op zijn bankrekeningen voorhanden krijgen van de contante geldbedragen meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder andere) fraudedelicten en heeft daarvoor geruime tijd in detentie doorgebracht, van welke veroordelingen de verdachte – reeds omwille van de laatstgenoemde omstandigheid – moet hebben geweten. De verdachte heeft, ondanks de wetenschap van het criminele verleden van zijn vader, geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst van de aanzienlijke contante bedragen die op zijn rekeningen werden gestort, terwijl zulks wel van hem verlangd had mogen worden. De verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld ten aanzien van de herkomst van die geldbedragen. De verdachte had aldus redelijkerwijs moeten vermoeden dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
schuldwitwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Met het witwassen van criminele gelden tracht men illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechter niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Aan de verdachte is voorafgaand aan het bewezenverklaarde alleen een (met een veroordeling gelijk te stellen) strafbeschikking ter zake van overtreding van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opgelegd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de raadsvrouw van de verdachte ten overstaan van het hof naar voren zijn gebracht. De verdachte is zelfstandig ondernemer en maakt onder meer videoclips. Zijn onderneming loopt inmiddels steeds beter, nadat hij als gevolg van ruchtbaarheid die deze strafzaak heeft gekregen aanvankelijk de nodige klanten is kwijtgeraakt. Van de inkomsten uit zijn onderneming kan de verdachte rondkomen. De verdediging stelt dat de verdachte lering heeft getrokken uit deze voor hem impactvolle strafzaak. Zo accepteert hij bijvoorbeeld geen contante betalingen meer van klanten.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 26 november 2018 in verzekering is gesteld en voor het eerst door de FIOD is verhoord. De rechtbank heeft op 21 juli 2021 vonnis gewezen. Door de officier van justitie is op 3 augustus 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst heden – 2 juli 2024 – eindarrest. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 32 maanden. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep geldt dat de duur daarvan 34 maanden bedraagt.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in beide feitelijke instanties ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen taakstraf zal matigen met 50 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig de maatstaf van 2 uren per in voorarrest doorgebrachte dag.
Beslag
Tijdens het vooronderzoek is onder de verdachte strafvorderlijk beslag gelegd op drie mobiele telefoons.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mobiele telefoon van het merk Blackberry, een witte mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone) en een grijze mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone).
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. drs. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. T.S. Vos, griffiers,
en op 2 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001907-21
Uitspraak : 2 juli 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-993327-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast aan de verdachte van drie mobiele telefoons.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 20.000,00.
De raadsvrouw van de verdachte heeft partiële vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht om een last tot teruggave aan de verdachte van een grijze mobiele telefoon (iPhone) en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 juni 2018 te IJsselstein en/of Nieuwegein en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), te weten: - € 19.800,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) en/of - € 62.865,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) en/of - € 130.375,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 3] ),de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 21 februari 2017 tot en met 19 maart 2018 in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Het onderzoek Niger is opgestart op 23 januari 2018 naar aanleiding van meldingen bij het Meldpunt verdachte transacties chemicaliën van de Belastingdienst/FIOD. Het vermoeden bestond dat de chemicaliën gebruikt zouden worden bij de vervaardiging van drugs. Bij de bestelling en aflevering van chemicaliën kwam onder andere als verdachte naar voren [medeverdachte] , geboren [geboortedag medeverdachte] 1964, zijnde de vader van de verdachte.
Uit het onderzoek Niger komt naar voren dat de verdachte een eenmanszaak [eenmanszaak verdachte] had. De verdachte heeft drie bankrekeningen geopend, waarvan er één naar zijn zeggen (uitsluitend) ter beschikking gesteld is aan zijn vader (medeverdachte [medeverdachte] ). Zijn vader was betrokken bij de eenmanszaak in die zin dat hij financiële/administratieve werkzaamheden verrichtte. Op de rekeningen zijn aanzienlijke contante geldbedragen gestort, waarvan het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat die bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Ter verklaring van de herkomst van de contante stortingen zijn door de verdachte facturen in het geding gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens in hoger beroep door middel van een proces-verbaal van bevindingen een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de ingebrachte facturen en ten aanzien van een deel van de facturen geconstateerd dat niet kan worden uitgesloten dat het daadwerkelijk stortingen van contante betalingen voor geleverde diensten door [eenmanszaak verdachte] betreft.
Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van een deel van de contante stortingen, in die zin dat daarvan gezegd kan worden dat door het Openbaar Ministerie in voldoende mate is weerlegd dat die bedragen een legale herkomst hebben.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat (schuld)witwassen van geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als ondernemer bankrekeningen heeft gehad waarop contante gelden zijn gestort, onder andere door zijn vader, zonder daarover de nodige vragen te stellen terwijl die bedragen niet in overeenstemming waren met de bij de Belastingdienst aangegeven omzet van het bedrijf.
De vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , was ten tijde van het door de verdachte op zijn bankrekeningen voorhanden krijgen van de contante geldbedragen meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder andere) fraudedelicten en heeft daarvoor geruime tijd in detentie doorgebracht, van welke veroordelingen de verdachte – reeds omwille van de laatstgenoemde omstandigheid – moet hebben geweten. De verdachte heeft, ondanks de wetenschap van het criminele verleden van zijn vader, geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst van de aanzienlijke contante bedragen die op zijn rekeningen werden gestort, terwijl zulks wel van hem verlangd had mogen worden. De verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld ten aanzien van de herkomst van die geldbedragen. De verdachte had aldus redelijkerwijs moeten vermoeden dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
schuldwitwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Met het witwassen van criminele gelden tracht men illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechter niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Aan de verdachte is voorafgaand aan het bewezenverklaarde alleen een (met een veroordeling gelijk te stellen) strafbeschikking ter zake van overtreding van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opgelegd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de raadsvrouw van de verdachte ten overstaan van het hof naar voren zijn gebracht. De verdachte is zelfstandig ondernemer en maakt onder meer videoclips. Zijn onderneming loopt inmiddels steeds beter, nadat hij als gevolg van ruchtbaarheid die deze strafzaak heeft gekregen aanvankelijk de nodige klanten is kwijtgeraakt. Van de inkomsten uit zijn onderneming kan de verdachte rondkomen. De verdediging stelt dat de verdachte lering heeft getrokken uit deze voor hem impactvolle strafzaak. Zo accepteert hij bijvoorbeeld geen contante betalingen meer van klanten.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 26 november 2018 in verzekering is gesteld en voor het eerst door de FIOD is verhoord. De rechtbank heeft op 21 juli 2021 vonnis gewezen. Door de officier van justitie is op 3 augustus 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst heden – 2 juli 2024 – eindarrest. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 32 maanden. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep geldt dat de duur daarvan 34 maanden bedraagt.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in beide feitelijke instanties ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen taakstraf zal matigen met 50 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig de maatstaf van 2 uren per in voorarrest doorgebrachte dag.
Beslag
Tijdens het vooronderzoek is onder de verdachte strafvorderlijk beslag gelegd op drie mobiele telefoons.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mobiele telefoon van het merk Blackberry, een witte mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone) en een grijze mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone).
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. drs. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. T.S. Vos, griffiers,
en op 2 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001907-21
Uitspraak : 2 juli 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-993327-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast aan de verdachte van drie mobiele telefoons.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 20.000,00.
De raadsvrouw van de verdachte heeft partiële vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht om een last tot teruggave aan de verdachte van een grijze mobiele telefoon (iPhone) en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 juni 2018 te IJsselstein en/of Nieuwegein en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), te weten: - € 19.800,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) en/of - € 62.865,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) en/of - € 130.375,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 3] ),de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 21 februari 2017 tot en met 19 maart 2018 in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Het onderzoek Niger is opgestart op 23 januari 2018 naar aanleiding van meldingen bij het Meldpunt verdachte transacties chemicaliën van de Belastingdienst/FIOD. Het vermoeden bestond dat de chemicaliën gebruikt zouden worden bij de vervaardiging van drugs. Bij de bestelling en aflevering van chemicaliën kwam onder andere als verdachte naar voren [medeverdachte] , geboren [geboortedag medeverdachte] 1964, zijnde de vader van de verdachte.
Uit het onderzoek Niger komt naar voren dat de verdachte een eenmanszaak [eenmanszaak verdachte] had. De verdachte heeft drie bankrekeningen geopend, waarvan er één naar zijn zeggen (uitsluitend) ter beschikking gesteld is aan zijn vader (medeverdachte [medeverdachte] ). Zijn vader was betrokken bij de eenmanszaak in die zin dat hij financiële/administratieve werkzaamheden verrichtte. Op de rekeningen zijn aanzienlijke contante geldbedragen gestort, waarvan het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat die bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Ter verklaring van de herkomst van de contante stortingen zijn door de verdachte facturen in het geding gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens in hoger beroep door middel van een proces-verbaal van bevindingen een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de ingebrachte facturen en ten aanzien van een deel van de facturen geconstateerd dat niet kan worden uitgesloten dat het daadwerkelijk stortingen van contante betalingen voor geleverde diensten door [eenmanszaak verdachte] betreft.
Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van een deel van de contante stortingen, in die zin dat daarvan gezegd kan worden dat door het Openbaar Ministerie in voldoende mate is weerlegd dat die bedragen een legale herkomst hebben.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat (schuld)witwassen van geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als ondernemer bankrekeningen heeft gehad waarop contante gelden zijn gestort, onder andere door zijn vader, zonder daarover de nodige vragen te stellen terwijl die bedragen niet in overeenstemming waren met de bij de Belastingdienst aangegeven omzet van het bedrijf.
De vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , was ten tijde van het door de verdachte op zijn bankrekeningen voorhanden krijgen van de contante geldbedragen meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder andere) fraudedelicten en heeft daarvoor geruime tijd in detentie doorgebracht, van welke veroordelingen de verdachte – reeds omwille van de laatstgenoemde omstandigheid – moet hebben geweten. De verdachte heeft, ondanks de wetenschap van het criminele verleden van zijn vader, geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst van de aanzienlijke contante bedragen die op zijn rekeningen werden gestort, terwijl zulks wel van hem verlangd had mogen worden. De verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld ten aanzien van de herkomst van die geldbedragen. De verdachte had aldus redelijkerwijs moeten vermoeden dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
schuldwitwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Met het witwassen van criminele gelden tracht men illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechter niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Aan de verdachte is voorafgaand aan het bewezenverklaarde alleen een (met een veroordeling gelijk te stellen) strafbeschikking ter zake van overtreding van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opgelegd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de raadsvrouw van de verdachte ten overstaan van het hof naar voren zijn gebracht. De verdachte is zelfstandig ondernemer en maakt onder meer videoclips. Zijn onderneming loopt inmiddels steeds beter, nadat hij als gevolg van ruchtbaarheid die deze strafzaak heeft gekregen aanvankelijk de nodige klanten is kwijtgeraakt. Van de inkomsten uit zijn onderneming kan de verdachte rondkomen. De verdediging stelt dat de verdachte lering heeft getrokken uit deze voor hem impactvolle strafzaak. Zo accepteert hij bijvoorbeeld geen contante betalingen meer van klanten.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 26 november 2018 in verzekering is gesteld en voor het eerst door de FIOD is verhoord. De rechtbank heeft op 21 juli 2021 vonnis gewezen. Door de officier van justitie is op 3 augustus 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst heden – 2 juli 2024 – eindarrest. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 32 maanden. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep geldt dat de duur daarvan 34 maanden bedraagt.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in beide feitelijke instanties ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen taakstraf zal matigen met 50 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig de maatstaf van 2 uren per in voorarrest doorgebrachte dag.
Beslag
Tijdens het vooronderzoek is onder de verdachte strafvorderlijk beslag gelegd op drie mobiele telefoons.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mobiele telefoon van het merk Blackberry, een witte mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone) en een grijze mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone).
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. drs. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. T.S. Vos, griffiers,
en op 2 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001907-21
Uitspraak : 2 juli 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-993327-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast aan de verdachte van drie mobiele telefoons.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 20.000,00.
De raadsvrouw van de verdachte heeft partiële vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht om een last tot teruggave aan de verdachte van een grijze mobiele telefoon (iPhone) en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 juni 2018 te IJsselstein en/of Nieuwegein en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), te weten: - € 19.800,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) en/of - € 62.865,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) en/of - € 130.375,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 3] ),de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 21 februari 2017 tot en met 19 maart 2018 in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Het onderzoek Niger is opgestart op 23 januari 2018 naar aanleiding van meldingen bij het Meldpunt verdachte transacties chemicaliën van de Belastingdienst/FIOD. Het vermoeden bestond dat de chemicaliën gebruikt zouden worden bij de vervaardiging van drugs. Bij de bestelling en aflevering van chemicaliën kwam onder andere als verdachte naar voren [medeverdachte] , geboren [geboortedag medeverdachte] 1964, zijnde de vader van de verdachte.
Uit het onderzoek Niger komt naar voren dat de verdachte een eenmanszaak [eenmanszaak verdachte] had. De verdachte heeft drie bankrekeningen geopend, waarvan er één naar zijn zeggen (uitsluitend) ter beschikking gesteld is aan zijn vader (medeverdachte [medeverdachte] ). Zijn vader was betrokken bij de eenmanszaak in die zin dat hij financiële/administratieve werkzaamheden verrichtte. Op de rekeningen zijn aanzienlijke contante geldbedragen gestort, waarvan het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat die bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Ter verklaring van de herkomst van de contante stortingen zijn door de verdachte facturen in het geding gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens in hoger beroep door middel van een proces-verbaal van bevindingen een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de ingebrachte facturen en ten aanzien van een deel van de facturen geconstateerd dat niet kan worden uitgesloten dat het daadwerkelijk stortingen van contante betalingen voor geleverde diensten door [eenmanszaak verdachte] betreft.
Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van een deel van de contante stortingen, in die zin dat daarvan gezegd kan worden dat door het Openbaar Ministerie in voldoende mate is weerlegd dat die bedragen een legale herkomst hebben.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat (schuld)witwassen van geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als ondernemer bankrekeningen heeft gehad waarop contante gelden zijn gestort, onder andere door zijn vader, zonder daarover de nodige vragen te stellen terwijl die bedragen niet in overeenstemming waren met de bij de Belastingdienst aangegeven omzet van het bedrijf.
De vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , was ten tijde van het door de verdachte op zijn bankrekeningen voorhanden krijgen van de contante geldbedragen meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder andere) fraudedelicten en heeft daarvoor geruime tijd in detentie doorgebracht, van welke veroordelingen de verdachte – reeds omwille van de laatstgenoemde omstandigheid – moet hebben geweten. De verdachte heeft, ondanks de wetenschap van het criminele verleden van zijn vader, geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst van de aanzienlijke contante bedragen die op zijn rekeningen werden gestort, terwijl zulks wel van hem verlangd had mogen worden. De verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld ten aanzien van de herkomst van die geldbedragen. De verdachte had aldus redelijkerwijs moeten vermoeden dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
schuldwitwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Met het witwassen van criminele gelden tracht men illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechter niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Aan de verdachte is voorafgaand aan het bewezenverklaarde alleen een (met een veroordeling gelijk te stellen) strafbeschikking ter zake van overtreding van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opgelegd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de raadsvrouw van de verdachte ten overstaan van het hof naar voren zijn gebracht. De verdachte is zelfstandig ondernemer en maakt onder meer videoclips. Zijn onderneming loopt inmiddels steeds beter, nadat hij als gevolg van ruchtbaarheid die deze strafzaak heeft gekregen aanvankelijk de nodige klanten is kwijtgeraakt. Van de inkomsten uit zijn onderneming kan de verdachte rondkomen. De verdediging stelt dat de verdachte lering heeft getrokken uit deze voor hem impactvolle strafzaak. Zo accepteert hij bijvoorbeeld geen contante betalingen meer van klanten.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 26 november 2018 in verzekering is gesteld en voor het eerst door de FIOD is verhoord. De rechtbank heeft op 21 juli 2021 vonnis gewezen. Door de officier van justitie is op 3 augustus 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst heden – 2 juli 2024 – eindarrest. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 32 maanden. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep geldt dat de duur daarvan 34 maanden bedraagt.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in beide feitelijke instanties ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen taakstraf zal matigen met 50 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig de maatstaf van 2 uren per in voorarrest doorgebrachte dag.
Beslag
Tijdens het vooronderzoek is onder de verdachte strafvorderlijk beslag gelegd op drie mobiele telefoons.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mobiele telefoon van het merk Blackberry, een witte mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone) en een grijze mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone).
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. drs. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. T.S. Vos, griffiers,
en op 2 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001907-21
Uitspraak : 2 juli 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-993327-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast aan de verdachte van drie mobiele telefoons.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 20.000,00.
De raadsvrouw van de verdachte heeft partiële vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht om een last tot teruggave aan de verdachte van een grijze mobiele telefoon (iPhone) en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 juni 2018 te IJsselstein en/of Nieuwegein en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), te weten: - € 19.800,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) en/of - € 62.865,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) en/of - € 130.375,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 3] ),de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 21 februari 2017 tot en met 19 maart 2018 in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Het onderzoek Niger is opgestart op 23 januari 2018 naar aanleiding van meldingen bij het Meldpunt verdachte transacties chemicaliën van de Belastingdienst/FIOD. Het vermoeden bestond dat de chemicaliën gebruikt zouden worden bij de vervaardiging van drugs. Bij de bestelling en aflevering van chemicaliën kwam onder andere als verdachte naar voren [medeverdachte] , geboren [geboortedag medeverdachte] 1964, zijnde de vader van de verdachte.
Uit het onderzoek Niger komt naar voren dat de verdachte een eenmanszaak [eenmanszaak verdachte] had. De verdachte heeft drie bankrekeningen geopend, waarvan er één naar zijn zeggen (uitsluitend) ter beschikking gesteld is aan zijn vader (medeverdachte [medeverdachte] ). Zijn vader was betrokken bij de eenmanszaak in die zin dat hij financiële/administratieve werkzaamheden verrichtte. Op de rekeningen zijn aanzienlijke contante geldbedragen gestort, waarvan het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat die bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Ter verklaring van de herkomst van de contante stortingen zijn door de verdachte facturen in het geding gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens in hoger beroep door middel van een proces-verbaal van bevindingen een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de ingebrachte facturen en ten aanzien van een deel van de facturen geconstateerd dat niet kan worden uitgesloten dat het daadwerkelijk stortingen van contante betalingen voor geleverde diensten door [eenmanszaak verdachte] betreft.
Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van een deel van de contante stortingen, in die zin dat daarvan gezegd kan worden dat door het Openbaar Ministerie in voldoende mate is weerlegd dat die bedragen een legale herkomst hebben.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat (schuld)witwassen van geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als ondernemer bankrekeningen heeft gehad waarop contante gelden zijn gestort, onder andere door zijn vader, zonder daarover de nodige vragen te stellen terwijl die bedragen niet in overeenstemming waren met de bij de Belastingdienst aangegeven omzet van het bedrijf.
De vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , was ten tijde van het door de verdachte op zijn bankrekeningen voorhanden krijgen van de contante geldbedragen meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder andere) fraudedelicten en heeft daarvoor geruime tijd in detentie doorgebracht, van welke veroordelingen de verdachte – reeds omwille van de laatstgenoemde omstandigheid – moet hebben geweten. De verdachte heeft, ondanks de wetenschap van het criminele verleden van zijn vader, geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst van de aanzienlijke contante bedragen die op zijn rekeningen werden gestort, terwijl zulks wel van hem verlangd had mogen worden. De verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld ten aanzien van de herkomst van die geldbedragen. De verdachte had aldus redelijkerwijs moeten vermoeden dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
schuldwitwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Met het witwassen van criminele gelden tracht men illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechter niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Aan de verdachte is voorafgaand aan het bewezenverklaarde alleen een (met een veroordeling gelijk te stellen) strafbeschikking ter zake van overtreding van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opgelegd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de raadsvrouw van de verdachte ten overstaan van het hof naar voren zijn gebracht. De verdachte is zelfstandig ondernemer en maakt onder meer videoclips. Zijn onderneming loopt inmiddels steeds beter, nadat hij als gevolg van ruchtbaarheid die deze strafzaak heeft gekregen aanvankelijk de nodige klanten is kwijtgeraakt. Van de inkomsten uit zijn onderneming kan de verdachte rondkomen. De verdediging stelt dat de verdachte lering heeft getrokken uit deze voor hem impactvolle strafzaak. Zo accepteert hij bijvoorbeeld geen contante betalingen meer van klanten.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 26 november 2018 in verzekering is gesteld en voor het eerst door de FIOD is verhoord. De rechtbank heeft op 21 juli 2021 vonnis gewezen. Door de officier van justitie is op 3 augustus 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst heden – 2 juli 2024 – eindarrest. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 32 maanden. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep geldt dat de duur daarvan 34 maanden bedraagt.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in beide feitelijke instanties ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen taakstraf zal matigen met 50 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig de maatstaf van 2 uren per in voorarrest doorgebrachte dag.
Beslag
Tijdens het vooronderzoek is onder de verdachte strafvorderlijk beslag gelegd op drie mobiele telefoons.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mobiele telefoon van het merk Blackberry, een witte mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone) en een grijze mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone).
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. drs. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. T.S. Vos, griffiers,
en op 2 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001907-21
Uitspraak : 2 juli 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-993327-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast aan de verdachte van drie mobiele telefoons.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 20.000,00.
De raadsvrouw van de verdachte heeft partiële vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht om een last tot teruggave aan de verdachte van een grijze mobiele telefoon (iPhone) en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 juni 2018 te IJsselstein en/of Nieuwegein en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), te weten: - € 19.800,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) en/of - € 62.865,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) en/of - € 130.375,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 3] ),de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 21 februari 2017 tot en met 19 maart 2018 in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Het onderzoek Niger is opgestart op 23 januari 2018 naar aanleiding van meldingen bij het Meldpunt verdachte transacties chemicaliën van de Belastingdienst/FIOD. Het vermoeden bestond dat de chemicaliën gebruikt zouden worden bij de vervaardiging van drugs. Bij de bestelling en aflevering van chemicaliën kwam onder andere als verdachte naar voren [medeverdachte] , geboren [geboortedag medeverdachte] 1964, zijnde de vader van de verdachte.
Uit het onderzoek Niger komt naar voren dat de verdachte een eenmanszaak [eenmanszaak verdachte] had. De verdachte heeft drie bankrekeningen geopend, waarvan er één naar zijn zeggen (uitsluitend) ter beschikking gesteld is aan zijn vader (medeverdachte [medeverdachte] ). Zijn vader was betrokken bij de eenmanszaak in die zin dat hij financiële/administratieve werkzaamheden verrichtte. Op de rekeningen zijn aanzienlijke contante geldbedragen gestort, waarvan het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat die bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Ter verklaring van de herkomst van de contante stortingen zijn door de verdachte facturen in het geding gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens in hoger beroep door middel van een proces-verbaal van bevindingen een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de ingebrachte facturen en ten aanzien van een deel van de facturen geconstateerd dat niet kan worden uitgesloten dat het daadwerkelijk stortingen van contante betalingen voor geleverde diensten door [eenmanszaak verdachte] betreft.
Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van een deel van de contante stortingen, in die zin dat daarvan gezegd kan worden dat door het Openbaar Ministerie in voldoende mate is weerlegd dat die bedragen een legale herkomst hebben.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat (schuld)witwassen van geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als ondernemer bankrekeningen heeft gehad waarop contante gelden zijn gestort, onder andere door zijn vader, zonder daarover de nodige vragen te stellen terwijl die bedragen niet in overeenstemming waren met de bij de Belastingdienst aangegeven omzet van het bedrijf.
De vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , was ten tijde van het door de verdachte op zijn bankrekeningen voorhanden krijgen van de contante geldbedragen meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder andere) fraudedelicten en heeft daarvoor geruime tijd in detentie doorgebracht, van welke veroordelingen de verdachte – reeds omwille van de laatstgenoemde omstandigheid – moet hebben geweten. De verdachte heeft, ondanks de wetenschap van het criminele verleden van zijn vader, geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst van de aanzienlijke contante bedragen die op zijn rekeningen werden gestort, terwijl zulks wel van hem verlangd had mogen worden. De verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld ten aanzien van de herkomst van die geldbedragen. De verdachte had aldus redelijkerwijs moeten vermoeden dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
schuldwitwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Met het witwassen van criminele gelden tracht men illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechter niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Aan de verdachte is voorafgaand aan het bewezenverklaarde alleen een (met een veroordeling gelijk te stellen) strafbeschikking ter zake van overtreding van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opgelegd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de raadsvrouw van de verdachte ten overstaan van het hof naar voren zijn gebracht. De verdachte is zelfstandig ondernemer en maakt onder meer videoclips. Zijn onderneming loopt inmiddels steeds beter, nadat hij als gevolg van ruchtbaarheid die deze strafzaak heeft gekregen aanvankelijk de nodige klanten is kwijtgeraakt. Van de inkomsten uit zijn onderneming kan de verdachte rondkomen. De verdediging stelt dat de verdachte lering heeft getrokken uit deze voor hem impactvolle strafzaak. Zo accepteert hij bijvoorbeeld geen contante betalingen meer van klanten.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 26 november 2018 in verzekering is gesteld en voor het eerst door de FIOD is verhoord. De rechtbank heeft op 21 juli 2021 vonnis gewezen. Door de officier van justitie is op 3 augustus 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst heden – 2 juli 2024 – eindarrest. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 32 maanden. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep geldt dat de duur daarvan 34 maanden bedraagt.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in beide feitelijke instanties ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen taakstraf zal matigen met 50 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig de maatstaf van 2 uren per in voorarrest doorgebrachte dag.
Beslag
Tijdens het vooronderzoek is onder de verdachte strafvorderlijk beslag gelegd op drie mobiele telefoons.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mobiele telefoon van het merk Blackberry, een witte mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone) en een grijze mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone).
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. drs. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. T.S. Vos, griffiers,
en op 2 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001907-21
Uitspraak : 2 juli 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-993327-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast aan de verdachte van drie mobiele telefoons.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 20.000,00.
De raadsvrouw van de verdachte heeft partiële vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht om een last tot teruggave aan de verdachte van een grijze mobiele telefoon (iPhone) en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 juni 2018 te IJsselstein en/of Nieuwegein en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), te weten: - € 19.800,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) en/of - € 62.865,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) en/of - € 130.375,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 3] ),de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 21 februari 2017 tot en met 19 maart 2018 in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Het onderzoek Niger is opgestart op 23 januari 2018 naar aanleiding van meldingen bij het Meldpunt verdachte transacties chemicaliën van de Belastingdienst/FIOD. Het vermoeden bestond dat de chemicaliën gebruikt zouden worden bij de vervaardiging van drugs. Bij de bestelling en aflevering van chemicaliën kwam onder andere als verdachte naar voren [medeverdachte] , geboren [geboortedag medeverdachte] 1964, zijnde de vader van de verdachte.
Uit het onderzoek Niger komt naar voren dat de verdachte een eenmanszaak [eenmanszaak verdachte] had. De verdachte heeft drie bankrekeningen geopend, waarvan er één naar zijn zeggen (uitsluitend) ter beschikking gesteld is aan zijn vader (medeverdachte [medeverdachte] ). Zijn vader was betrokken bij de eenmanszaak in die zin dat hij financiële/administratieve werkzaamheden verrichtte. Op de rekeningen zijn aanzienlijke contante geldbedragen gestort, waarvan het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat die bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Ter verklaring van de herkomst van de contante stortingen zijn door de verdachte facturen in het geding gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens in hoger beroep door middel van een proces-verbaal van bevindingen een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de ingebrachte facturen en ten aanzien van een deel van de facturen geconstateerd dat niet kan worden uitgesloten dat het daadwerkelijk stortingen van contante betalingen voor geleverde diensten door [eenmanszaak verdachte] betreft.
Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van een deel van de contante stortingen, in die zin dat daarvan gezegd kan worden dat door het Openbaar Ministerie in voldoende mate is weerlegd dat die bedragen een legale herkomst hebben.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat (schuld)witwassen van geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als ondernemer bankrekeningen heeft gehad waarop contante gelden zijn gestort, onder andere door zijn vader, zonder daarover de nodige vragen te stellen terwijl die bedragen niet in overeenstemming waren met de bij de Belastingdienst aangegeven omzet van het bedrijf.
De vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , was ten tijde van het door de verdachte op zijn bankrekeningen voorhanden krijgen van de contante geldbedragen meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder andere) fraudedelicten en heeft daarvoor geruime tijd in detentie doorgebracht, van welke veroordelingen de verdachte – reeds omwille van de laatstgenoemde omstandigheid – moet hebben geweten. De verdachte heeft, ondanks de wetenschap van het criminele verleden van zijn vader, geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst van de aanzienlijke contante bedragen die op zijn rekeningen werden gestort, terwijl zulks wel van hem verlangd had mogen worden. De verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld ten aanzien van de herkomst van die geldbedragen. De verdachte had aldus redelijkerwijs moeten vermoeden dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
schuldwitwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Met het witwassen van criminele gelden tracht men illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechter niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Aan de verdachte is voorafgaand aan het bewezenverklaarde alleen een (met een veroordeling gelijk te stellen) strafbeschikking ter zake van overtreding van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opgelegd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de raadsvrouw van de verdachte ten overstaan van het hof naar voren zijn gebracht. De verdachte is zelfstandig ondernemer en maakt onder meer videoclips. Zijn onderneming loopt inmiddels steeds beter, nadat hij als gevolg van ruchtbaarheid die deze strafzaak heeft gekregen aanvankelijk de nodige klanten is kwijtgeraakt. Van de inkomsten uit zijn onderneming kan de verdachte rondkomen. De verdediging stelt dat de verdachte lering heeft getrokken uit deze voor hem impactvolle strafzaak. Zo accepteert hij bijvoorbeeld geen contante betalingen meer van klanten.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 26 november 2018 in verzekering is gesteld en voor het eerst door de FIOD is verhoord. De rechtbank heeft op 21 juli 2021 vonnis gewezen. Door de officier van justitie is op 3 augustus 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst heden – 2 juli 2024 – eindarrest. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 32 maanden. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep geldt dat de duur daarvan 34 maanden bedraagt.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in beide feitelijke instanties ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen taakstraf zal matigen met 50 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig de maatstaf van 2 uren per in voorarrest doorgebrachte dag.
Beslag
Tijdens het vooronderzoek is onder de verdachte strafvorderlijk beslag gelegd op drie mobiele telefoons.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mobiele telefoon van het merk Blackberry, een witte mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone) en een grijze mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone).
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. drs. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. T.S. Vos, griffiers,
en op 2 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001907-21
Uitspraak : 2 juli 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-993327-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast aan de verdachte van drie mobiele telefoons.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 20.000,00.
De raadsvrouw van de verdachte heeft partiële vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht om een last tot teruggave aan de verdachte van een grijze mobiele telefoon (iPhone) en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 juni 2018 te IJsselstein en/of Nieuwegein en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), te weten: - € 19.800,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) en/of - € 62.865,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) en/of - € 130.375,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 3] ),de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 21 februari 2017 tot en met 19 maart 2018 in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Het onderzoek Niger is opgestart op 23 januari 2018 naar aanleiding van meldingen bij het Meldpunt verdachte transacties chemicaliën van de Belastingdienst/FIOD. Het vermoeden bestond dat de chemicaliën gebruikt zouden worden bij de vervaardiging van drugs. Bij de bestelling en aflevering van chemicaliën kwam onder andere als verdachte naar voren [medeverdachte] , geboren [geboortedag medeverdachte] 1964, zijnde de vader van de verdachte.
Uit het onderzoek Niger komt naar voren dat de verdachte een eenmanszaak [eenmanszaak verdachte] had. De verdachte heeft drie bankrekeningen geopend, waarvan er één naar zijn zeggen (uitsluitend) ter beschikking gesteld is aan zijn vader (medeverdachte [medeverdachte] ). Zijn vader was betrokken bij de eenmanszaak in die zin dat hij financiële/administratieve werkzaamheden verrichtte. Op de rekeningen zijn aanzienlijke contante geldbedragen gestort, waarvan het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat die bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Ter verklaring van de herkomst van de contante stortingen zijn door de verdachte facturen in het geding gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens in hoger beroep door middel van een proces-verbaal van bevindingen een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de ingebrachte facturen en ten aanzien van een deel van de facturen geconstateerd dat niet kan worden uitgesloten dat het daadwerkelijk stortingen van contante betalingen voor geleverde diensten door [eenmanszaak verdachte] betreft.
Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van een deel van de contante stortingen, in die zin dat daarvan gezegd kan worden dat door het Openbaar Ministerie in voldoende mate is weerlegd dat die bedragen een legale herkomst hebben.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat (schuld)witwassen van geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als ondernemer bankrekeningen heeft gehad waarop contante gelden zijn gestort, onder andere door zijn vader, zonder daarover de nodige vragen te stellen terwijl die bedragen niet in overeenstemming waren met de bij de Belastingdienst aangegeven omzet van het bedrijf.
De vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , was ten tijde van het door de verdachte op zijn bankrekeningen voorhanden krijgen van de contante geldbedragen meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder andere) fraudedelicten en heeft daarvoor geruime tijd in detentie doorgebracht, van welke veroordelingen de verdachte – reeds omwille van de laatstgenoemde omstandigheid – moet hebben geweten. De verdachte heeft, ondanks de wetenschap van het criminele verleden van zijn vader, geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst van de aanzienlijke contante bedragen die op zijn rekeningen werden gestort, terwijl zulks wel van hem verlangd had mogen worden. De verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld ten aanzien van de herkomst van die geldbedragen. De verdachte had aldus redelijkerwijs moeten vermoeden dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
schuldwitwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Met het witwassen van criminele gelden tracht men illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechter niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Aan de verdachte is voorafgaand aan het bewezenverklaarde alleen een (met een veroordeling gelijk te stellen) strafbeschikking ter zake van overtreding van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opgelegd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de raadsvrouw van de verdachte ten overstaan van het hof naar voren zijn gebracht. De verdachte is zelfstandig ondernemer en maakt onder meer videoclips. Zijn onderneming loopt inmiddels steeds beter, nadat hij als gevolg van ruchtbaarheid die deze strafzaak heeft gekregen aanvankelijk de nodige klanten is kwijtgeraakt. Van de inkomsten uit zijn onderneming kan de verdachte rondkomen. De verdediging stelt dat de verdachte lering heeft getrokken uit deze voor hem impactvolle strafzaak. Zo accepteert hij bijvoorbeeld geen contante betalingen meer van klanten.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 26 november 2018 in verzekering is gesteld en voor het eerst door de FIOD is verhoord. De rechtbank heeft op 21 juli 2021 vonnis gewezen. Door de officier van justitie is op 3 augustus 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst heden – 2 juli 2024 – eindarrest. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 32 maanden. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep geldt dat de duur daarvan 34 maanden bedraagt.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in beide feitelijke instanties ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen taakstraf zal matigen met 50 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig de maatstaf van 2 uren per in voorarrest doorgebrachte dag.
Beslag
Tijdens het vooronderzoek is onder de verdachte strafvorderlijk beslag gelegd op drie mobiele telefoons.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mobiele telefoon van het merk Blackberry, een witte mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone) en een grijze mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone).
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. drs. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. T.S. Vos, griffiers,
en op 2 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001907-21
Uitspraak : 2 juli 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-993327-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast aan de verdachte van drie mobiele telefoons.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 20.000,00.
De raadsvrouw van de verdachte heeft partiële vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht om een last tot teruggave aan de verdachte van een grijze mobiele telefoon (iPhone) en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 juni 2018 te IJsselstein en/of Nieuwegein en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), te weten: - € 19.800,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) en/of - € 62.865,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) en/of - € 130.375,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 3] ),de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 21 februari 2017 tot en met 19 maart 2018 in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Het onderzoek Niger is opgestart op 23 januari 2018 naar aanleiding van meldingen bij het Meldpunt verdachte transacties chemicaliën van de Belastingdienst/FIOD. Het vermoeden bestond dat de chemicaliën gebruikt zouden worden bij de vervaardiging van drugs. Bij de bestelling en aflevering van chemicaliën kwam onder andere als verdachte naar voren [medeverdachte] , geboren [geboortedag medeverdachte] 1964, zijnde de vader van de verdachte.
Uit het onderzoek Niger komt naar voren dat de verdachte een eenmanszaak [eenmanszaak verdachte] had. De verdachte heeft drie bankrekeningen geopend, waarvan er één naar zijn zeggen (uitsluitend) ter beschikking gesteld is aan zijn vader (medeverdachte [medeverdachte] ). Zijn vader was betrokken bij de eenmanszaak in die zin dat hij financiële/administratieve werkzaamheden verrichtte. Op de rekeningen zijn aanzienlijke contante geldbedragen gestort, waarvan het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat die bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Ter verklaring van de herkomst van de contante stortingen zijn door de verdachte facturen in het geding gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens in hoger beroep door middel van een proces-verbaal van bevindingen een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de ingebrachte facturen en ten aanzien van een deel van de facturen geconstateerd dat niet kan worden uitgesloten dat het daadwerkelijk stortingen van contante betalingen voor geleverde diensten door [eenmanszaak verdachte] betreft.
Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van een deel van de contante stortingen, in die zin dat daarvan gezegd kan worden dat door het Openbaar Ministerie in voldoende mate is weerlegd dat die bedragen een legale herkomst hebben.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat (schuld)witwassen van geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als ondernemer bankrekeningen heeft gehad waarop contante gelden zijn gestort, onder andere door zijn vader, zonder daarover de nodige vragen te stellen terwijl die bedragen niet in overeenstemming waren met de bij de Belastingdienst aangegeven omzet van het bedrijf.
De vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , was ten tijde van het door de verdachte op zijn bankrekeningen voorhanden krijgen van de contante geldbedragen meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder andere) fraudedelicten en heeft daarvoor geruime tijd in detentie doorgebracht, van welke veroordelingen de verdachte – reeds omwille van de laatstgenoemde omstandigheid – moet hebben geweten. De verdachte heeft, ondanks de wetenschap van het criminele verleden van zijn vader, geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst van de aanzienlijke contante bedragen die op zijn rekeningen werden gestort, terwijl zulks wel van hem verlangd had mogen worden. De verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld ten aanzien van de herkomst van die geldbedragen. De verdachte had aldus redelijkerwijs moeten vermoeden dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
schuldwitwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Met het witwassen van criminele gelden tracht men illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechter niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Aan de verdachte is voorafgaand aan het bewezenverklaarde alleen een (met een veroordeling gelijk te stellen) strafbeschikking ter zake van overtreding van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opgelegd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de raadsvrouw van de verdachte ten overstaan van het hof naar voren zijn gebracht. De verdachte is zelfstandig ondernemer en maakt onder meer videoclips. Zijn onderneming loopt inmiddels steeds beter, nadat hij als gevolg van ruchtbaarheid die deze strafzaak heeft gekregen aanvankelijk de nodige klanten is kwijtgeraakt. Van de inkomsten uit zijn onderneming kan de verdachte rondkomen. De verdediging stelt dat de verdachte lering heeft getrokken uit deze voor hem impactvolle strafzaak. Zo accepteert hij bijvoorbeeld geen contante betalingen meer van klanten.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 26 november 2018 in verzekering is gesteld en voor het eerst door de FIOD is verhoord. De rechtbank heeft op 21 juli 2021 vonnis gewezen. Door de officier van justitie is op 3 augustus 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst heden – 2 juli 2024 – eindarrest. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 32 maanden. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep geldt dat de duur daarvan 34 maanden bedraagt.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in beide feitelijke instanties ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen taakstraf zal matigen met 50 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig de maatstaf van 2 uren per in voorarrest doorgebrachte dag.
Beslag
Tijdens het vooronderzoek is onder de verdachte strafvorderlijk beslag gelegd op drie mobiele telefoons.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mobiele telefoon van het merk Blackberry, een witte mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone) en een grijze mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone).
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. drs. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. T.S. Vos, griffiers,
en op 2 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001907-21
Uitspraak : 2 juli 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-993327-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast aan de verdachte van drie mobiele telefoons.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 20.000,00.
De raadsvrouw van de verdachte heeft partiële vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht om een last tot teruggave aan de verdachte van een grijze mobiele telefoon (iPhone) en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 juni 2018 te IJsselstein en/of Nieuwegein en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), te weten: - € 19.800,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) en/of - € 62.865,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) en/of - € 130.375,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 3] ),de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 21 februari 2017 tot en met 19 maart 2018 in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Het onderzoek Niger is opgestart op 23 januari 2018 naar aanleiding van meldingen bij het Meldpunt verdachte transacties chemicaliën van de Belastingdienst/FIOD. Het vermoeden bestond dat de chemicaliën gebruikt zouden worden bij de vervaardiging van drugs. Bij de bestelling en aflevering van chemicaliën kwam onder andere als verdachte naar voren [medeverdachte] , geboren [geboortedag medeverdachte] 1964, zijnde de vader van de verdachte.
Uit het onderzoek Niger komt naar voren dat de verdachte een eenmanszaak [eenmanszaak verdachte] had. De verdachte heeft drie bankrekeningen geopend, waarvan er één naar zijn zeggen (uitsluitend) ter beschikking gesteld is aan zijn vader (medeverdachte [medeverdachte] ). Zijn vader was betrokken bij de eenmanszaak in die zin dat hij financiële/administratieve werkzaamheden verrichtte. Op de rekeningen zijn aanzienlijke contante geldbedragen gestort, waarvan het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat die bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Ter verklaring van de herkomst van de contante stortingen zijn door de verdachte facturen in het geding gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens in hoger beroep door middel van een proces-verbaal van bevindingen een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de ingebrachte facturen en ten aanzien van een deel van de facturen geconstateerd dat niet kan worden uitgesloten dat het daadwerkelijk stortingen van contante betalingen voor geleverde diensten door [eenmanszaak verdachte] betreft.
Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van een deel van de contante stortingen, in die zin dat daarvan gezegd kan worden dat door het Openbaar Ministerie in voldoende mate is weerlegd dat die bedragen een legale herkomst hebben.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat (schuld)witwassen van geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als ondernemer bankrekeningen heeft gehad waarop contante gelden zijn gestort, onder andere door zijn vader, zonder daarover de nodige vragen te stellen terwijl die bedragen niet in overeenstemming waren met de bij de Belastingdienst aangegeven omzet van het bedrijf.
De vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , was ten tijde van het door de verdachte op zijn bankrekeningen voorhanden krijgen van de contante geldbedragen meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder andere) fraudedelicten en heeft daarvoor geruime tijd in detentie doorgebracht, van welke veroordelingen de verdachte – reeds omwille van de laatstgenoemde omstandigheid – moet hebben geweten. De verdachte heeft, ondanks de wetenschap van het criminele verleden van zijn vader, geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst van de aanzienlijke contante bedragen die op zijn rekeningen werden gestort, terwijl zulks wel van hem verlangd had mogen worden. De verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld ten aanzien van de herkomst van die geldbedragen. De verdachte had aldus redelijkerwijs moeten vermoeden dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
schuldwitwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Met het witwassen van criminele gelden tracht men illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechter niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Aan de verdachte is voorafgaand aan het bewezenverklaarde alleen een (met een veroordeling gelijk te stellen) strafbeschikking ter zake van overtreding van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opgelegd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de raadsvrouw van de verdachte ten overstaan van het hof naar voren zijn gebracht. De verdachte is zelfstandig ondernemer en maakt onder meer videoclips. Zijn onderneming loopt inmiddels steeds beter, nadat hij als gevolg van ruchtbaarheid die deze strafzaak heeft gekregen aanvankelijk de nodige klanten is kwijtgeraakt. Van de inkomsten uit zijn onderneming kan de verdachte rondkomen. De verdediging stelt dat de verdachte lering heeft getrokken uit deze voor hem impactvolle strafzaak. Zo accepteert hij bijvoorbeeld geen contante betalingen meer van klanten.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 26 november 2018 in verzekering is gesteld en voor het eerst door de FIOD is verhoord. De rechtbank heeft op 21 juli 2021 vonnis gewezen. Door de officier van justitie is op 3 augustus 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst heden – 2 juli 2024 – eindarrest. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 32 maanden. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep geldt dat de duur daarvan 34 maanden bedraagt.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in beide feitelijke instanties ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen taakstraf zal matigen met 50 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig de maatstaf van 2 uren per in voorarrest doorgebrachte dag.
Beslag
Tijdens het vooronderzoek is onder de verdachte strafvorderlijk beslag gelegd op drie mobiele telefoons.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mobiele telefoon van het merk Blackberry, een witte mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone) en een grijze mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone).
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. drs. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. T.S. Vos, griffiers,
en op 2 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Parketnummer : 20-001907-21
Uitspraak : 2 juli 2024
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-993327-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. De rechtbank heeft voorts de teruggave gelast aan de verdachte van drie mobiele telefoons.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis en een geldboete ter hoogte van € 20.000,00.
De raadsvrouw van de verdachte heeft partiële vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het beslag heeft de verdediging verzocht om een last tot teruggave aan de verdachte van een grijze mobiele telefoon (iPhone) en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 juni 2018 te IJsselstein en/of Nieuwegein en/of Alkmaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), te weten: - € 19.800,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) en/of - € 62.865,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 2] ) en/of - € 130.375,00 (contante stortingen op rekeningnummer [rekeningnummer 3] ),de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovengenoemd(e) voorwerp(en) was/waren en/of bovenomschreven voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 21 februari 2017 tot en met 19 maart 2018 in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Het onderzoek Niger is opgestart op 23 januari 2018 naar aanleiding van meldingen bij het Meldpunt verdachte transacties chemicaliën van de Belastingdienst/FIOD. Het vermoeden bestond dat de chemicaliën gebruikt zouden worden bij de vervaardiging van drugs. Bij de bestelling en aflevering van chemicaliën kwam onder andere als verdachte naar voren [medeverdachte] , geboren [geboortedag medeverdachte] 1964, zijnde de vader van de verdachte.
Uit het onderzoek Niger komt naar voren dat de verdachte een eenmanszaak [eenmanszaak verdachte] had. De verdachte heeft drie bankrekeningen geopend, waarvan er één naar zijn zeggen (uitsluitend) ter beschikking gesteld is aan zijn vader (medeverdachte [medeverdachte] ). Zijn vader was betrokken bij de eenmanszaak in die zin dat hij financiële/administratieve werkzaamheden verrichtte. Op de rekeningen zijn aanzienlijke contante geldbedragen gestort, waarvan het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat die bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.
Ter verklaring van de herkomst van de contante stortingen zijn door de verdachte facturen in het geding gebracht. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens in hoger beroep door middel van een proces-verbaal van bevindingen een nader standpunt ingenomen met betrekking tot de ingebrachte facturen en ten aanzien van een deel van de facturen geconstateerd dat niet kan worden uitgesloten dat het daadwerkelijk stortingen van contante betalingen voor geleverde diensten door [eenmanszaak verdachte] betreft.
Naar aanleiding daarvan heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van een deel van de contante stortingen, in die zin dat daarvan gezegd kan worden dat door het Openbaar Ministerie in voldoende mate is weerlegd dat die bedragen een legale herkomst hebben.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat (schuld)witwassen van geldbedragen bewezen kan worden verklaard. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij als ondernemer bankrekeningen heeft gehad waarop contante gelden zijn gestort, onder andere door zijn vader, zonder daarover de nodige vragen te stellen terwijl die bedragen niet in overeenstemming waren met de bij de Belastingdienst aangegeven omzet van het bedrijf.
De vader van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , was ten tijde van het door de verdachte op zijn bankrekeningen voorhanden krijgen van de contante geldbedragen meermalen onherroepelijk veroordeeld ter zake van (onder andere) fraudedelicten en heeft daarvoor geruime tijd in detentie doorgebracht, van welke veroordelingen de verdachte – reeds omwille van de laatstgenoemde omstandigheid – moet hebben geweten. De verdachte heeft, ondanks de wetenschap van het criminele verleden van zijn vader, geen nader onderzoek gedaan naar de herkomst van de aanzienlijke contante bedragen die op zijn rekeningen werden gestort, terwijl zulks wel van hem verlangd had mogen worden. De verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld ten aanzien van de herkomst van die geldbedragen. De verdachte had aldus redelijkerwijs moeten vermoeden dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
schuldwitwassen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Met het witwassen van criminele gelden tracht men illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechter niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Aan de verdachte is voorafgaand aan het bewezenverklaarde alleen een (met een veroordeling gelijk te stellen) strafbeschikking ter zake van overtreding van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opgelegd.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de raadsvrouw van de verdachte ten overstaan van het hof naar voren zijn gebracht. De verdachte is zelfstandig ondernemer en maakt onder meer videoclips. Zijn onderneming loopt inmiddels steeds beter, nadat hij als gevolg van ruchtbaarheid die deze strafzaak heeft gekregen aanvankelijk de nodige klanten is kwijtgeraakt. Van de inkomsten uit zijn onderneming kan de verdachte rondkomen. De verdediging stelt dat de verdachte lering heeft getrokken uit deze voor hem impactvolle strafzaak. Zo accepteert hij bijvoorbeeld geen contante betalingen meer van klanten.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 26 november 2018 in verzekering is gesteld en voor het eerst door de FIOD is verhoord. De rechtbank heeft op 21 juli 2021 vonnis gewezen. Door de officier van justitie is op 3 augustus 2021 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst heden – 2 juli 2024 – eindarrest. Het tijdsverloop tussen het begin van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt bijna 32 maanden. Voor wat betreft de behandeling in hoger beroep geldt dat de duur daarvan 34 maanden bedraagt.
Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen, zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn in beide feitelijke instanties ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen taakstraf zal matigen met 50 uren.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest overeenkomstig de maatstaf van 2 uren per in voorarrest doorgebrachte dag.
Beslag
Tijdens het vooronderzoek is onder de verdachte strafvorderlijk beslag gelegd op drie mobiele telefoons.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mobiele telefoon van het merk Blackberry, een witte mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone) en een grijze mobiele telefoon van het merk Apple (iPhone).
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. drs. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. T.S. Vos, griffiers,
en op 2 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.