Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-05-30
ECLI:NL:GHSHE:2024:1818
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,253 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 30 mei 2024
Zaaknummer: 200.335.542/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/311321 / FA RK 22-4247
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.B.M. Rütten,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: voorheen mr. L.E.I.K. Jaminon thans zonder advocaat.
Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 september 2023.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 december 2023, heeft de moeder verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] , af te wijzen.
2.2.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 april 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de moeder, bijgestaan door mr. Rütten;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.3.1.
De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2.3.2.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en de voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en de raad met haar gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
Feiten
3.1.
Uit de moeder is [minderjarige] geboren. De man is de biologische vader van [minderjarige] .
3.2.
[minderjarige] is op 5 april 2012 door de heer [betrokkene 1] erkend. Die erkenning is op 9 december 2013 vernietigd. Op 15 juli 2016 is [minderjarige] erkend door de heer [betrokkene 2] . Sinds 16 juli 2016 is de heer [betrokkene 2] samen met de moeder belast met het gezag over [minderjarige] .
3.3.
In het kader van de door de man gestarte procedure tot het treffen van voorlopige voorzieningen zijn partijen tijdens de mondelinge behandeling op 13 december 2022 overeengekomen dat – voor zover in hoger beroep relevant – de man [minderjarige] zal bezoeken op 28 december 2022 van 10.00 uur tot 12.00 uur in het huis van de moeder en dat het de bedoeling is dat de contacten tussen de man en [minderjarige] minimaal één keer per maand op deze manier zullen plaatsvinden.
3.4.
Bij beschikking van rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 december 2022 heeft de rechtbank – na overeenstemming tussen partijen – de raad verzocht onderzoek te doen naar de vraag of vaststelling van een omgangsregeling met de man in het belang is van [minderjarige] is en zo ja, hoe deze omgangsregeling gestalte dient te krijgen.
4De omvang van het hoger beroep
4.1.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank bepaald dat de man en [minderjarige] omgang met elkaar zullen hebben een keer in de maand op zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man en [minderjarige] een gezamenlijke activiteit zullen ondernemen.
4.2.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.
Beoordeling
5.1.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De moeder heeft geen bezwaar tegen het contact tussen de man en [minderjarige] . De moeder is wel tegen een vastgestelde omgangsregeling waarvan de man nakoming kan vorderen. [minderjarige] wil op dit moment geen contact met haar vader. Vanaf het moment dat [minderjarige] is geboren, is de man regelmatig langere perioden uit het leven van [minderjarige] verdwenen. Voor [minderjarige] is dit niet te begrijpen. [minderjarige] is gefrustreerd en verdrietig over het (ontbreken van) contact met de man. Als er wel contact is verloopt dit vaak moeizaam. Daarnaast doet de man beloftes die hij niet waarmaakt. Zo doet hij vage beloftes over belmomenten en uiteindelijk zit [minderjarige] tevergeefs dagenlang te wachten. Daarnaast heeft [minderjarige] rondom de geboorte van haar halfbroertje in [maand] 2023 dagenlang niets van de vader gehoord. Na de geboorte van haar halfbroertje duurde het vervolgens weer een hele tijd voordat [minderjarige] haar halfbroertje kon ontmoeten. Daarna is er nog amper contact tussen de man en [minderjarige] geweest. Op [geboortedatum] 2023 was [minderjarige] jarig en heeft ze niets van de man gehoord. Nadat de moeder de man hierop aansprak, heeft de man [minderjarige] een berichtje gestuurd. Sinds dit bericht op 18 september 2023 heeft [minderjarige] niets meer van de man gehoord. Dat waar de moeder al die tijd bang voor was, namelijk verdere teleurstelling voor [minderjarige] , is helaas uitgekomen. De man lijkt niet te begrijpen welke invloed zijn gedrag en zijn manier van (niet) communiceren op [minderjarige] hebben. De moeder heeft geruime tijd geprobeerd om de man te sturen in zijn communicatie met [minderjarige] . Ook heeft de moeder geprobeerd een traject ouderschapsreorganisatie van de grond te krijgen, maar dat is niet gelukt. De weerstand van [minderjarige] ten opzichte van de man is alleen maar toegenomen. [minderjarige] geeft duidelijk te kennen op dit moment geen contact te willen met de man. Daarom vindt de moeder het onwenselijk dat [minderjarige] gedwongen wordt of kan worden tot contact met de man in het geval van een vastgestelde omgangsregeling. Als [minderjarige] op enig moment zelf weer contact wil met de man, dan zal de moeder hieraan meewerken.
5.2.
De raad adviseert het hof – samengevat – als volgt. In het algemeen is het voor kinderen van belang dat zij onbelast kunnen hebben met beide ouders. In het onderzoek dat de raad heeft gedaan kwamen zorgen naar voren in de relatie tussen [minderjarige] en de man. Desondanks heeft de raad een omgangsregeling geadviseerd, omdat deze omgangsregeling onder andere in het belang van [minderjarige] haar identiteitsontwikkeling werd geacht. Het is te betreuren dat deze omgangsregeling niet van de grond is gekomen. Het is niet de eerste keer dat [minderjarige] teleurgesteld is in de man. [minderjarige] lijkt goed te hebben nagedacht waarom zij op dit moment geen contact met de man wil en heeft hiervoor goede argumenten. Het zegt ook wat over de betrokkenheid van de man dat hij niet op de mondelinge behandeling is verschenen. Gelet op de omstandigheden kan de raad niet anders dan adviseren het verzoek van de man om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen alsnog af te wijzen. Hierbij weegt de raad mee dat de moeder openstaat voor het contact tussen [minderjarige] en de man en/of haar halfbroertje op het moment dat [minderjarige] hier behoefte aan zou hebben. De raad heeft er vertrouwen in dat de moeder te zijner tijd stappen de benodigde stappen zal zetten om dit contact mogelijk te maken.
5.3.
Het hof overweegt als volgt.
5.3.1.
Ingevolge artikel 1:377a lid 2 BW stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
Ingevolge artikel 1:377a lid 3 ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind.
5.3.2.
De moeder heeft niet betwist dat de man de biologische ouder is van [minderjarige] en in nauwe persoonlijke betrekking tot haar staat.
5.3.3.
In beginsel is het voor onder meer de identiteitsontwikkeling van kinderen van belang om onbelast contact te hebben met beide ouders. Gelet hierop kan het hof het eerdere advies van de raad volgen om een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen. Er heeft echter enige tijd gezeten tussen de afronding van het raadsrapport en het uitspreken van de bestreden beschikking. In die tussenliggende periode is het contact tussen [minderjarige] en de man (wederom) verslechterd en kort na de bestreden beschikking geheel gestagneerd waardoor de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling tot op heden niet is uitgevoerd. Nog los van het feit dat de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling praktisch niet uitvoerbaar is omdat [minderjarige] op zaterdag(middag) voetbalt, heeft [minderjarige] in het kindgesprek weloverwogen kenbaar gemaakt dat zij op dit moment geen contact wil met de man. [minderjarige] is teleurgesteld in de man vanwege het gebrek aan contact met hem de afgelopen jaren en zij is bang voor weer een teleurstelling. In de toekomst sluit [minderjarige] contact met haar vader (en haar halfbroertje) niet uit, maar zij wil zelf de keuze kunnen maken om weer naar hem toe te gaan en niet worden gedwongen door een vastgestelde omgangsregeling. Indien zij in de toekomst weer behoefte heeft aan contact met de man, dan voelt zij de ruimte om contact met hem op te nemen en wordt zij door de moeder hierin gesteund.
De teleurstelling voor [minderjarige] is gelet op het ontbreken van contact de afgelopen periode invoelbaar. Daar komt bij dat de man in hoger beroep niet is verschenen waardoor het hof de man niet heeft kunnen bevragen over zijn visie op de omgangsregeling en het (gebrek aan) contact met [minderjarige] .
In de voorgaande omstandigheden in samenhang bezien ziet het hof aanleiding om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling alsnog af te wijzen. Als gevolg hiervan zal er geen sprake meer zijn van een vastgestelde omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] aangezien de regeling die in het kader van de procedure tot het treffen van voorlopige voorzieningen is getroffen (zie 3.3.) als gevolg van de beslissing in de bodemprocedure is komen te vervallen.
Overweging voor [minderjarige]
5.5. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de moeder de beslissing van het hof na ontvangst van de beschikking aan [minderjarige] vertelt. Daarnaast wordt een brief met onderstaande tekst naar [minderjarige] gestuurd:
5.5.1.
In het gesprek met de voorzitter en de griffier heb je verteld hoe jij de afgelopen jaren het contact met je biologische vader hebt ervaren en wat dit allemaal met jou heeft gedaan. Het dan weer wel en dan weer lange tijd geen contact hebben met hem heeft veel impact op je gehad. Je sluit niet uit dat je wel ooit weer contact met hem wil en zeker ook met je halfbroertje. Je vindt het belangrijk om zelf de regie te hebben over eventueel contact met hem.
Dictum
Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 september 2023;
en opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog af het inleidend verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.N.M. Antens en E.M.C. Dumoulin en is op 30 mei 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.