Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-04-16
ECLI:NL:GHSHE:2024:1755
Strafrecht
Hoger beroep
2,915 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001376-23
Uitspraak : 16 april 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-111905-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De politierechter heeft de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Voorts is de gevangenhouding van de verdachte bevolen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is door de politierechter toegewezen tot een bedrag van € 272,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, en voor het overige afgewezen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden.
De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd, waarbij is verzocht om geen gevangenisstraf op te leggen die zou inhouden dat de verdachte terug naar de gevangenis moet.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, behalve voor wat betreft de bewijsvoering. De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen.
De bewezenverklaring door de eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hiernavolgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.
Verder worden de strafmaatoverwegingen vervangen en worden de toepasselijke wettelijke voorschriften aangevuld met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Bewijsmiddelen
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 30 april 2023, dossierpagina’s 5-7, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde] :
(pagina 5)
Op zaterdag 29 april 2023 omstreeks 15.30 uur was ik boodschappen gaan doen bij
[supermarkt] bij winkelcentrum [locatie] in Breda. Ik was daarnaartoe gegaan met het behulp van mijn rollator. Mijn handtas ligt altijd in de rollator tas die gevestigd is aan de voorzijde van mijn rollator.
Ik pakte een winkelmand om mijn boodschappen in te leggen. Ik leg altijd het winkelmandje op mijn rollator en vervolgens leg ik daarin mijn boodschappen. Ik zag dat mijn handtas in de rollatortas van mijn rollator lag toen ik de winkel in liep.
Nadat ik mijn boodschappen in mijn mand had gelegd ben ik naar de kassa gelopen. Toen ik wilde afrekenen zocht ik mijn portemonnee in mijn tas. Ik zag toen dat mijn handtas die in mijn rollatortas lag er niet meer was. In mijn handtas had ik mijn portemonnee en huissleutels.
2. Een opname van beeld, als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten camerabeelden van [supermarkt] van 29 april 2023, met bestandsnaam ‘20200501_104112’, inhoudende:
Op de camerabeelden is op 00:00 seconden te zien dat een vrouw met een rode jas (aangeefster [benadeelde] ) rechts van haar rollator staat. Zij heeft haar gezicht gericht in de richting van een gekoeld schap met producten. Ook zijn twee vrouwen te zien, de vrouw rechts draagt een winkelmandje. Te zien is dat de vrouwen allebei in eerste instantie langs de rollator lopen en om 00.04 seconden allebei hun looprichting afbreken en teruglopen in de richting van de plek waar de rollator van aangeefster staat. De afstand tussen de beide vrouwen blijft telkens min of meer gelijk. Op 00.07 seconden is te zien dat de linker vrouw bij de voorzijde van de rollator staat en een bukkende beweging maakt. De vrouw rechts arriveert op dat moment ook bij de rollator, terwijl de vrouw met de rode jas nog altijd kijkt in de richting van het koelschap. Vervolgens is op 00.08 seconden te zien dat de vrouw links met haar linkerhand een tas uit de rollator pakt. De vrouw rechts buigt op dat moment naar voren in de richting van het koelschap, waardoor zij precies tussen de vrouw links en aangeefster in staat. Op 00.10 seconden is te zien dat de vrouw links zich omdraait, waarna de vrouw rechts zonder iets uit het koelschap te pakken terug stapt en zich ook omdraait. Op 00.11 seconden lopen beide vrouwen weg van aangeefster en de rollator.
3. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 2 april 2024, voor zover inhoudende:
U, voorzitter, toont mij op het computerscherm van de oudste raadsheer de camerabeelden met bestandsnaam ‘20200501_104112’ en speelt deze af.
Ik zie om 00.00 seconden twee vrouwen in beeld. De persoon rechts met het winkelmandje ben ik en de persoon links is mijn nichtje [medeverdachte] .
Ik heb gezien dat mijn nichtje de tas uit de rollator pakte.
Bewijsoverwegingen
Dictum
De raadsman heeft vrijspraak bepleit wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Uit de camerabeelden blijkt onvoldoende dat de verdachte bewust [medeverdachte] heeft afgeschermd toen zij de tas uit de rollator wegpakte. Indien het hof van oordeel is dat wel sprake is geweest van het afschermen van deze wegnemingshandeling, dan meent de raadsman dat dit een gedraging is die veeleer met medeplichtigheid in verband dient te worden gebracht. Het enkele afschermen is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van diefstal in vereniging.
Het hof is van oordeel dat het verweer van de raadsman zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] lopen gelijk op in de supermarkt, lopen vervolgens allebei tegelijk terug in de richting van de rollator en op het moment dat medeverdachte [medeverdachte] de wegnemingshandeling van de tas verricht, staat de verdachte tussen aangeefster en [medeverdachte] in en buigt zij naar voren, waardoor het zicht van aangeefster op de gedragingen van [medeverdachte] werd belemmerd en ongehinderd en ongezien de tas kon pakken. Direct nadat [medeverdachte] de tas heeft gepakt, draaien zij zich gelijktijdig om en lopen zij weg. De verdachte wist ook dat [medeverdachte] de tas wegnam, want dit heeft ze zelf gezien. Het hof concludeert uit deze gang van zaken dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] nauw en bewust hebben samengewerkt bij de diefstal van de tas van aangeefster. Het hof acht het tenlastegelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan diefstal van een tas met daarin een portemonnee en sleutels. De verdachte heeft op geraffineerde en laffe wijze inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het destijds 91-jarige slachtoffer, mevrouw [benadeelde] . Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat zij kennelijk met groot gemak de keuze maakt om een hoogbejaard en kwetsbaar slachtoffer haar tas afhandig te maken op het moment dat het slachtoffer haar aandacht heeft gericht op de producten in het gekoelde schap van de supermarkt. De verdachte heeft puur gehandeld uit eigen financieel gewin en zich niets bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer.
Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 februari 2024 is de verdachte herhaaldelijk onherroepelijk veroordeeld zowel ter zake van vermogensdelicten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw aan een soortgelijk feit schuldig te maken.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en uit het oogpunt van vergelding is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Met een gevangenisstraf gelijk aan voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf, zoals door de raadsman is verzocht, wordt naar het oordeel van het hof onvoldoende recht gedaan aan de ernst van het feit en de recidive van verdachte. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, brengt het hof niet tot een ander oordeel.
Alles afwegende acht het hof, net als de rechtbank, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, passend en geboden.
Voorlopige hechtenis
De politierechter heeft bij vonnis waarvan beroep d.d. 11 mei 2023 de gevangenhouding bevolen en de raadkamer van het hof heeft de schorsing van de voorlopige hechtenis per 26 mei 2023 bevolen. Het hof bepaalt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis zal voortduren tot het onherroepelijk worden van een einduitspraak.
Dictum
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. A. Muller, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,
en op 16 april 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A. Muller is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2023107430, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] en gesloten op 2 mei 2023, doorgenummerde dossierpagina’s 1-77, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en daarin gerelateerde bijlagen, alsmede geschriften. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.