Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-04-11
ECLI:NL:GHSHE:2024:1238
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
1,838 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 11 april 2024
Zaaknummer: 200.315.997/01
Zaaknummer 1e aanleg: C/01/382740 / JE RK 22-846
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.M. Sent,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , België, hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbende is in deze zaak aangemerkt:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] , België,
hierna te noemen: de vader,
bijgestaan door mr. H.P. Scheer.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,
regio: Zuidoost Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad.
5De beschikking d.d. 15 december 2022
Bij die beschikking heeft het hof een zogenoemd screeningsonderzoek/forensisch onderzoek gelast, waarbij er duidelijkheid dient te komen over de pedagogische vaardigheden en de thuissituatie van beide ouders in het licht van hetgeen [minderjarige] nodig heeft, gelet op zijn kindeigen problematiek.
In de zaak met nummer 200.308.440/01, die betrekking heeft op het verzoek van de moeder om met de vader het gezamenlijk gezag te verkrijgen en op het hoofdverblijf van [minderjarige] , heeft het hof het belangrijk geacht om de resultaten van het onderzoek af te wachten.
Om die reden zijn beide procedures aangehouden tot 1 maart 2023 pro forma.
6Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Het hof heeft in beide zaken nog kennisgenomen van de volgende stukken:
het emailbericht met bijlage d.d. 17 januari 2023 van de GI (brief 17 januari 2023);
het emailbericht met bijlage d.d. 9 maart 2023 van de GI (brief 28 februari 2023);
het emailbericht met bijlagen d.d. 28 juli 2023 van de GI (brief 27 juli 2023 met planning [instantie] );
het emailbericht met bijlagen d.d. 17 oktober 2023 van de GI (brief 12 oktober 2023 en eindverslag [instantie] van 10 oktober 2023 met bijlage);
het V6-formulier met bijlagen d.d. 15 januari 2024 van mr. Geradts, de advocaat van de moeder in de procedure met zaaknummer 200.308.440/01 (brief 15 januari 2024 en producties 12 t/m 14);
het emailbericht met bijlage d.d. 19 januari 2024 van de GI (brief 15 januari 2024 en evaluatieverslag [instantie] van 14 november 2023);
het V6-formulier met bijlage d.d. 20 februari 2024 van mr. Geradts (brief 20 februari 2024);
het emailbericht met bijlage d.d. 21 februari 2024 van de GI (brief 20 februari 2024);
het V6-formulier met bijlage d.d. 22 februari 2024 van de advocaat van de vader;
het emailbericht d.d. 22 februari 2024 van mr. Sent.
6.2.
Alle belanghebbenden hebben te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge behandeling.
6.3.
Het hof heeft bij separate beschikking van 3 april 2024 beslist over het gezag en het hoofdverblijf van [minderjarige] in de zaak met nummer 200.308.440/01.
7De verdere beoordeling
Rechtmatigheidstoets
7.1.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot uiterlijk 30 juli 2023. Deze laatstgenoemde termijn verstreek tussen het moment waarop de mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden (18 oktober 2022 en 9 november 2022) en het moment waarop het hof uitspraak zal doen (11 april 2024). De Hoge Raad heeft in de beschikking van 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1112) overwogen dat indien de periode waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling is gegeven ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is verstreken, het hof aan de hand van de aangevoerde grieven dient te beoordelen of de bestreden beslissing terecht is gegeven. Het gaat in dit geval om een rechtmatigheidstoets. Gelet op het door artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de door de rechtbank verleende verlenging van de ondertoezichtstelling te laten toetsen. Het is het hof overigens ambtshalve gebleken dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] inmiddels is verlengd tot 30 juli 2024.
7.1.2.
In de (tussen)beschikking van 15 december 2022 heeft het hof reeds uitvoerig in rechtsoverweging 3.11.3. overwogen dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 lid 1 BW. De uitkomsten van het screeningsonderzoek, dat door de organisatie [instantie] is uitgevoerd, leiden niet tot een andere conclusie. Weliswaar heeft [instantie] geconcludeerd dat de moeder over positieve opvoedvaardigheden beschikt, dat zij in de bewustwording daarvan een groei heeft laten zien en in zoverre ook leerbaar is gebleken, maar de vragen die het hof in het voornoemde screeningsonderzoek beantwoord had willen zien zijn onbeantwoord gebleven. Zo is nog steeds niet duidelijk wat er met [minderjarige] aan de hand is, of er sprake is van kind eigenproblematiek en waarom hij al geruime periode niet naar school gaat. In zoverre zijn de (in de tussenbeschikking van het hof van 15 december 2022) beschreven zorgen over [minderjarige] nog onverminderd aanwezig. Daarbij betreurt het hof dat het traject van [instantie] met de vader niet van de grond is gekomen en dat het in dit kader niet is gelukt om de contacten tussen de vader en [minderjarige] meer vorm te geven. Dit maakt eveneens dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.
7.3.
Gelet hierop is de verlenging van de ondertoezichtstelling ten aanzien van [minderjarige] tot 30 juli 2023 in de bestreden beschikking terecht verleend .
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 juli 2022, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het Centraal Gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.N.M. Antens en E.M.C. Dumoulin en is op 11 april 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.