Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-03-28
ECLI:NL:GHSHE:2024:1058
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,192 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 28 maart 2024
Zaaknummer: 200.333.860/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/384576 FA RK 21-1840
in de zaak in hoger beroep van:
[de man]
,
verblijvende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. K. van Doorn,
tegen
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren.
Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
Raad voor de Kinderbescherming,
regio [regio] , locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 juli 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 oktober 2023;
- het verweerschrift, ingekomen op 21 november 2023;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 4 juli 2023;
- een V-formulier met producties van de advocaat van de man d.d. 14 februari 2024.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 februari 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de man, bijgestaan door mr. R.G.J. van Kerkhof (waarnemend voor mr. Van Doorn);
- de vrouw, bijgestaan door mr. Hendrikx-Heeren;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
3.2.
De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw oefent van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] woont bij de vrouw.
3.3.
Bij vonnis in kort geding van 7 mei 2021 (onder 4.1. en 4.2.) zijn de navolgende afspraken, die partijen in die procedure hebben gemaakt, vastgelegd:
- De man en [minderjarige] zijn gerechtigd tot omgang met elkaar eenmaal per week op woensdag van 15.30 uur tot 18.30 uur en op zaterdag van 10.00 uur tot 15.00 uur. Dit contact vindt plaats in de woning van de man onder begeleiding van de vrouw nadat de man een negatieve urinecontrole aan de vrouw heeft laten zien.
Partijen wijken in onderling overleg van deze regeling af als dit voor [minderjarige] nodig is.
- De vrouw zal de man eenmaal per maand schriftelijk of per e-mail informeren over de gezondheid, welzijn en andere gewichtige aangelegenheden die zich met betrekking tot [minderjarige] hebben voorgedaan.
- Partijen melden zich bij het [instantie 1] voor oudergesprekken en opvoedingsondersteuning. De bedoeling is dat deze opvoedingsondersteuning zal aansluiten bij de omgangsmomenten tussen de man en [minderjarige] op woensdag. Mocht deze opvoedingsondersteuning niet mogelijk zijn op woensdag, dan is de vrouw bereid om de omgang op een andere dag te faciliteren. Partijen hebben toegezegd dat, op het moment dat opvoedingsondersteuning positief is over de wijze waarop de man de contacten vorm geeft, zij in onderling overleg een uitbreiding van de contacten overeen komen en deze schriftelijk zullen vastleggen.
De vorderingen in kort geding zijn, na de gemaakte afspraken, ingetrokken.
3.4.
Voormelde omgangsregeling heeft plaatsgevonden vanaf mei tot december 2021. Hierna is de omgang tijdelijk gestopt, omdat de man in detentie verbleef. Vanaf februari 2022 heeft Stichting Dag- en Woonvoorziening (SDW) de contacten tussen de man en [minderjarige] één keer per week begeleid. Deze begeleide omgangsmomenten zijn in juli 2022 gestopt. Per september 2022 is de man opnieuw in detentie geraakt.
3.5.
Bij vonnis van 27 december 2022 heeft de rechtbank de man strafbaar verklaard voor het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod en de plaatsing gelast van de man in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar.
De man was (vanaf 8 februari 2023) geplaatst in de ISD (Inrichting Stelselmatige Daders) te [plaats] . Hij verblijft thans voor behandeling op de FPA (Forensisch Psychiatrische Afdeling) van [instantie 2] te [plaats] .
3.6.
Op 3 februari 2024 heeft een contactmoment tussen de man en [minderjarige] onder begeleiding van de vrouw plaatsgevonden.
4De omvang van het geschil
4.1.
Bij de bestreden beschikking van 26 juli 2023 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad:
- bepaald dat de vrouw de man één keer per maand schriftelijk informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige] , waarbij informatie wordt verstrekt over haar gezondheid, welzijn, hobby’s, activiteiten en andere gewichtige aangelegenheden en ten minste vier keer per jaar (in januari, april, juli en oktober) een goedgelijkende foto van [minderjarige] aan de man verstrekt;
- het verzoek van de man tot vaststelling van een contactregeling tussen hem en [minderjarige] afgewezen.
4.2.
De man kan zich met voornoemde beschikking van 26 juli 2023 niet verenigen voor zover het de afwijzing van zijn verzoek tot vaststelling van een contactregeling betreft en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
4.3.
De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de rechtsgronden, zijn verzoek tot vaststelling van een contactregeling toe te wijzen.
4.4.
De vrouw voert verweer. Zij verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man af te wijzen. Kosten rechtens.
Motivering
5.1.
Tijdens de mondelinge behandeling is het volgende gebleken.
5.1.1.
De man heeft in het kader van de ISD-maatregel die aan hem is opgelegd, behandeling. Hij zet daarin goede stappen en heeft af en toe verlof. Partijen hebben in onderling overleg de afspraak gemaakt dat tijdens het verlofmoment van de man op 3 februari 2024 een contactmoment tussen de man en [minderjarige] onder begeleiding van de vrouw kan plaatsvinden. Dit was voor het eerst sinds juli 2022 dat de man en [minderjarige] weer contact met elkaar hadden. Beide partijen kijken positief terug op het verloop hiervan.
5.1.2.
Partijen hebben aan het hof te kennen gegeven dat zij begeleiding willen zoeken om, met hulp van die begeleiding, samen tot afspraken te komen over het verder opbouwen van het contact tussen de man en [minderjarige] en zo mogelijk een ouderschapsplan op te stellen.
Zij zullen zich voor de begeleiding wenden tot [betrokkene] . Indien zij niet beschikbaar is, zullen partijen in onderling overleg en eventueel met hulp van de raad een andere begeleider kiezen.
In afwachting van de uitkomst van de begeleiding door [betrokkene] (dan wel een andere begeleider) verzoeken partijen het hof de behandeling van de zaak voor de duur van zes maanden pro forma aan te houden.
5.2.
Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna is vermeld en iedere overige beslissing aanhouden voor de duur van zes maanden vanaf de mondelinge behandeling, derhalve tot 20 augustus 2024 pro forma.
Dictum
Het hof:
verzoekt de advocaten van partijen om uiterlijk één week voor de hierna te noemen pro forma datum, dus voor 13 augustus 2024, het hof te informeren over het verloop en de uitkomst van de begeleiding door [betrokkene] (dan wel een andere begeleider) aan partijen, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van die informatie aan de raad;
houdt iedere verdere beslissing aan tot 20 augustus 2024 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, J.C.E. Ackermans-Wijn en E.M.C. Dumoulin en is op 28 maart 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.