Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-03-16
ECLI:NL:GHSHE:2023:877
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,980 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 16 maart 2023
Zaaknummer : 200.322.260/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/02/404086 / JE RK 22-2118
in de zaak in hoger beroep van:
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2007,
thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg
[instelling 1] (hierna: [instelling 1] ) te [plaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: [de minderjarige] ,
advocaat: mr. S. van de Voorde,
tegen
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [gemeente],
zetelend te [plaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: het college.
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[de moeder] en [de vader],
wonende te [woonplaats] .
hierna te noemen: de ouders.
Als informant is aangemerkt:
de instelling voor gesloten jeugdhulp [instelling 1], vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger instelling] (in zijn hoedanigheid van directeur zorg).
In het kort: Deze zaak gaat over de duur van de verleende machtiging gesloten jeugdhulp. [de minderjarige] wil een kortere termijn.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 22 december 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, en gewijzigd bij herstelbeschikking van 24 februari 2023.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 februari 2023, heeft [de minderjarige] het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van het college toe te wijzen voor de duur van drie maanden onder aanhouding van het restant en om deze beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen van de kant van het college.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 februari 2023.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [de minderjarige] , bijgestaan door mr. Van de Voorde;
- het college, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger het college 1] en [vertegenwoordiger het college 2] ;
- de ouders;
- [vertegenwoordiger instelling] (in zijn hoedanigheid van directeur zorg) namens [instelling 1] .
2.3.1.
Namens de raad is, met bericht van verhindering, geen vertegenwoordiger tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 22 december 2022;
de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper d.d. 20 december 2022, ingekomen op 6 februari 2023.
2.4.1.
Na de mondelinge behandeling is bij het hof ingekomen de herstelbeschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 24 februari 2023.
Beoordeling
3.1.
Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.
3.2.
Bij beschikking van 16 augustus 2021 is een machtiging verleend om [de minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie van gesloten jeugdzorg met ingang van 18 augustus 2021 tot 18 november 2021.
3.3.
Bij beschikking van 22 maart 2022 is een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] voor twee weken in een accommodatie van gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven met ingang van 22 maart 2022 tot 5 april 2022, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden en onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
3.4.
Bij beschikking van 1 april 2022 is een machtiging verleend om [de minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie van gesloten jeugdzorg met ingang van 1 april 2022 tot 1 juli 2022.
3.5.
Bij beschikking van 30 juni 2022 is een machtiging verleend om [de minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie van gesloten jeugdzorg met ingang van 1 juli 2022 tot 1 januari 2023.
3.6.
Bij de bestreden beschikking, welke beschikking is gewijzigd bij de voornoemde herstelbeschikking van 24 februari 2023, heeft de rechtbank een machtiging gesloten jeugdhulp verleend betreffende [de minderjarige] voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 1 januari 2023 en tot 1 juli 2023.
3.7.
[de minderjarige] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.8.
[de minderjarige] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - aan dat de rechtbank ten onrechte de machtiging tot de gesloten plaatsing heeft verleend tot 1 juni 2023; [de minderjarige] is het niet eens met deze termijn. (Hof: 1 juni 2023 was de oorspronkelijk door de rechtbank genoemde datum die later gewijzigd is in 1 juli 2023 bij eerdergenoemde herstelbeschikking)
Het doel van het hoger beroep is om de termijn van de machtiging te verkorten onder aanhouding van het restant van de verzochte termijn. Zo kan de rechter bij een tussentijdse toets nagaan of [instelling 1] zich aan de uitgangspunten - zoals in de overwegingen in de bestreden beschikking is beschreven - houdt.
3.9.
Het college voert tijdens de mondelinge behandeling - kort samengevat - aan dat het enerzijds begrip heeft voor de behoefte van [de minderjarige] aan duidelijkheid en het belang van [de minderjarige] bij een tussentijds toetsingsmoment. Anderzijds vraagt het college zich af of dit helpend zal zijn nu men druk bezig is om een passende vervolgplek voor [de minderjarige] te vinden en het duidelijk is dat dit nog meerdere maanden in beslag zal nemen.
3.10.
De ouders hebben desgevraagd verklaard dat zij achter de keuze van [de minderjarige] staan om in hoger beroep te komen en dat ook zij een tussentijds toetsingsmoment van belang achten.
3.11.
[vertegenwoordiger instelling] heeft ter mondelinge behandeling van het hof verklaard dat [de minderjarige] met haar problematiek, die zeer divers is, in een speciale categorie valt. Het is daarom erg moeilijk om voor haar de juiste plek te vinden. Zij is intern over geplaatst naar een andere groep ( [de groep] ) omdat er sprake was van automutilatie en men was bang dat zij elk moment een einde zou maken aan haar leven. Er is ook gesproken over een externe plaatsing naar [instelling 2] ; deze optie vond [instelling 1] echter niet de juiste omdat dat vooral is gericht op stabilisatie en [de minderjarige] in dat geval alleen op haar kamer zou komen te zitten. De groep van [instelling 1] waar zij nu verblijft kan [de minderjarige] meer bieden. Zij volgt schematherapie in verband met haar trauma’s. Er wordt gezien dat [de minderjarige] erg haar best doet maar ook dat het haar veel moeite kost. In verband met haar verstandelijke beperking kan zij slecht tegen ruis.
De komende maanden blijft er vanuit [instelling 1] gezocht worden naar een goede plek. Dit is erg moeilijk omdat er weinig plekken beschikbaar zijn. Ook kan [instelling 1] [de minderjarige] niet zomaar elders plaatsen, dit moet via de gemeente. Daarnaast bestaan er lange wachtlijsten. Op dit moment is er een aanvraag gedaan in het kader van de Wet Langdurige Zorg (WLZ), dit om gelet op de verstandelijke beperking van [de minderjarige] maatregelen aan te vragen.
3.12.
Het hof overweegt het volgende.
3.12.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.
Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw kan een machtiging slechts worden verleend wanneer:
er bij [de minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;
de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [de minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
3.12.2.
Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.
3.12.3.
Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.
Tot slot behoeft het verzoek op grond van artikel 6.1.2 lid 6 Jw de instemming van een gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.
3.12.4.
Het hof is van oordeel dat voldaan is aan de formele vereisten van artikel 6.1.2 lid 3 aanhef en sub c, lid 5 en lid 6 Jw.
3.12.5.
Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling van het hof is gebleken dat alle betrokkenen het er over eens zijn dat de grond voor de gesloten plaatsing aanwezig is. Het hof onderschrijft dit en is evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 6.1.2 lid 2 Jw.
Ook is gebleken dat zowel [de minderjarige] als de andere betrokkenen het er over eens zijn dat zij niet binnen zes maanden weer thuis kan gaan wonen.
3.12.6.
Het hof is van oordeel dat een termijn van zes maanden voor de machtiging gesloten plaatsing noodzakelijk is en wijst daarom het verzoek van [de minderjarige] - om het inleidend verzoek van het college toe te wijzen voor de duur van drie maanden onder aanhouding van het restant - af. Het hof zal hierna uitleggen waarom.
Het hof begrijpt dat [de minderjarige] behoefte heeft aan een tussentijds toetsingsmoment zodat een rechterlijke instantie een vinger aan de pols kan houden. Deze behoefte bestaat al langer bij [de minderjarige] en is bovendien versterkt door de ontwikkelingen die zich voordeden na de mondelinge behandeling in eerste aanleg.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 22 december 2022, zoals gewijzigd bij herstelbeschikking van 24 februari 2023,
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.C. Dumoulin en P.M.M. Mostermans en is op 16 maart 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.