Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-12-20
ECLI:NL:GHSHE:2023:4248
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
5,262 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 21/01502
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] BV,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 oktober 2021, nummer BRE 19/1624, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Minister van Justitie en Veiligheid,
hierna: de Minister.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1
De inspecteur heeft aan belanghebbende over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen die naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag gedeeltelijk verminderd.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2023 te ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is een besloten vennootschap die blijkens een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel statutair gevestigd is in [plaats 1] en kantoor houdt te [vestigingsplaats] .
2.2.
De activiteiten van belanghebbende bestaan uit:
- deelname aan springwedstrijden;
- handel in springpaarden;
- het trainen van paarden van derden;
- het fokken van paarden;
- het verkopen van sperma.
2.3.
Belanghebbende beschikt over stallen in België en Nederland. De meeste paarden van belanghebbende zijn gestald in [plaats 2] (België), maar enkele paarden zijn gestald in [plaats 3] (Nederland) en [plaats 4] (Nederland).
2.4.
De heer [naam 1] (hierna: de heer [naam 1] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende. De heer [naam 1] is professioneel springruiter.
2.5.
Belanghebbende heeft op 17 juli 2012 het paard genaamd [paard 1] (hierna: het paard) gekocht.
2.6.
Blijkens een wedstrijdoverzicht heeft de heer [naam 1] met het paard onder meer wedstrijden gereden in [plaats 5] (27 juli 2012) en [plaats 6] (17 augustus 2012).
2.7.
Blijkens een rapport, uitgebracht door [dierenarts] , dierenarts, namens [bedrijf 1] gevestigd te [plaats 7] , New York (Verenigde Staten) is het paard op 31 augustus 2012 gekeurd. De keuring vond plaats in [plaats 8] (Nederland). Op het rapport is als koper van het paard [naam 2] vermeld, een Amerikaanse springruiter. Het rapport vermeldt als conclusie:
‘On this day, I find [paard 1] clinically acceptable for purchase.’
2.8.
Vervolgens heeft belanghebbende het paard verkocht voor € 700.000. Voor deze verkoop heeft belanghebbende te [plaats 1] een factuur opgesteld met dagtekening 31 augustus 2012, nummer [nummer] en omschrijving ‘The sale of the horse [paard 1] , mare, born [jaar] ( [plaats 9] )’. Over de verkoopprijs is geen omzetbelasting berekend. Op de factuur is aangegeven ‘btw verlegd’.
2.9.
Van voornoemde factuur zijn in beroep twee versies overgelegd. De eerste versie van de factuur bevat geen geadresseerde. In de bijlage bij de factuur is het volgende opgenomen:
‘[paard 1] is verkocht naar [vennootschap 1] in Amerika voor € 700.000,- en geëxporteerd uit Europa d.d. 29-09-2012''.
Verder staat op de bijlage handgeschreven:
‘[vennootschap 2] [adres 2] USA’.
Op de tweede versie van de factuur is als geadresseerde vermeld ‘[vennootschap 2] [adres 2] USA’. Ook vermeld is dat de factuur afkomstig is van: [belanghebbende] BV, [adres 1] [plaats 1] . De tweede versie van de factuur bevat geen bijlage. Beide facturen bevatten het factuurnummer [nummer] en de omschrijving: ‘The sale of the horse [paard 1] , mare, born [jaar] ( [plaats 9] ).’
2.10.
[vennootschap 1] . (hierna: [vennootschap 1] ) is een op de Britse Maagdeneilanden gevestigde vennootschap, waarvan de aandelen worden gehouden door [naam 3] (hierna: de heer [naam 3] ).
2.11.
[naam 4] is eigenaar van [vennootschap 2] LCC, een in de Verenigde Staten gevestigde vennootschap (hierna: [vennootschap 2] ). De dochter van [naam 4] , [dochter] , is internationaal springruiter.
2.12.
Verder zijn blijkens een afschrift van een bankrekening van [vennootschap 1] , aangehouden bij [Zwitserse bank] , de volgende transacties verricht:
Op 21 september 2012 is een bedrag van € 3.250.000 op de bankrekening bijgeschreven, afkomstig van ‘[naam 4] [naam 5] Comm Prop’;
Op 24 september 2012 is een bedrag van € 700.000 van de bankrekening overgeboekt naar ‘[belanghebbende] B.V.’.
Op een bankrekening bij de RABO-bank van belanghebbende is met valutadatum 24 september 2012 € 700.000 bijgeschreven onder vermelding van: ‘ [vennootschap 1] .’.
2.13.
In een e-mailbericht van [naam 6] van [bedrijf 2] B.V. verzonden aan [bedrijf 3] ( [bedrijf 3] B.V.; hierna: [bedrijf 3] ) van 26 september 2012 is onder meer het volgende vermeld:
‘[...] Komt nog 1 paard bij voor op te halen een merrie, zie de gegevsn in de bijlage. CEM is wel bij [plaats 10] gedaan
Ontvanger is ook TWE
Paard staat bij
[naam 7]
[adres 3]
[plaats 2]
[…].
Laat me even weten of dit goed komt, denk dit is een dure, want die moet breed vliegen.’
2.14.
Op 28 september 2012 is te [plaats 11] (Nederland; de vestigingsplaats van [bedrijf 3] ) door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (verder: NVWA) een gezondheidscertificaat voor uitvoer naar de Verenigde Staten afgegeven door [naam 8] . Dit formulier bevat diverse vakken die door [naam 8] zijn ingevuld, zoals dat het paard vervoerd zal worden door [bedrijf 3] en dat het paard via de luchthaven Schiphol uitgevoerd zal worden met als geadresseerde [bedrijf en adres] USA. Op het formulier staat standaard voorgedrukt dat het paard:
‘1. has been resident in the Netherlands during the last 60 days prior to export’
2.15.
Op 28 september 2012 heeft [bedrijf 2] B.V., een factuur aan [bedrijf en adres] , gevestigd in de Verenigde Staten, opgesteld voor:
‘- Airfreight 2 hss AMS-NYC incl airport handling, export papers, customs
formalities, phone/fax and agency fee,
- Fuel surcharges
- Security-fee
- Raodtransport front stable to AMS Airport
- Healthcertiffcate for the USA’.
Deze factuur betreft twee paarden, zijnde [paard 2] en [paard 1] . De afzenders van deze paarden en de ontvanger worden op de factuur als volgt omschreven:
‘Ex: D. [naam 9] -Holland
[naam 1] -Belgium
To: [naam 2] -USA’
Verder is op de factuur vermeld dat de behandeldatum/shipping date 29 september 2012 is.
2.16.
Op het exportdocument van het paard dat is afgegeven op 29 september 2012 is ‘ [naam 1] [adres 4] [plaats 2] BE’ vermeld als afzender. Verder is op het document Nederland als land van uitvoer vermeld en de Verenigde Staten als land van bestemming.
2.17.
Op 30 september 2012 heeft [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] B.V. gefactureerd:
‘27-09-12 27009 1 Paard(en) van [plaats 2] naar Schiphol [...]
27-09-12 27009 Gezondheidscertificaten 3de landen [...]’
2.18.
Blijkens het wedstrijdoverzicht heeft [dochter] op 12 maart 2013 voor het eerst na 17 augustus 2012 (zie 2.6) een wedstrijd met het paard gereden in [plaats 12] (Florida).
2.19.
In de aangifte omzetbelasting heeft belanghebbende in verband met de verkoop en levering van het paard het 0%-tarief voor de uitvoer van goederen toegepast. Op 23 oktober 2017 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2017.
Geschil
3.1.
Tussen partijen is in geschil of de inspecteur terecht en niet tot een te hoog bedrag een naheffingsaanslag in de omzetbelasting heeft opgelegd. Enerzijds is in geschil of de betreffende levering van belanghebbende heeft plaatsgevonden in Nederland. Anderzijds is daartoe in geschil of de inspecteur toepassing van het zogeheten nultarief als bedoeld in post a.2 van Tabel II bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968) terecht heeft geweigerd voor de levering van het paard door belanghebbende.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt alle vragen ontkennend en concludeert primair tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag..
3.3
De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
3.4.
De vermindering van de naheffingsaanslag, zoals die door de rechtbank is toegepast, is in hoger beroep niet in geschil.
4Gronden
4.1.
De kern van het geschil is of vastgesteld kan worden waar, wanneer en aan wie het paard is geleverd.
4.2.
De naheffingsaanslag is gebaseerd op het standpunt van de inspecteur dat het paard is geleverd, maar dat onvoldoende duidelijk is waar, wanneer en aan wie het is geleverd. Wel is duidelijk dat de levering in 2012 heeft plaatsgevonden. Op basis van het bewijsvermoeden van artikel 37e Wet OB 1968 is de plaats van levering volgens de inspecteur Nederland (vestigingsplaats belanghebbende) en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
4.3.
Belanghebbende erkent dat sprake is van een levering van het paard in 2012, maar heeft gemotiveerd gesteld dat de macht om als eigenaar over het paard te beschikken pas op een derde is overgegaan op het moment dat het paard werd uitgevoerd. Daarnaast heeft belanghebbende gemotiveerd gesteld dat de plaats van levering in België is gelegen en zo dat niet het geval zou zijn en het paard in Nederland is geleverd, het nultarief van toepassing is.
4.4.
Op basis van artikel 5, lid 1, letter a Wet OB 1968 is de plaats waar een levering wordt verricht, ingeval het goed in verband met de levering wordt verzonden of vervoerd, de plaats waar de verzending of het vervoer aanvangt. Letter b van artikel 5, lid 1 Wet OB 1968 bepaalt dat in andere gevallen de levering wordt verricht daar waar het goed zich bevindt op het tijdstip van de levering.
4.5.
Tijdens de zitting stelde de inspecteur dat de keuring van 31 augustus 2012 in [plaats 8] (Nederland) of de betaling op 24 september 2012 aangemerkt kunnen worden als het moment waarop de macht om als eigenaar over het paard te beschikken door belanghebbende is overgedragen aan een derde. Het hof kan de inspecteur in deze stelling niet volgen. Het rapport van de keuring laat slechts zien dat een aankoopkeuring is uitgevoerd (‘On this day, I find [paard 1] clinically acceptable for purchase’). Er kan worden verondersteld dat de koop(overeenkomst) na de keuring (definitief) tot stand kwam, maar dat geeft als zodanig geen aanleiding op dat moment een overgang aanwezig te achten van de macht om als eigenaar over het paard te beschikken. Evenmin geeft de betaling op 24 september 2012 als zodanig aanleiding op dat moment een overgang aanwezig te achten van de macht om als eigenaar over het paard te beschikken.
4.6.
Belanghebbende heeft gesteld dat het paard na de keuring in [plaats 8] (Nederland) op 31 augustus 2012 terug ging naar de stal van belanghebbende in [plaats 2] (België). Het hof stelt vast dat deze stelling wordt ondersteund door het feit dat het paard in ieder geval op 26 en 27 september 2012 in de stallen van belanghebbende in [plaats 2] (België) stond, zoals blijkt uit de onder 2.13 vermelde e-mail van 26 september 2012 van [bedrijf 2] B.V. aan [bedrijf 3] en uit de onder 2.15 en 2.17 vermelde facturen van deze beide bedrijven. Daarnaast blijkt uit de onder 2.15 vermelde factuur van 28 september 2012 van [bedrijf 2] B.V. ten aanzien van het vervoer naar de Verenigde Staten dat zij op dat moment belanghebbende als afzender en exporteur van de goederen aanmerkte en dat het paard in de Verenigde Staten in ontvangst zou worden genomen (‘To: [naam 2] – USA’). Dit alles maakt de stelling van belanghebbende aannemelijk dat de macht om als eigenaar over het paard te beschikken tot op het moment van de aanvang van het vervoer vanuit [plaats 2] (België) nog niet was overgedragen op een derde.
4.7.
Het hof is van oordeel dat het vervoer als één verzending van België naar de Verenigde Staten aangemerkt moet worden. Uit de processtukken komt namelijk een consistent beeld naar voren dat het paard is bestemd om naar de Verenigde Staten te worden vervoerd, opdat het paard daar gebruikt kan worden door springruiter [dochter] . Uit de e-mail van [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] (zie 2.13) blijkt immers dat het paard opgehaald moest worden in [plaats 2] (België) en dat het paard met het vliegtuig verder vervoerd zou worden. Daarmee staat ook vast dat het vervoer over de weg vanuit [plaats 2] (België) direct gevolgd zou worden door luchtvervoer.
4.8.
De conclusie van de inspecteur dat de Belastingdienst/Douane als land van verzending Nederland heeft aangemerkt, acht het hof niet juist. Allereerst staat belanghebbende op het onder 2.16 vermelde exportdocument als afzender vermeld met een adres in België. Verder is van belang dat de aangifte ten uitvoer is gedaan bij de Nederlandse Belastingdienst/Douane te Schiphol (code [code] rechtsboven in het uitvoergeleidedocument) en dat het kantoor van uitgang (code [code] in vak 29 van het document) eveneens Schiphol is. Aangezien het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang hetzelfde zijn, is er voor de Belastingdienst/Douane geen relevant vervoer vast te stellen. Enkel om die reden zal op het document Nederland zijn vermeld als land van verzending/uitvoer in vak 15 van het uitvoergeleidedocument. De vermelding op het uitvoergeleidedocument dat de uitvoer vanuit Nederland plaatsvindt, zegt daarmee niets over het vervoer dat daarvoor zal hebben plaatsgevonden. Aangezien de Belastingdienst/Douane het paard op de luchthaven heeft aangetroffen (vak 30 van het document), kan het niet anders dan dat het paard daarvoor in verband met de uitvoer vanuit een stal naar Schiphol vervoerd is. De vermelding van belanghebbende als afzender in [plaats 2] (België) ondersteunt daarmee juist dat de Belastingdienst/Douane uitgaat van een plaats van vertrek in België.
4.9.
Uit het onder 2.14 vermelde gezondheidscertificaat van de NVWA en het onder 2.16 vermelde exportdocument van de Belastingdienst/Douane blijkt dat het paard daadwerkelijk was bestemd om via Schiphol naar de Verenigde Staten vervoerd te worden. Dat de keuring ten bate van het gezondheidscertificaat in [plaats 11] (Nederland) heeft plaatsgevonden, acht het hof verder niet van belang voor het oordeel dat het paard vanuit België naar de Verenigde Staten is vervoerd. De keuring was noodzakelijk om van de Nederlandse Douane toestemming te krijgen het paard te exporteren. In dit kader is van belang dat de keuring is uitgevoerd in de bedrijfsvestiging van de vervoerder. Het hof merkt de keuring daarom aan als noodzakelijke tussenstop in het traject van de vervoersdienst, die plaatsvond in het kader van de levering door belanghebbende.
4.10.
De inspecteur merkt op dat het gezondheidscertificaat van de NVWA vermeldt dat het paard de laatste 60 dagen voor uitvoer in Nederland stond. Zoals onder 2.14 is vermeld, is deze tekst één van de voorgedrukte onderdelen van het formulier. Het hof acht aannemelijk dat deze voorgedrukte tekst niet de werkelijkheid weergeeft.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over het griffierecht en de proceskosten;
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vernietigt de naheffingsaanslag;
veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade van € 500;
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep het hoger beroep bij het hof van € 541 vergoedt;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 1.674.
De uitspraak is gedaan door P. Fortuin, voorzitter, E.P.A. Brakeboer en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van X.J. Köhlen, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
X.J. Köhlen P. Fortuin
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252