Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-12-19
ECLI:NL:GHSHE:2023:4153
Strafrecht
Hoger beroep
2,244 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001484-22
Uitspraak : 19 december 2023
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 30 juni 2022, in de strafzaak met parketnummer 02-294818-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1940,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank heeft de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en bepaald dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering zal toewijzen tot het bedrag van € 16.865,02.
De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij is bepleit dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel afgewezen dient te worden.
Het vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 februari 2020 tot en met 1 september 2020 te Goes, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een hoeveelheid geld van in totaal 17.439 euro, in elk geval 16.865,02 euro, door
die [benadeelde partij] te vertellen dat voor verdachte 5,5 miljoen Amerikaanse dollar klaarstond in Amerika, en/of
die [benadeelde partij] te vertellen dat hij, verdachte, kosten moest betalen om voornoemd bedrag vrij te krijgen, en/of
die [benadeelde partij] een Checking Statement te tonen, en/of
die [benadeelde partij] geld te vragen om over voornoemd bedrag te kunnen beschikken, en/of
die [benadeelde partij] te vertellen dat het legaal geld was, en/of
die [benadeelde partij] een provisie van 1,5% te beloven, en/of
die [benadeelde partij] te vertellen dat [betrokkene] zijn, verdachtes, zakenpartner was en/of geld op de rekening van die [betrokkene] te storten om voornoemd bedrag vrij te krijgen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte (en zijn mededader) bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte één of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier volgt dat op 8 september 2020 door [benadeelde partij] aangifte is gedaan van oplichting. [benadeelde partij] was als vrijwilliger via [instantie] werkzaam als schuldhulpverlener bij de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting] en heeft in die hoedanigheid ook verdachte [verdachte] geholpen tijdens diens detentie. Nadat de verdachte op 18 februari 2020 is vrijgekomen, is [benadeelde partij] de verdachte blijven helpen met zijn administratie.
De verdachte heeft meermalen tegen [benadeelde partij] verteld dat er veel geld, een bedrag van 5,5 miljoen Amerikaanse dollar, voor hem klaarstond in Amerika. Als hij het bedrag van 5,5 miljoen Amerikaanse dollar in handen had, zou nog een bedrag van twintig miljoen Amerikaanse dollar vrijkomen. Om over het bedrag van 5,5 miljoen Amerikaanse dollar te kunnen beschikken, moesten echter kosten worden betaald. De verdachte heeft [benadeelde partij] gevraagd om geld om die kosten te kunnen betalen, zodat hij de 5,5 miljoen Amerikaanse dollar kon ontvangen. Tevens heeft hij [benadeelde partij] gevraagd om zijn bankrekening ter beschikking te stellen om daar het geldbedrag op te laten storten, omdat de verdachte het geldbedrag vanwege zijn ondercuratelestelling niet op zijn eigen bankrekening kon ontvangen. [benadeelde partij] zou in ruil hiervoor een provisie ontvangen van 1,5% van het bedrag dat de verdachte tegoed had. De verdachte heeft [benadeelde partij] verteld dat het geld legaal was en heeft hem hiertoe een Checking Statement overhandigd waarop stond vermeld dat de verdachte 5,5 miljoen Amerikaanse dollar op een bankrekening had staan.
[benadeelde partij] heeft vervolgens in de periode van 28 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in totaal een geldbedrag van € 16.865,02 overgemaakt naar een bankrekening op naam van [betrokkene] . De verdachte had [benadeelde partij] verteld dat [betrokkene] zijn zakenpartner was.
[betrokkene] heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie als verdachte d.d. 16 maart 2021 verklaard dat hij op verzoek van de verdachte geldbedragen, afkomstig van [benadeelde partij] , heeft ontvangen op zijn bankrekening, welke geldbedragen nodig waren om een fonds van 5,5 miljoen dollar in Amerika vrij te krijgen. De verdachte had aan hem verteld dat hij van [benadeelde partij] geld mocht lenen om het fonds vrij te krijgen. [betrokkene] heeft voorts verklaard dat hij de geldbedragen op zijn rekening heeft ontvangen en deze vervolgens in opdracht van de verdachte heeft overgemaakt naar de bankrekening van de heer [naam] .
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. M.J. Grapperhaus, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. van Kaathoven, griffier,
en op 19 december 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. M.J. Grapperhaus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.