Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-11-17
ECLI:NL:GHSHE:2023:3845
Strafrecht
Hoger beroep
3,531 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000850-23
Uitspraak : 17 november 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 maart 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-327694-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals is’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft, zo begrijpt het hof, gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de kwalificatie van het feit, en in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 15 december 2022, te Heerlen, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een Hongaars rijbewijs, waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze/dit vals of vervalst was, voorhanden heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij, op 15 december 2022, te Heerlen, een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een Hongaars rijbewijs, waarvan hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat dit vals was, voorhanden heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het eindproces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Scheldestromen, met dossiernummer PL27YS/22-004766, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee, gesloten d.d. 21 december 2022, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, alsmede geschriften, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-35. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van bevindingen, met als bijlage foto’s, d.d. 15 december 2022, dossierpagina’s 6-9, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] .
Op 15 december 2022 te 15:15 uur was ik, [verbalisant 1] , belast met het toezicht op vreemdelingen op basis van artikel 47 van de Vreemdelingenwet 2000, belast met uitoefening van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen bestrijding (MTV) ter bestrijding van illegaal verblijf. Ik bevond mij op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, zijnde de A76 te Heerlen, gelegen in de gemeente Heerlen.
Deze mobiele toezichtcontrole werd uitgevoerd op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 in overeenstemming met de gestelde in artikel 4.17b lid 1 onder c, lid 2 en lid 5 van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarmee is gewaarborgd dat deze controle niet is gericht op grenstoezicht en niet hetzelfde effect heeft van een grenscontrole zoals bedoeld in de artikelen 8 en 23 van de Schengengrenscode.
Waarnemingen
Op donderdag 15 december 2022 te 16:00 uur zag ik een personenauto, zijnde een Renault Clio, wit van kleur en voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , rijden op de rijksweg A76, komende vanuit Duitsland en rijden in de richting van Heerlen. Ik ben achter genoemd voertuig aan gereden teneinde de inzittenden te controleren conform artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000. Ik heb de bestuurder van bovengenoemd voertuig een teken tot volgen gegeven. Ik zag dat de bestuurder mij volgde naar de controleplaats, zijnde de afslag Heerlen-Noord, gelegen aan de rijksweg A76, gemeente Heerlen. In genoemd voertuig bevonden zich voor mij twee onbekende manspersonen.
Staandehouding
Op donderdag 15 december 2022 te 16:07 uur heb ik de bijrijder van genoemd voertuig staande gehouden op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000, ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Ik vorderde van de staande gehouden persoon mij een document te tonen als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit, waaruit zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie kon blijken.
De bijrijder overhandigde mij een vluchtelingenpaspoort Duitsland voorzien van documentnummer [documentnummer 1] , geldig vanaf 27 maart 2019 tot 26 maart 2022. Tevens overhandigde de bijrijder mij een verblijfskaart Duitsland voorzien van documentnummer [documentnummer 2] , geldig vanaf 27 maart 2019 tot 26 maart 2022. Ook overhandigde de bijrijder mij een "Fiktionsbescheinigung" geldig vanaf 23 augustus 2022 tot 22 augustus 2023. Deze "Fiktionsbescheinigung" bleek een verlenging te zijn van het voornoemde paspoort met documentnummer [documentnummer 1] . Al deze documenten stonden op naam van:
Naam: [verdachte] ,
Voornaam: [verdachte] ,
Geboortedatum: [geboortedag] 1960,
Geboorteplaats: [geboorteplaats] ,
Nationaliteit: Syrische.
Opmerking verbalisant
De combinatie van bovenstaande documenten zijn geen geldige documenten zoals genoemd in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Doorzoeken voertuig en fouillering bijrijder
Daar de bijrijder mij geen document kon tonen zoals genoemd in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit heb ik de voornoemde personenauto doorzocht op grond van artikel 50 lid 5 Vreemdelingenwet. Hierbij heb ik niets ter zake dienende aangetroffen. Daar de bijrijder mij geen document kon tonen zoals genoemd in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit heb ik de bijrijder gefouilleerd op grond van artikel 50 lid 5 Vreemdelingenwet.
Conclusie
Het onderzochte rijbewijs is een nabootsing van een origineel exemplaar/model van dit rijbewijs. Het rijbewijs is vals.
3. Proces-verbaal van verhoor, d.d. 15 december 2022, dossierpagina’s 17-21, voor zover gerelateerd door wachtmeester 1e klasse der Kon. Marechaussee [verbalisant 3] .
V= vraag verbalisant
A= antwoord verdachte
V: Hoe bent u in het bezit gekomen van dit valse rijbewijs?
A: Toen wij in Hongarije waren daar en daar voor een lange periode waren, heb ik mensen leren kennen. Zij te hebben toen beloofd een echt rijbewijs voor mij regelen.
V: Heeft u in Hongarije rijlessen gehad?
A: Nee. Zij hebben mij wel gevraagd of ik kon rijden en dat kan ik.
V: Van wie heeft u het valse rijbewijs gekocht?
A: In Hongarije heb je mensen uit allerlei landen. Wij ontmoeten elkaar in cafés. Ik weet niet hoe die personen heten en heb ook geen contactgegevens. Dat is ongeveer 7 jaar geleden geweest.
V: Hoeveel heeft u voor het valse rijbewijs betaald?
A: Toentertijd was dit ongeveer € 1.200,00.
Bewijsoverwegingen
Feiten
Hetgeen de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, vindt zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals is.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij een vals identiteitsbewijs, zijnde een vals Hongaars rijbewijs, voorhanden heeft gehad. Door zijn handelen heeft de verdachte het vertrouwen geschonden dat in de juistheid en authenticiteit van officiële documenten – met name indien deze van overheidswege zijn verstrekt – moet kunnen worden gesteld. Het voorhanden hebben van valse identiteitsbewijzen kan leiden tot aanzienlijke schade als zij ten onrechte voor echt worden aangezien, bijvoorbeeld doordat een bestuurder met een vals rijbewijs niet verzekerd is.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 14 september 2023, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte waaruit volgt dat de verdachte niet eerder hier te lande onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij uit Syrië komt, dat hij woont in Duitsland, dat hij zes kinderen heeft, dat hij schulden heeft, dat hij gezondheidsklachten heeft aan zijn linkerarm en dat hij bekendheid geniet als Koerdische zanger.
Het hof heeft bij de bepaling van de straf voorts acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Het oriëntatiepunt voor een overtreding van artikel 231 Wetboek van Strafrecht geeft als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Naar het oordeel van het hof geven de voornoemde persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om af te wijken van de geldende richtlijnen.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. M.A.A. van Capelle, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 17 november 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.