Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-10-30
ECLI:NL:GHSHE:2023:3712
Strafrecht; Strafprocesrecht
Wraking
2,021 tokens
Dictum
gegeven op het mondelinge verzoek van 28 april 2023, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak met parketnummer [parketnummer] , in hoger beroep aanhangig bij de zevenentwintigste meervoudige strafkamer van dit gerechtshof, ingediend door:
[verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,
met als postadres: [adres] , [postcode] te [plaats] ,
hierna te noemen: ‘verzoeker’,
strekkende tot wraking van mr. A.R. Hartmann, mr. W.F. Koolen en mr. H.A.T.G. Koning, respectievelijk voorzitter en raadsheren in de zevenentwintigste meervoudige strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, hierna te noemen de ‘voorzitter’ en gezamenlijk: ‘de raadsheren’.
Procesverloop
1.1.
Op 28 april 2023 heeft de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof in hoger beroep de hiervoor genoemde strafzaak tegen verzoeker behandeld.
1.2.
Tijdens de behandeling heeft verzoeker mondeling de wraking verzocht van de raadsheren van de strafkamer. Het geding is toen geschorst.
1.3.
Verzoeker is door het secretariaat van de wrakingskamer schriftelijk bericht dat zijn verzoek in behandeling is genomen.
1.4.
Het Openbaar Ministerie heeft bij monde van de advocaat-generaal schriftelijk geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek.
1.5.
De wrakingskamer heeft het verzoek ter zitting van 23 oktober 2023 behandeld. Daarbij zijn verzoeker en de voorzitter verschenen.
1.6.
Na sluiting van de behandeling ter zitting heeft de voorzitter van de wrakingskamer medegedeeld dat op 30 oktober 2023 uitspraak op het wrakingsverzoek zal worden gedaan.
2Het standpunt van verzoeker
2.1
Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek tot wraking, blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep, het volgende aangevoerd:
‘Als in de eerste pagina van het tweede schriftelijke stuk neergelegd, verzoek ik de
raadsheren van deze kamersamenstelling hun aanstellingsaktes op grond van artikel 21 Rechtsvordering aan mij te laten zien.
De voorzitter, de jongste en de oudste raadsheer delen mede de verzochte aanstellingsakten niet bij zich te hebben.
De verdachte verklaart daarop:
Zoals op de eerste pagina van mijn tweede schriftelijke stuk neergelegd betekent dit dat ik op grond van artikel 13 Wet Algemene Bepalingen, maar ook op de artikelen, 355 Strafrecht en 51 Strafrecht, u rechter en alle rechters hier aanwezig, evenals alle rechters in dit gerechtsgebouw, dit gehele gerechtsgebouw, alle gerechtsgebouwen en de hele gerechtsgang in het Nederlandse grondgebied, met inbegrip van de overzeese eilanden wraak.’
2.2.
Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling van de wrakingskamer nog het volgende toegelicht. Verzoeker heeft gesteld dat de voorzitter tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak aan verzoeker heeft medegedeeld dat hij geen aanstellingsakte had. Ten aanzien van de tijdens de mondelinge behandeling van de wrakingskamer getoonde aanstellingsakte van de voorzitter aan verzoeker, heeft verzoeker naar voren gebracht dat deze aanstellingsakte niet authentiek is, nu deze achteraf kan zijn opgemaakt, een kopie is en deze geen ‘natte handtekening’ bevat.
3Het standpunt van de raadsheren
3.1.
De voorzitter heeft in zijn schriftelijke reactie d.d. 9 mei 2023 kenbaar gemaakt niet te berusten in het verzoek tot wraking. Voorts heeft de voorzitter ter zitting aangevoerd dat het niet kunnen tonen van de aanstellingsakte ter terechtzitting zijns inziens geen feit of omstandigheid oplevert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Mr. Koning heeft in zijn schriftelijke reactie d.d. 8 mei 2023 kenbaar gemaakt niet te berusten in het verzoek tot wraking en geen gebruik te maken van de gelegenheid om schriftelijk te reageren op het wrakingsverzoek.
3.3.
Mr. Koolen heeft in zijn schriftelijke reactie d.d. 10 mei 2023 kenbaar gemaakt niet te berusten in het verzoek tot wraking en geen gebruik te maken van de gelegenheid om schriftelijk te reageren op het wrakingsverzoek.
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
Ingevolge artikel 513, lid 2, Sv moet een wrakingsverzoek worden gemotiveerd. Dit houdt in dat het verzoek de feiten of omstandigheden dient te vermelden waardoor volgens de verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Een verzoek voldoet niet aan de motiveringseis als iedere motivering ontbreekt. Daarvan is slechts sprake als ondubbelzinnig kan worden vastgesteld dat in het verzoek geen enkel feit en geen enkele omstandigheid is vermeld waaruit kan volgen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de desbetreffende rechter schade kan lijden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Een dergelijk verzoek kan niet worden aangemerkt als een wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 Sv.
4.3.
Het verzoek tot wraking houdt onder meer in dat verzoeker de gehele rechtspraak wraakt. Uit artikel 512 Sv blijkt dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten of omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen en de wraking alleen gericht kan zijn tegen de rechters die de zaak behandelen. Verzoeker is dan ook niet-ontvankelijk in zijn verzoek voor zover hij hiermee heeft beoogd de gehele rechtspraak, alle rechters in het gerechtsgebouw en de gehele gerechtsgang in het Nederlandse grondgebied, met inbegrip van de overzeese eilanden - en aldus niet alleen de raadsheren - te wraken. Dit geldt tevens voor zover het verzoek ook de wrakingskamer zou betreffen.
4.4.
Voor zover het verzoek specifiek tegen de raadsheren is gericht, overweegt de wrakingskamer dat verzoeker ten aanzien van deze raadsheren geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zouden kunnen meebrengen dat de rechterlijke onpartijdigheid bij dit hoger beroep schade zou kunnen lijden of daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Het onderhavige verzoek voldoet daarmee niet aan de eis dat het verzoek tot wraking is gemotiveerd (artikel 513 lid 2 Sv) en kan dus niet worden aangemerkt als wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 Sv. Om die reden zal de wrakingskamer het verzoek buiten behandeling laten.
Dictum
Het hof:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek voor zover hij hiermee heeft beoogd de gehele rechtspraak, alle rechters in het gerechtsgebouw en de gehele gerechtsgang in het Nederlandse grondgebied, met inbegrip van de overzeese eilanden – te wraken (4.3);
stelt het verzoek tot wraking van de raadsheren buiten behandeling;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, het Openbaar Ministerie en de raadsheren mrs. A.R. Hartmann, W.F. Koolen en H.A.T.G. Koning.
Aldus gegeven te ’s-Hertogenbosch op 30 oktober 2023 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, mr. E.H. Schulten en mr. J.M. van der Vegt, leden, bijgestaan door mrs. M.B. Mobach en A. van Kaathoven.